Valkhofburcht

De Valkhofburcht in de Nederlandse stad Nijmegen was een middeleeuwse burcht die was gelegen op de Valkhofheuvel aan de zuidoever van de Waal. Het was een groot complex met zware muren, een ringmuur, veel zalen en een zeer markante donjon. Het was eeuwenlang zowel een verdedigingswerk voor de hele stad als een adelijke residentie.

Wanneer er precies met de bouw van deze burcht is begonnen of wanneer deze helemaal was voltooid, is onduidelijk. Omstreeks 1155 moet de toen nieuw aangetreden Rooms-Duitse keizer Frederik Barbarossa opdracht hebben gegeven voor de (her)bouw, blijkens een overgeleverde gedenktekst uit dat jaar. De burcht was wellicht een jaar of tien later voltooid. Aanvankelijk had de burcht een belangrijke functie als keizerlijk en koninklijk verblijf, en werden er ook bestuurlijke kwesties geregeld; later verbleven er overwegend graven en hertogen. De Valkhofburcht maakte in eerste instantie feitelijk niet echt deel uit van de stad, en was voor gewone burgers in de regel zelfs niet toegankelijk.[1]

Aan het eind van de 18e eeuw (in de Franse tijd) is de burcht bijna helemaal afgebroken, op twee restanten na: de Sint-Nicolaaskapel en een deel van de Sint-Maartenskapel, nu bekend als de "Barbarossa-ruïne". Deze resterende bouwwerken hebben tegenwoordig de status van rijksmonumenten. Op de plek van de burcht is enkele jaren na de sloop, begin 19e eeuw, het huidige Valkhofpark aangelegd, een van de allereerste moderne parken. Bezoekers kunnen hier onder meer de twee hiervoor genoemde overgebleven kapellen bezichtigen.

Voorgeschiedenis

Plattegrond.[2] 1: Sint-Nicolaaskapel 2: Sint-Maartenskapel 3: Put 4: Poort 5: Hoofdtoren 6: Eerste binnenplein 7: Tweede binnenplein 8: Derde binnenplein

Omstreeks het begin van de jaartelling bevond zich op de plek van het huidige Valkhof een Romeins legerkamp (castrum). In de nabijheid daarvan lag, naar men aanneemt, in dezelfde tijd de Bataafse nederzetting Oppidum Batavorum (aan het begin van de 2e eeuw opgevolgd door Ulpia Noviomagus Batavorum, de stad die algemeen als Romeins Nijmegen wordt gezien). Omstreeks het jaar 70 vestigde Legio X Gemina zich aan het Valkhof. In de 3e eeuw verrees daar en waar nu Kelfkensbos is, weer een nieuw castellum (een Romeins fort).[3]

Ook na het definitieve vertrek van de Romeinen, begin 5e eeuw, lijkt de heuvel van strategisch belang te zijn gebleven. Karel de Grote liet hier, zo neemt men aan, omstreeks 770 een van zijn paltsen bouwen: de Valkhofpalts. Dit paleis moet hierna ruim twee eeuwen lang hebben gediend als keizerlijke residentie en bestuurscentrum, totdat het in 1047 definitief werd verwoest door Godfried II van Opper-Lotharingen. De burcht van Barbarossa werd ongeveer een eeuw later voltooid op vrijwel dezelfde plek.

De benamingen Valkhof en Valkhofburcht zijn, volgens de meest waarschijnlijke inzichten, van enkele eeuwen later dan de burcht zelf. Vermoedelijk dateren ze op z'n vroegst uit de 14e eeuw. Ze verwezen naar de valkerij die in deze tijd werd beoefend door degenen die op de burcht verbleven, vooral mensen van adel.[1][4] Echte optekeningen van deze namen door cartografen zijn pas bekend vanaf de 17e eeuw; in 1639 wordt de plek door Isaac van Geelkercken vermeld als Het Valckhoff, en tien jaar later door Joan Blaeu als Valckhof.[5]

