Geschiedenis van de Centraal-Afrikaanse Republiek

Vissers op de stroomversnellingen van de Mobaye (eind-19e eeuw)

De geschiedenis van de Centraal-Afrikaanse Republiek omvat de voorkoloniale en koloniale gechiedenis en de onafhankelijkheid van de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Vroege geschiedenis

Megalieten van Bouar

Ongeveer 10.000 jaar geleden dwong woestijnvorming jager-verzamelaarsgemeenschappen naar het zuiden, naar de Sahelregio's in het noorden van Centraal-Afrika, waar sommige groepen zich vestigden en begonnen met landbouw. Aanvankelijk werd witte yam (Dioscorea rotundata) verbouwd, later ging het om gierst en sorghum. De domesticatie van de oliepalm verbeterde de voeding van de groepen en maakte het mogelijk dat de lokale bevolking zich uitbreidde. Bananen arriveerden in de regio en vormden een belangrijke bron van koolhydraten voor het dieet; ze werden ook gebruikt bij de productie van alcoholische dranken. Deze agrarische revolutie werd gecombineerd met een "visstoofpotrevolutie", waarbij de visserij begon en het gebruik van boten het transport van goederen mogelijk maakte. Producten werden vaak vervoerd in aardewerken potten, de eerste bekende voorbeelden van artistieke expressie van de bewoners van de regio.

De megalieten van Bouar in het westelijke deel van het land duiden op een geavanceerd niveau van bewoning dat teruggaat tot het late neolithicum (ca. 3500-1700 v.Chr.). De ijzerbewerking arriveerde rond 1000 v.Chr. in de regio, waarschijnlijk afkomstig van vroege Bantoevolkeren in wat nu het zuidoosten van Nigeria en/of Kameroen is. De vindplaats Gbabiri leverde bewijs op van ijzermetallurgie, afkomstig van een reductieoven en een smidse, met de vroegste data van respectievelijk 896-173 v.Chr. en 907-196 v.Chr. Er zijn ook eerdere dateringen van ijzermetallurgie van 2000 v.Chr. voorgesteld, afkomstig van de vindplaats Oboui, maar deze worden door sommige archeologen betwist.

Tijdens de Bantoe-migraties van ongeveer 1000 v.Chr. tot 1000 n.Chr. verspreidden Ubangitalen-sprekende mensen zich oostwaarts van Kameroen naar Soedan, vestigden Bantoetalen-sprekende mensen zich in de zuidwestelijke regio's van de Centraal-Afrikaanse Republiek, en Centraal-Soedanese talen-sprekende mensen vestigden zich langs de Ubangi in wat nu Centraal- en Oost-CAR-gebied is.

De productie van koper, zout, gedroogde vis en textiel domineerde de handel in de Centraal-Afrikaanse regio.

Het is bekend dat het grondgebied van de moderne Centraal-Afrikaanse Republiek vanaf ten minste de 7e eeuw werd bewoond door overlappende rijken, waaronder Kanem-Bornu, Ouaddaï, Baguirmi en Dafour-groepen, gebaseerd in de regio van het Tsjaadmeer en langs de Boven-Nijl.

In de 16e en 17e eeuw begonnen islamitische slavenhandelaren de regio te plunderen. Hun gevangenen werden verscheept naar de Middellandse Zeekust, Europa, Arabië, het westelijk halfrond of naar de slavenhavens langs de West-Afrikaanse kust.

In de 18e eeuw stichtten de Bandia-Nzakara-volkeren het koninkrijk Bangassou langs de rivier de Ubangi. De bevolkingsmigratie in de 18e en 19e eeuw bracht nieuwe migranten naar het gebied, waaronder de Azande, Banda en Baya-Mandjia. De slavenstaat Dar al-Kuti lag aan het noordelijke uiteinde van de moderne CAR en bleef zo bestaan totdat ze eind 19e eeuw onder Frans koloniaal bestuur kwam.

Franse kolonie

De eerste Europeanen arriveerden rond het einde van de 19e eeuw, tijdens de wedloop om Afrika, in het gebied van de Centraal-Afrikaanse Republiek. De Fransen hadden reeds nederzettingen in Congo-Brazzaville en zonden expedities uit om ook het binnenland van Centraal-Afrika te koloniseren. Ook de Belgische koning Leopold II, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hadden interesse in het gebied. Het gebied was eind 19e eeuw ook toneel van Arabische slavenhandel richting Zanzibar.

