Geschiedenis van Benin

De poorten van Abomey (1883)

De geschiedenis van Benin omvat de prehistorie, vroege geschiedenis, koloniale periode en onafhankelijkheid van de huidige Republiek Benin.

Prehistorie

In het Atacora-gebergte in het noordwesten van Benin hebben systematische onderzoeken en opgravingen grotten, rotsschuilplaatsen en openluchtsites met steenindustrieën uit de Early, Middle en Later Stone Age aan het licht gebracht. Didier N'Dah heeft op sites zoals Kumaaku, Tanongou en het Pendjari-gebied een chronoculturele sequentie gereconstrueerd van de vroege tot de late steentijd, gebaseerd op de typologie van stenen werktuigen en vergelijkingen met beter gedateerde regio's in West-Afrika. Op deze sites zijn diverse artefacten gevonden, waaronder grote afslagen en kernen die geassocieerd werden met technologieën uit de Middle Stone Age, maar ook microlieten, maalstenen, gepolijste bijlen en aardewerk die wijzen op bewoning in de Later Stone Age en het neolithicum in de regio. Een breder onderzoek naar Pleistocene sites in West-Afrika omvat ook plaatsen in het huidige Benin, wat bevestigt dat het land deel uitmaakte van het bredere regionale patroon van nederzettingen uit de steentijd.

Archeologisch onderzoek op het Abomey-plateau heeft een lange en dynamische bewoningsgeschiedenis aan het licht gebracht die dateert van vóór Dahomey.

Onderzoek door het Projet Bénino-Danois d'Archéologie (BDArch), met name in het Sodohomé-kanaal, heeft culturele overblijfselen blootgelegd uit het midden van de 7e eeuw v.Chr. tot 1200 n.Chr. Verspreide stenen werktuigen aan het zuidoostelijke uiteinde van het kanaal kunnen wijzen op tijdelijke kampen uit de Middle Stone Age.

Latere overblijfselen omvatten aardewerkscherven, ijzerslakken, graven, afvalkuilen en ondergrondse structuren uit de Dahoméperiode. BDArch identificeerde vijf archeologische fasen en drie culturele perioden voorafgaand aan de opkomst van Dahomey, waarbij de nederzettingen zich uitbreidden en zich vormden vanaf de Gele Aardewerkperiode (670-540 v.Chr.) tot en met de Sodohoméperiode (870-1200 n.Chr.). Hoewel er enkele hiaten in de bewoning zichtbaar zijn, suggereert het materiaal verschuivende nederzettingen die verband hielden met agrarische, politieke en economische druk.

Rond het jaar 1000 AD verschenen er duidelijke aanwijzingen voor kleinschalige ijzersmelting, die rond 1400 uitgroeide tot industriële productie. in het zuiden van Benin zijn meer dan dertig sites gedocumenteerd, met geforceerde trekovens en omvangrijke slakkenhopen die wijzen op een grootschalige productie, geschat op meer dan vier miljoen kilogram ijzer tussen 1400 en 1600 AD. Deze toename was waarschijnlijk een reactie op de regionale vraag en mogelijk ook op die van verder afgelegen staten in de Sahel.

Vroege geschiedenis

Ardra

Zie Ardra voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het koninkrijk Ardra, of Allada, gesticht in de 16e eeuw, groeide uit tot de dominante kuststaat in het huidige zuidelijke Benin. Portugese kooplieden dreven halverwege de 16e eeuw handel in de hoofdstad, geïdentificeerd met de archeologische vindplaats Togudo-Awute nabij het moderne Allada. De Nederlandse West-Indische Compagnie verwierf tussen 1636 en 1647 jaarlijks ongeveer 800 slaven uit Allada, en tegen de jaren 1680 exporteerde de Slavenkust ongeveer 5.000 gevangenen per jaar, een aantal dat tegen de jaren 1710 was opgelopen tot 10.000. Textiel en kaurischelpen vormden tot 81% van de goederen die voor de gevangenen werden geruild.