Directe voorgeschiedenis, bouw en voltooiing

Gezicht op de Waal en de Valkhofburcht door Jan van Goyen, 1641 (collectie Valkhofmuseum)
De eerste binnenplaats, met in het midden de Reuzentoren grotendeels zichtbaar (gravure uit de 18e eeuw, gemaakt door Cornelis Pronk)
De tweede binnenplaats, inclusief de absis van de Sint-Maartenskapel, 1725

De zieke keizer Hendrik V moet in 1125 korte tijd Nijmegen hebben aangedaan, terwijl hij op doorreis was van Aken naar Utrecht.[6] Op 17 mei 1151 onderhandelde Barbarossa (die op dat moment nog hertog van Zwaben was) over het ambt van de bisschop van Utrecht. Als getuigen worden 17 bisschoppen, abten, graven en hoge heren genoemd. In de akte zelf staat dat ze is opgemaakt door Barbarossa's oom Koenraad III en uitgegeven in het palatio Noviomagi.[7][8]:43 Deze vermeldingen lijken dus belangrijke aanwijzingen dat er in Nijmegen op dat moment (weer) een accommodatie was om zo'n illuster gezelschap te ontvangen en rijkszaken te behandelen en af te wikkelen.[9] :96-99

Gedenktekst

In 1155 werd Barbarossa zelf de nieuwe keizer van het Heilige Roomse Rijk.[3] Uit dit jaar dateert de volgende Latijnse gedenktekst die hij in een marmeren reliëf liet beitelen:

Anno milleno, postquam salus est data seclo, Centeno juncto, quinquageno quoque quinto, Caesar in orbe situs Fredericus pacis amicus, Lapsum, confractum, vetus, in nihil ante redactum, Arte, nitore pari, reparavit opus Novimagi, Iulius in primo tamen extitit ejus origo, Impar pacifico reparatori Frederico.[10]

De Nederlandse vertaling hiervan luidt:

Duizend jaar nadat het Heil de wereld werd geschonken, plus nog 155 jaar, heeft Frederik, als keizer van zijn rijk, vriend van de vrede, het vervallen, ingestorte, oude, bijna in het niets verzonken bolwerk van Neomagus in gelijkwaardige schoonheid en luister herbouwd. Julius moge dan de schepper zijn, niet gelijkwaardig was hij met de vredebrengende herbouwer Frederik.

Deze tekst was tot in de 15e eeuw ingemetseld nabij de sacristie van de Stevenskerk. Het witte Carrara-marmer is afkomstig van een hergebruikte Romeinse zuil; dit laatste leidt men voornamelijk af uit de cannelures aan de achterkant. De tekst zelf is ook nog onderwerp van enige studie en controverse geweest.[noten 1][11][12]:51-63

Het laten plaatsen van dergelijke, voor die tijd nogal profane teksten was feitelijk de voortzetting van een Romeinse traditie, in dit geval door het geslacht Hohenstaufen waar Barbarossa zelf bij hoorde. Barbarossa wilde zichzelf mogelijk op gelijke voet met Caesar plaatsen, in dit geval door Caesars naam in de gedenktekst te noemen.[1] Het lijkt daarmee duidelijk dat Barbarossa hechtte aan translatio imperii[8]:46

Onbewezen en/of achterhaalde opvattingen over de oorsprong

Veronderstelde Romeinse oorsprong

De 15e-eeuwse kanunnik en geschiedschrijver Willem van Berchen verspreidde omstreeks 1465 de eclatante misvatting dat Julius Caesar de originele bouwer van de burcht was. Oorspronkelijk zou de Valkhofburcht dan een tempel zijn geweest voor vier gesneuvelde consuls. Godfried van Viterbo was een van de eersten die Caesar aanwees als de bouwer van de burcht.[12] Bij uitbreiding werd Caesar door Van Berchen zelfs aangewezen als de stichter van heel Nijmegen.[13]