In 1889 vestigden de Fransen een nederzetting op de plaats van de huidige hoofdstad Bangui. Datzelfde jaar kregen 17 bedrijven toestemming van de Franse regering om grote gebieden in Centraal-Afrika te exploiteren. De bedrijven dreven handel door Europese goederen te verkopen en inheemse goederen te exporteren naar Europa. Later werden de grenzen van Frans-Afrika vastgelegd in overeenkomsten met België en Duitsland. De inheemse bevolking werd vaak met bruut geweld gedwongen om voor de bedrijven te werken. Tegelijkertijd legde de Franse overheid de inwoners belastingen op en werd het verlenen van arbeid voor de Franse staat verplicht.

Oubangui-Chari

Zie Oubangui-Chari voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 29 december 1903 werd door Frankrijk per decreet het territorium van Oubangui-Chari ingesteld. In 1910 werd Oubangui-Chari een van de onderdelen van Frans-Equatoriaal-Afrika, naast Tsjaad, Midden-Congo en Gabon. In 1916 werd een deel van Duits Kameroen toegevoegd aan het territorium.

In de jaren 1920 verbeterden de Fransen de infrastructuur en de gezondheidszorg. Nieuwe vormen van gedwongen arbeid werden geïntroduceerd, bijvoorbeeld bij de aanleg van de Congo-spoorlijn (Pointe-Noire-Brazzaville). Veel arbeiders stierven aan ziekte of uitputting.

In de jaren 1930 werden in Oubangui-Chari veel katoen, thee en koffie verbouwd. Ook werden er goud en diamant gedolven.

Onafhankelijkheid

In 1958 werd de regio Oubangui-Chari autonoom binnen het Franse koloniale Rijk en nam zij de naam Centraal-Afrikaanse Republiek aan. Op 13 augustus 1960 werd de republiek onafhankelijk van Frankrijk. Onmiddellijk brak een machtsstrijd uit tussen de potentiële presidenten Abel Goumba en David Dacko. Dacko greep de macht en liet Goumba arresteren. Twee jaar later vestigde David Dacko een dictatuur.

Jean-Bédel Bokassa

In 1965 werd het regime van Dacko omvergeworpen door kolonel Jean-Bédel Bokassa, die de grondwet opschortte en het parlement ontbond. Bokassa riep zichzelf uit tot president voor het leven in 1972. Later benoemde Bokassa zichzelf tot keizer van het Centraal-Afrikaans Keizerrijk in 1976.

In 1979 voerde Frankrijk een militaire operatie uit onder de naam "Barracuda" tegen Bokassa, die in verband werd gebracht met kannibalisme. De voormalige kolonisator herstelde de macht van David Dacko. In 1981 werd Dacko opnieuw afgezet, door een legerofficier. Generaal André Kolingba werd de nieuwe president.

Kolingba regeerde met een militaire junta tot 1985. In 1986 stelde hij een nieuwe grondwet voor, die per referendum aangenomen werd. In 1987 werden presidentiële verkiezingen gehouden, die echter geboycot werden door Abel Goumba en Ange-Félix Patassé, de belangrijkste opponenten van Kolingba. Kolingba bleef zodoende president.

In 1990, na de val van het communisme in Oost-Europa, werd de democratische beweging actiever. Onder druk van de Verenigde Staten en Frankrijk gaf Kolingba toestemming voor het houden van vrije verkiezingen. Ook werd Kolingba gedwongen vertegenwoordigers van andere partijen toe te laten in het parlement.

In 1993 vonden de verkiezingen uiteindelijk plaats. Patassé werd president en zijn partij Beweging voor de Bevrijding van het Centraal-Afrikaanse Volk MLPC kreeg een kleine meerderheid in de Nationale Assemblee. Ook Patassé regeerde als een dictator: zo liet hij politieke tegenstanders vermoorden.

Door de etnische spanningen was het land zeer onrustig. In 1997 werden troepen uit verschillende Afrikaanse landen onder de naam MISAB gestationeerd in Centraal-Afrika. Later werden zij vervangen door troepen van de Verenigde Naties, de MINURCA.

In 1998 werden de parlementsverkiezingen gewonnen door de partij van Kolingba, maar in 1999 werd Patassé herkozen bij de presidentsverkiezingen.

Zie Burgeroorlog in de Centraal-Afrikaanse Republiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 2002 pleegde François Bozizé een coup. Hij werd in 2005 gekozen tot president maar werd in 2013 op zijn beurt afgezet na een opstand van islamitische milities, de SELEKA. Daarbij kwam Michel Djotodia aan de macht. Een burgeroorlog brak uit die ontaardde in slachtpartijen tussen moslims en christenen.

Zie de categorie History of the Central African Republic van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.