Geschiedenis van Equatoriaal-Guinea

Monument voor de eerste bewoners van Bioko (Fernando Po)

De geschiedenis van Equatoriaal-Guinea omvat de prekoloniale, koloniale en postkoloniale geschiedenis in het gebied van de huidige republiek Equatoriaal-Guinea.

Vroege geschiedenis

Het vasteland van Equatoriaal-Guinea, bekend als Mbini, was al veel eerder bewoond dan de eilanden. De eerste inwoners van het vasteland waren pygmeeën die geen permanente nederzettingen stichtten, noch staatsstructuren ontwikkelden.

Van de 17e tot de 19e eeuw trokken verschillende Bantoe-groepen naar dit gebied en verdreven de oorspronkelijke bewoners, op kleine groepen na. Deze Bantoes waren de Ndowe, Bujeba, Balengue en Benga (de zogenaamde kuststammen) en later de Fang, die het binnenland bewonen. Zij vormen momenteel de grootste etnische groep in Equatoriaal-Guinea. Terwijl er in de prekoloniale tijd grote rijken ten noorden en ten zuiden van Mbini bestonden, werden hier geen staten gesticht.

Corisco

Tijdens de ijzertijd (50 v.Chr. - 1400 n.Chr.) was het eiland Corisco dichtbevolkt. Het belangrijkste bewijs van menselijke bewoning komt uit het gebied rond Nandá, nabij de oostkust van het eiland, waar tientallen prehistorische graven zijn opgegraven. Deze vondsten behoren voornamelijk tot twee verschillende perioden, de vroege ijzertijd (50 v.Chr. - 450 n.Chr.) en midden-ijzertijd (1000-1150 n.Chr.). Tijdens de eerste periode deponeerden de eilandbewoners stapels menselijke botten en ijzeren voorwerpen (bijlen, armbanden, speren, lepels, ijzeren munten) in ondiepe kuilen die in het zand waren gegraven. Uit de tweede periode zijn graven met rituele begrafenissen gedocumenteerd. In 2011 bracht een reeks opgravingen in een begraafplaats uit de vroege ijzertijd op Corisco de grootste prehistorische necropolis in West-Centraal-Afrika aan het licht. De graven bevatten aardewerken en metalen grafgiften, een overvloed aan bijlen, halskettingen, armbanden en baarmunten.

Het eiland werd blijkbaar rond de 14e eeuw verlaten. Na meer dan drie eeuwen van verlatenheid, gedurende welke het eiland sporadisch werd bezocht door Europese en Afrikaanse zeelieden, werd Corisco permanent herbewoond door clans van de Benga, die zich daar in de tweede helft van de siglo vanuit het kustgebied van de Muni-rivier hadden verspreid., aangetrokken door de handelsvooruitzichten met Europese zeevaarders.

Bioko

De menselijke vestiging van Bioko, het hoofdeiland van het huidige Equatoriaal-Guinea, vond plaats tussen de 5e en 6e eeuw na Christus. Kleine expedities vanuit verschillende plaatsen langs de Golfkust leidden tot de vorming van een aparte sociaal-culturele groep, de Bubi. De naam Momiatú is in de volksmythologie bewaard gebleven als de legendarische leider van de eerste nederzettingen. De clanstructuur die zich in de loop der tijd ontwikkelde, onderhield regelmatige, zij het zwakke, contacten met het vasteland. Het eiland werd door de eerste Bubi-kolonisten Etula genoemd.

Annobón

Tot de komst van de eerste Europeanen in 1473 was het eiland onbewoond.

Koloniale periode

Grafmonument voor vroege ontdekkingsreizigers op Bioko

Het gebied werd rond 1472 verkend door de Portugees Fernão do Pó. Bij het Verdrag van El Pardo (1778) stond Portugal het af aan Spanje. Als Rio Muni werd het op 9 januari 1885 een Spaans protectoraat en in 1900 een kolonie van Spanje. De Spanjaarden hadden gehoopt er slaven te kunnen halen, maar de kolonisten die daarvoor moesten zorgen stierven aan gele koorts en het gebied werd verlaten. Pas vanaf 1900 werd het opnieuw gekoloniseerd en cacao en hout werden de grootste exportproducten.

In 1926 werd het eiland Fernando Poo, het huidige Bioko, aan de kolonie toegevoegd.

In 1959 werd het de Spaanse overzeese provincie Spaans-Guinea.

Zie ook: Spaans-Guinea

Onafhankelijkheid

Ondertekening van de onafhankelijksheidsverklaring op 12 oktober 1968

In 1963 verleende Francisco Franco, die destijds Spanje bestuurde, Spaans-Guinea zelfbestuur. De Spaanse Hoge Commissaris benoemde de gematigde nationalist Bonifacio Ondó Edu tot minister-president.

Op 12 oktober 1968 werd Equatoriaal-Guinea, samen met het eiland Annobón, onafhankelijk. Ondó Edu verloor het premierschap en de leider van de extreemlinkse Partido Unido Nacional del Trabajador (PUNT, Verenigde Nationale Arbeiderspartij), Francisco Macías Nguema werd de eerste president.

Na anti-Spaanse rellen werden in 1969 alle Spanjaarden het land uitgezet. President Macías Nguema voerde een dictatuur met persoonlijkheidscultus in en liet zich in 1972 uitroepen tot president voor het leven. In 1974 liet hij massaal tegenstanders van zijn regime executeren. In 1978 vaardigde de president een verbod op godsdienstoefeningen uit en werd het land een atheïstische republiek naar het voorbeeld van Enver Hoxha in de volksrepubliek Albanië.

In augustus 1979 pleegde de neef van de president, onderminister van Defensie generaal Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, een coup. Hij liet president Macías Nguema executeren en werd zelf president. Godsdienstoefeningen werden weer toegestaan en het socialistische economisch beleid werd radicaal gewijzigd, onder andere door een geleidelijke invoering van een vrije markteconomie. Nguema Mbasogo trad hard op tegen tegenstanders van zijn regime, met name tegen die van de bevrijdingsbeweging GNBA (Nationalistische Groep van het Bubi-volk van de Eerste April).

In 1986 probeerden hoge militairen het bewind van Nguema Mbasogo omver te werpen, maar de president bleef stevig in het zadel zitten. In 1987 richtte Nguema Mbasogo de Partido Democrático Guinea Ecuatorial (Democratische Partij van Equatoriaal-Guinea, PDGE) op. De PDGE werd de enige toegestane partij. In 1991 werd officieel het meerpartijenstelsel ingevoerd. Politieke partijen (behalve de PDGE) moesten echter aan zoveel regels voldoen dat er geen sprake was van een echte oppositie.

In 1996 werd Obiang Nguema Mbasogo met een overweldigende meerderheid als president herkozen. Dit gebeurde ook in de daarop volgende verkiezingen. In 2016 werd hij weer herkozen met 93,7% van de stemmen.[1] Zijn belangrijkste tegenkandidaat was Avelino Mocache Benga, welke 1,5% van de stemmen kreeg. De opkomst was 92,9%.

In november 2011 werd een nieuwe grondwet aangenomen. Hierin staat dat de president maximaal twee perioden van zeven jaar aan het hoofd mag staan. De functie van vicepresident werd heringevoerd.

In juni 2016 werd de zoon van de president, Teodorin Obiang, benoemd tot vicepresident.

Zie de categorie History of Equatorial Guinea van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.