Dit misverstand lijkt te zijn veroorzaakt door een combinatie van factoren. Ten eerste was er verwarring met het hiervoor genoemde Romeinse castellum, dat op vrijwel dezelfde plek moet hebben gelegen als waar later de burcht kwam, en dat ook van (door de Romeinen vanuit het zuiden aangevoerd) tufsteen gemaakt moet zijn geweest. Voor sommige delen van de burcht lijkt daadwerkelijk iets van het overgebleven Romeinse materiaal te zijn hergebruikt, zoals tras. In de middeleeuwen gebeurde het in Noordwest-Europa wel vaker dat de overblijfselen van dergelijke Romeinse castella werden hergebruikt als basis voor nieuwe forten.[8]:32 Daarnaast bevatte het entreeportaal van de Nicolaaskapel oorspronkelijk een grafsteen uit de Romeinse tijd, die bij een nabijgelegen groter Romeins grafmonument moet hebben gehoord en op een onbekend moment (wellicht al bij de bouw) in de kapel werd ingemetseld.[14] Aanvankelijk is deze grafsteen aangezien voor een gedenksteen die hier op initiatief van Caesar zelf zou zijn geplaatst. Dit maakte men onder meer op uit de afkorting HFC, die door Van Berchen abusievelijk werd aangezien voor Caesars eigen zegel.[12]:63-64[15] Ook met betrekking tot de Nicolaaskapel heerste zeker tot en met de 18e eeuw de algemene opvatting dat deze al uit de Romeinse tijd dateerde (dit werd nog eens benadrukt door andere Johannes in de Betouw, een nazaat van Johannes Smetius).[noten 2] Van Berchen meende ook dat Karel de Grote de van oorsprong heidense kapel moest hebben laten kerstenen.[8]:34

Veronderstelde stichting door de Bataven

Na de aanvankelijke misinterpretatie door Van Berchen wisten Gerardus Geldenhouwer en Johannes Smetius de inscriptie op de Romeinse grafsteen wel goed te ontcijferen. Ze bleven echter tegelijkertijd onvoorwaardelijk vasthouden aan het idee dat de Valkhofburcht al in de Romeinse tijd had bestaan. Op grond van die aanname trokken ze de conclusie dat de inheemse Bataven wel de echte stichters van de burcht moesten zijn. Geldenhouwer gaf in zijn Historia Batavica (1530) een heel eigen scheppingsverhaal over Nijmegen (overgenomen van Cornelius Aurelius): de Bataafse aanvoerder Bato zou een paleisachtige burcht die hij Noviomagum ("nieuw-Magus") noemde hebben laten bouwen op de restanten van een nog oudere burcht, die was gebouwd door een Gallische koning die Magum of Magus had geheten.[noten 3] Bato's zoon Hessus werd later koning van de Bataven, en hij liet woningen bouwen op de naar hemzelf vernoemde Hessenberg.[16]:54[17]

Smetius was minstens net zo enthousiast als Geldenhouwer over het idee van Nijmegen als een door de Bataven gestichte stad, al ging hij niet mee in de mythe over Bato en Hessus. Smetius meende anderzijds wel archeologisch bewijs te hebben ontdekt in de teruggevonden beelden en munten uit de Romeinse tijd, die volgens hem Germanen voorstelden. De burcht zou volgens Smetius zelfs de plek kunnen zijn geweest waar de Bataven het allereerst hadden gewoond, nog vóórdat ze zich op de Hessenberg vestigden. De burcht omschreef hij in een passage van Oppidum Batavorum, seu Noviomagum als "een allereerbiedwaardigst gedenteken van de vroegste geschiedenis van heel dit gebied", en hij probeerde zijn theorie omtrent de hoge ouderdom van de burcht verder te onderbouwen aan de hand van voorwerpen uit zijn persoonlijke collectie.[16]:87 Een in 1622 niet ver van de burcht gevonden aardewerken beker met munten die vooral leken te dateren uit de tijd van keizer Tiberius, werd door Smetius uitgelegd als extra bewijs dat de Valkhofburcht al enige tijd had bestaan ten tijde van de Bataafse Opstand. Hij beredeneerde dat als de burcht pas láter zou zijn gebouwd, de munten ongetwijfeld al gevonden hadden moeten zijn tijdens de bouw van de burcht. Zijn eindconclusie was dat iemand in de Romeinse tijd de op dat moment al bestaande burchtwal als verstopplek voor de munten had gebruikt.[noten 4][16]:78-82