Ouidah

Kroning van de koning van Ouidah (1725)

Ouidah was een klein koninkrijk en een vazalstaat van Ardra gedurende een groot deel van de 17e eeuw. Het verscheen in 1671 in de gedocumenteerde bronnen met de vestiging van een Franse handelspost in Savi, de koninklijke hoofdstad. De Engelse Royal African Company verplaatste haar basis in 1682 naar Savi, waardoor de Nederlanders de enige Europese macht in Offra werden. De handel verplaatste zich in de late 17e eeuw definitief naar Ouidah. Europese handelsposten werden gevestigd in Savi, 15 km landinwaarts van de havenstad Ouidah, waardoor het een centraal knooppunt in de Atlantische handel werd.

Interne verdeeldheid maakte het uiteindelijk mogelijk dat Dahomey Ouidah in 1727 veroverde.

Dahomey

Zie Koninkrijk Dahomey voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Verder naar het noorden, op het Abomey-plateau, begon zich in de 17e eeuw een derde politieke entiteit te vormen: het Fon-koninkrijk Dahomey. Tegen het einde van de 17e eeuw breidde Dahomey zich snel uit. Mondelinge bronnen beschrijven hoe de heerschappij van het koninkrijk zich tegen het begin van de 18 eeuw uitstrekte over het gehele Abomey-plateau. De toegang van Dahomey tot de handel aan de kust werd versterkt door de controle over de handel binnen het plateau, waardoor gevangenen werden geleverd aan de elites aan de kust in Ardra en Ouidah. Hoewel sommige gevangenen afkomstig waren uit expansionistische oorlogen, werden anderen waarschijnlijk verkregen van handelaren uit het noorden. Tegen de jaren 1690 merkten Europese waarnemers op dat staten in het binnenland zoals Dahomey steeds meer gevangenen leverden voor de verkoop aan de kust.

Koloniale periode

Zie Dahomey (kolonie) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Fetisjdanseressen te Abomey, 1908

Vanaf de 18e eeuw viel het koninkrijk Dahomey uiteen en in 1892 slaagden de Fransen erin om een groot deel van het gebied onder hun controle te krijgen.

Halverwege de 19e eeuw vestigden veel Braziliaanse ex-slaven (Aguda) zich in steden als Ouidah en Porto-Novo waar zij zich richtten op de handel. Cultureel hebben zij veel invloed gehad op de plaatselijke bevolking, voornamelijk op de Yoruba.

In 1899 werd het land opgenomen in Frans-West-Afrika. In 1958 verkreeg het land autonomie als de Republiek Dahomey.

Onafhankelijkheid

Op 1 augustus 1960 werd het land volledig onafhankelijk. De volgende twaalf jaar zou het land geplaagd worden door etnische conflicten. Er vonden verschillende staatsgrepen en regeringswissels plaats.

Het politieke toneel werd gedomineerd door Sourou Apithy, Hubert Maga en Justin Ahomadegbé, die elk een verschillend deel van het land vertegenwoordigden. Deze drie figuren sloten een overeenkomst na de door geweld ontsierde verkiezingen van 1970 om een presidentiële raad te vormen. In 1972 werd deze presidentiële raad omver geworpen door een militaire staatsgreep onder leiding van Mathieu Kérékou. Hij voerde een marxistisch bewind en doopte het land om tot de Volksrepubliek Benin in 1975.

Eind jaren tachtig verliet Kérékou de marxistische ideologie na een economische crisis. Hij besloot opnieuw een democratie tot stand te brengen. In 1991 verloor hij de presidentsverkiezingen en werd zo de eerste Sub-Sahara-Afrikaanse president die ontslag nam na verkiezingen.[1] Hij werd opgevolgd door Nicéphore Soglo. Bij de presidentsverkiezingen in 1996 werd Soglo verslagen door Kérékou en deze keerde terug als president. Bij de presidentverkiezingen van 2006 stelde Kérékou zich niet verkiesbaar. Hij werd opgevolgd door Yayi Boni. Boni werd op 6 april 2016 zelf opgevolgd door Patrice Talon. In 2025 probeerde een groep militairen een coup te plegen in het land. Deze was niet succesvol.[2]

Zie de categorie History of Benin van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.