Vooral op grond hiervan is men sinds Smetius' tijd een zeer sterke band gaan leggen tussen enerzijds de oorsprong en hele geschiedenis van Nijmegen inclusief de Valkhofburcht en anderzijds de Bataven. In de raadszaal van het stadhuis hing vanaf 1665 een grote wanddecoratie van de hand van Nicolaes de Helt Stockade, waarop de Valkhofburcht en de Engelenburcht naast elkaar zijn uitgebeeld. Het stelt de verzoening tussen de Bataven en de Romeinen na afloop van de Bataafse Opstand voor.[8]:35-37

Veronderstelde relatie met de Karolingische palts

Eeuwenlang hebben de meeste historici als vanzelfsprekend aangenomen dat de Valkhofburcht – inclusief de overgebleven Nicolaaskapel – in de basis Karolingisch was; tot en met de 19e eeuw was dit nooit onderwerp van serieuze twijfel. De in 1155 gereedgekomen burcht van Barbarossa zou in feite een (gedeeltelijke) herbouwing zijn geweest van de in de eeuw daarvoor beschadigde 8e-eeuwse palts.[18][19] Vanaf de 15e eeuw tot en met de 20e eeuw is in kronieken deze opvatting steeds opnieuw overgenomen, en nog steeds komt het idee geregeld terug bij beschrijvingen van de geschiedenis van Nijmegen. Vooral in de 17e eeuw was het idee gangbaar dat Karel de Grote als eerste een Romeinse vesting had gerestaureerd en tot zijn 8e-eeuwse palts had gemaakt, waarna Barbarossa bijna vier eeuwen later het bouwwerk nog eens zou hebben gerestaureerd en omgevormd tot de burcht.[16]:78

Van een volledige continuïteit met de eerdere palts van Karel de Grote wordt al bijna onmiddellijk na het gereedkomen van de 12e-eeuwse burcht melding gemaakt. In de door Barbarossa's oom Otto van Freising in 1157/58 begonnen kroniek over het leven van zijn neef, Gesta Friderici Imperatoris, wordt dit rechtstreekse verband al gelegd. Hierin beschrijft Rahewin, die het werk na de dood van Otto voltooide, het bouwwerk van diens neef zeer lovend:

[...] De zeer fraaie paleizen, eens door Karel de Grote in prachtige vorm opgebouwd als koninklijke residenties, bij Nijmegen en bij de villa Ingelheim [..] herstelde hij op passende wijze, en toonde hierbij zijn aangeboren grootsheid van geest.[12][8]:42

Ook in bijvoorbeeld het Magnum Chronicon Belgicum (onderdeel van de 15e-eeuwse Florarium temporum van Nicolaas Clopper jr.) wordt uitgegaan van een rechtstreekse continuïteit met de eerdere Karolingische palts.[14] Het bekende schilderij van de 17e-eeuwse schilder Jan van Goyen waarop vanaf de Waal tegen de burcht wordt aangekeken, heeft als titel "Gezicht op de Keizer Karelburcht vanaf de Waal".[20]:107[noten 5] In ditzelfde verband is tot en met de 20e eeuw als vanzelfsprekend aangenomen dat de Nicolaaskapel enerzijds niet uit de oudheid dateerde, noch een Romeinse tempel was (zoals Van Berchen had gesteld[21]), maar wèl Karolingisch, en waarschijnlijk in eerste instantie onderdeel was geweest van de 8e-eeuwse palts.

Het concrete archeologische bewijs dat tot op heden is gevonden voor een 8e-eeuwse, Karolingische oorsprong van de burcht en volledige continuïteit met de vroegere palts, is evenwel erg schaars. Het beperkt zich in feite tot drie marmeren kapitelen, die zijn aangetroffen in de apsis van de overgebleven Barbarossa-ruïne waar ze de eveneens marmeren zuilen bekroonden. Deze kapitelen lijken eerder bij de Karolingische palts te hebben gehoord.[8]:39-41 Een ervan is tegenwoordig te zien in het Valkhof Museum, en wordt gedateerd in de periode 775-800.[22] In Barbarossa's hiervoor besproken gedenktekst wordt anderzijds de naam van Karel de Grote nergens genoemd, alleen die van Julius Caesar.[noten 6]

Vooral sinds eind 19e eeuw zijn er dan ook gaandeweg steeds meer twijfels gerezen over de 8e-eeuwse oorsprong van in ieder geval de Sint-Nicolaaskapel.[23] Het idee dat deze kapel mogelijk uit de Karolingische tijd dateerde, werd pas in 2007 middels nieuw onderzoek min of meer definitief uitgesloten.[24] In het verlengde daarvan geldt die twijfel voor de Valkhofburcht als geheel. Een alternatieve opgevoerde verklaring is dan ook dat de burcht van Barbarossa de beschadigde (en kennelijk afgebroken) palts van Karel de Grote verving, terwijl de burcht in de basis niet Karolingisch was.[25] In dat scenario lijkt het tevens waarschijnlijk dat de iets oudere Nicolaaskapel in de rest van de burcht werd geïntegreerd.[26] De Nicolaaskapel zou daarbij aanvankelijk nog even deel hebben uitgemaakt van de al oudere palts. Deze kapel zou de verwoesting door Godfried II van Lotharingen in 1047 zonder al te veel schade hebben doorstaan, om een eeuw later te worden geïntegreerd in de nieuw gebouwde burcht.[27]

Architectuur en overblijfselen

De burcht was een omvangrijk complex van torens en vleugels. Gezichtsbepalend was vooral de grote donjon of "Reuzentoren" ("De Donjon"), die met een hoogte van 37 tot 46 meter tot ver in de omtrek zichtbaar was. Deze Reuzentoren zou eeuwenlang toonaangevend blijven voor het aanzicht van de stad als geheel. De Reuzentoren werd waarschijnlijk niet voor militaire doeleinden gebruikt, maar moest vooral zorgen voor veel keizerlijke uitstraling.[8]:43

Verder waren er de Grote Zaal (aula imperialis) en diverse bijgebouwen. Veel vertrekken, waaronder ook de Grote Zaal, waren voorzien van spitsboogvensters en trapgevels in gotische stijl. Het complex omvatte twee grote woonvleugels, die haaks op elkaar stonden. Er was een poortgebouw en over de droge gracht liep een brug. Het terrein zelf was omgeven door stevige muren. Het volledige gebouw werd omsloten door een ringmuur met bogen, acht verdedigingstorens en een hoge poort. Het is onduidelijk of ook deze muur eveneens (gedeeltelijk) het werk van Barbarossa zelf is geweest, of pas later werd toegevoegd; een deel van de muur dateerde duidelijk pas uit de late middeleeuwen.[8] :43-44[28][29][30]

Aan de uiteinden van de Waalkade stonden nog twee grote torens: de St. Hubertus- of Rode Toren aan de westzijde en de in 1463 gebouwde Melaten- of Lappentoren aan de oostzijde. Deze laatste toren is in 1784 ingestort, toen de Waal buiten haar oevers trad.[31]

Overgebleven Sint-Nicolaaskapel en Sint-Maartenskapel

De Sint-Nicolaaskapel is als enige bouwwerk aan het Valkhof min of meer geheel gespaard gebleven bij de sloop in 1796-1797. Er bestaat geen volledige zekerheid in hoeverre deze kapel nu echt onderdeel was van de eigenlijke burcht, temeer daar de kapel als zodanig volgens de huidige inzichten ongeveer een eeuw ouder is. Nieuw archeologisch onderzoek uit 2007 leidde tot de conclusie dat het tijdvak 1030-1040 de meest waarschijnlijke bouwperiode is voor de (in latere eeuwen nog flink verbouwde) Nicolaaskapel.[24] Desondanks wordt de Nicolaaskapel meestal simpelweg als een onderdeel van de burcht gezien.

De ruïne van de Sint-Maartenskapel (Barbarossa-ruïne) dateert volgens de huidige inzichten van ongeveer een eeuw later dan de Sint-Nicolaaskapel.

Tijdlijn van de burcht (12e-18e eeuw)

12e-13e eeuw

Omstreeks 1166 moet de (her)bouw van de Valkhofburcht in ieder geval afgerond zijn geweest.[8]:43 Gedurende de eerste tijd daarna vestigden er zich steeds meer bewoners ten westen van de burcht. De burcht zou in de daaropvolgende eeuwen geregeld een belangrijke rol spelen bij zowel de verdediging van de stad als het besturen ervan.

Zelf schijnt Barbarossa de burcht tussen 1157 en 1174 zeker viermaal te hebben bezocht. Hij was er onder meer bij de geboorte van zijn zoon, de latere keizer Hendrik VI,[32] in oktober of november 1165.[noten 7] De burcht was toen mogelijk net voltooid, of voor een deel nog steeds in aanbouw.[33]:11[34] In 1189, kort voor zijn overlijden, schreef Barbarossa nog een brief aan zijn zoon Hendrik, waarin hij hem aanspoorde om vooral goed voor de paleizen in Nijmegen en Düsseldorf-Kaiserswerth te blijven zorgen.[35]:22

Verpanding van burcht en stad (1247) en eerste tijd hierna

Op 31 augustus 1230 was Nijmegen, dat toen bij het Heilige Roomse Rijk hoorde, onder de Rooms-koning Hendrik VII een rijksstad geworden.[36] Deze situatie heeft echter nog geen 20 jaar geduurd. In 1247 verpandde Willem II van Holland de stad, inclusief de naastgelegen bossen en akkers (het Rijk van Nijmegen) en ook de burcht, aan zijn neef graaf Otto II van Gelre. Als tegenprestatie verleende Otto II financiële steun aan Willem II bij diens vernieuwde koningschap. Zodoende vielen Nijmegen en de directe omgeving daarvan voortaan onder het graafschap Gelre (het latere hertogdom). De overname van de burcht door Otto II schijnt met enig geweld gepaard te zijn gegaan en ook de overige stadsbewoners verzetten zich; zij verkozen kennelijk het gezag van de Duitse keizer boven dat van de graaf van Gelre. Willem II had intussen vanwege de belegering van Aken nog meer geld nodig en hij verhoogde de pandsom daarom van 10.000 naar 16.000 mark. De burcht moet vóór 13 december van dat jaar door Otto II zijn ingenomen.

In 1249 liet Otto II een nieuwe vestinggracht graven, op de plek van de latere Voerweg en Lindenberg. De holle weg die later bekend zou worden als de straat Lindenberg was in deze tijd een droge gracht. Deze weg had een beschermende functie en vormde de begrenzing tussen het burchtterrein en de rest van de stad.[37] Otto II zou tevens toestemming hebben gegeven om de 7e-eeuwse Gertrudiskerk, die inmiddels buiten de nieuwe stadsomwalling stond, af te breken. Dit lijkt vooral te zijn gedaan uit strategische overwegingen; de ligging van de oude kerk zou nu te veel risico hebben opgeleverd voor de kerkgangers. Daarnaast was er aan het Valkhof extra ruimte nodig voor het verder uitbouwen en versterken van de burcht.[38][35]:27-28

Nijmegen behield na de verpanding voorlopig nog bepaalde rechten van een rijksstad. De burcht bleef in eerste instantie vooral een belangrijke adellijke residentie.[39] Willem II was er nog meerdere malen zelf te gast, bijvoorbeeld tijdens de kerstdagen van 1248. Hij was er opnieuw in 1254, toen hij de Hundisberg schonk aan het kapittel van de Keulse Apostelenkerk, zodat de nieuwe Sint-Stevenskerk hier kon worden gebouwd.[35]:27-28 In ongeveer dezelfde tijd breidden de graven van Gelre de versterking van de Valkhofburcht verder uit.

14e eeuw

De oudste vermelding van onderhoudswerkzaamheden aan de burcht dateert uit 1346-1347, toen Eleonora van Engeland een bezoek aan de stad bracht, waarbij onder meer haar verblijf werd verbouwd en vernieuwd. Ook de trap naar de Grote Zaal werd vernieuwd. In de periode 1380-1390 vonden er intensievere bouwwerkzaamheden plaats, onder leiding van onder meer Johan Vijgh, Hendrik van Steenbergen en Hendrik Herwen. De burcht moet in deze tijd aanzienlijk groter zijn gemaakt.[35]:33-34

15e eeuw

Zicht op het stadscentrum van oost naar west met op de voorgrond de burcht, rechts ook de Stevenskerk. (Schilderij uit 1670 van Lieve Verschuier.)
De burcht inclusief (links) de Belvédère (aquarel uit 1743)

Behalve valken (waar het Valkhof en de burcht naar zijn vernoemd) moeten er in de stallen bij de burcht ook andere dieren zijn gehouden. Op de plek van de latere Hoogstraat en de Sociëteit Burgerlust bevonden zich tot en met de 15e eeuw de grafelijke stallen, waar leeuwen verbleven. In 1405 was er nog een kameel (volgens een aantekening hierover van Herman Diederik Joan van Schevichaven).[20] :45

Om de transportverbinding tussen de Waalkade en de binnenstad te verbeteren, werd aan het begin van de 15e eeuw de Voerweg gegraven. Met het oog op de aanleg van deze weg moet de burcht in deze tijd iets zijn aangepast en verkleind.[40]

Onder het slechte bestuur van Arnold van Egmont raakte het hertogdom aan het begin van de 15e eeuw in grote financiële problemen.[noten 8] Ook de Valkhofburcht werd in deze tijd verwaarloosd en raakte in verval. De enige belangrijke opknapbeurt onder Arnold was dat 1435 de gevangenistoren werd hersteld, mogelijk uit vrees dat de gevangenen anders zouden uitbreken.[35]:36 Arnolds echtgenote Katharina van Kleef liet in de periode 1457-1459 de burcht en andere delen van de stad weer herstellen.[41] Omstreeks 1460 vond er een laatste grote verbouwing aan de burcht plaats, die zeven jaar later was voltooid. De burcht kwam daarbij binnen de stadsmuren te liggen. In deze tijd moet hij ook zijn definitieve uiterlijk hebben gekregen, zoals dat bekend is van allerlei latere afbeeldingen.[29]

Catharina van Bourbon overleed in 1469 aan het Valkhof.

Tijdens het beleg van de stad in 1473 verbleven Filippa en de latere hertog Karel van Gelre (Karel van Egmond) in de burcht. In 1477 of 1478 werden de broers Frederik en Willem van Egmont in de burcht gevangengezet. Keizer Maximiliaan I bevrijdde hen hier enkele jaren later weer.

16e eeuw

In maart 1519 bracht Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg drie dagen door in de burcht, als onderdeel van een rondreis om het hertogdom te leren kennen. Ze bevestigde hier de stedelijke privileges.[41]

Vanaf 1520 en vooral vanaf 1530 liet de hiervoor genoemde Karel van Gelre de burcht verder versterken, hij begon met een van de burchttorens. Dit versterken gebeurde zeer tegen de zin van de gewone stedelingen, die de bouwmaterialen zelf en bovendien op hun eigen kosten moesten aanvoeren vanaf de Waaloever. Uiteindelijk kwamen de Nijmegenaren in opstand tegen hun hertog, en de burcht werd zeker driemaal bestormd. Na de derde bestorming (die omstreeks 1537 moet zijn geweest) ging Karel van Gelre overstag en hij liet de aangebrachte versterkingen weer weghalen.[33]:14 Deze werkzaamheden waarbij de burcht weer in een eerdere staat terugkwam gebeurden (onder toezicht van burgemeester Ponitaan Gruenwalt) in de periode 1538-1543; hierbij werd onder meer een rondeel gesloopt dat vermoedelijk buiten de hoofdpoort stond. Ook verdween een deel van de aarden wallen en muren op het binnenplein en werd de houten toegangsbrug weggehaald. Waarschijnlijk is toen ook de droge gracht die de burcht verbond met de eigenlijke stad, met grond gevuld. Veel Nijmegenaren hadden inmiddels een hekel aan de burcht, daarom hebben zij er in deze tijd waarschijnlijk nog veel meer materialen weggehaald en afgevoerd naar bestemmingen elders (zoals een stuk wapensteen dat naar de Windmolenpoort ging, evenals veel mergelsteen en blauwe hardsteen).[35]:38-39

In deze tijd is de burcht verder nog bezocht door in ieder geval Willem van Gulik, keizer Karel V (1546) en koning Filips II (1549).[28]

Vanaf ca. 1556 vond er grondig onderhoud plaats. Onder meer het gehele dak van de keuken aan de oostzijde van de zaalbouw werd vervangen. Ook het keldergewelf werd vernieuwd, vanwege dreigende grondverschuivingen aan de noordkant van de burcht. In 1564 is ook de overgebleven Nicolaaskapel onderhouden.[35]:40

Tachtigjarige Oorlog

De oudste nog bekende afbeelding van de Valkhofburcht dateert uit 1570.[8]:43 In datzelfde jaar, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, verbleef Anna van Oostenrijk een paar dagen op de burcht, terwijl ze op doorreis was van Wenen naar Madrid. De hertog van Alva verbleef in dezelfde tijd in Nijmegen, en werd er door haar ontvangen. Alva was er nog eens van november 1572 tot juli 1573. Hij nam de burcht toen tijdelijk in en verrichtte wat kleine verbouwingen, vooral om te voorkomen dat de geuzen de burcht zouden kunnen innemen. Na het vertrek van Alva en diens mannen was er opnieuw veel herstel aan de burcht nodig.[42][20] :37[35]:43

In 1572 probeerde Filips IV (koning Filips II van Spanje) om van de burcht een dwangburcht te maken, wat mislukte.[43] Nadat Filips II in 1581 was afgezet door de Staten-Generaal, werden de Gelderse Staten de nieuwe eigenaars van de burcht.

In 1577 vergaderde het kwartier van Gelre in de burcht over het van Spanje loskomen van de Spaanse Nederlanden. Jan van Nassau werd bij deze gelegenheid aangesteld als de nieuwe Gelderse stadhouder. In 1578 werd hij op de burcht ingehuldigd. Hij verbood de uitoefening van het katholieke geloof.[8]:41-42/48-49 Bij het beleg van 1585 viel Nijmegen in Spaanse handen. Spaanse soldaten namen hierna hun intrek in de burcht en richtten er vernielingen aan. Nadat de Staatsen de stad weer hadden terugveroverd, vonden er onder Cornelis van der Wardt (enkel ambachtelijke) herstelwerkzaamheden aan de burcht plaats.

Vanaf deze tijd ging de eenheid binnen de burcht als geheel steeds meer verloren. Uiteindelijk werd het complex opgedeeld in drie woningen die voor de ambtenaren van het Rijk van Nijmegen waren. De burggraaf verbleef in het oostelijke deel. Het gedeelte tussen de Reuzentoren en de Nicolaaskapel heette ook wel de voorburcht, "huis Holland" of "Conciergerie"; waarschijnlijk was dit het woongedeelte van de kastelein (die in rang net onder de burggraaf stond).[35]:42-43

17e eeuw

Vooral vanaf de 17e eeuw verloor de burcht duidelijk steeds meer aan belang en betekenis als bestuurlijk centrum, en er verbleven almaar minder hoogwaardigheidsbekleders. In 1614 gaf prins Maurits van Oranje nog opdracht om de burcht te laten renoveren toen hij van plan was er met zijn gezin een tijdlang te verblijven, maar dit alles is nooit doorgegaan.[35]:43 De banden van Nijmegen met het Duitse Rijk werden uiteindelijk helemaal verbroken met de Vrede van Münster (1648), daarmee had de burcht ook in dat opzicht geen echte betekenis meer.[44][45]

18e eeuw

Verblijf van stadhouder Willem V (1786-1787)

De laatste hooggeplaatste functionaris die nog op de Valkhofburcht verbleef, was stadhouder Willem V in de periode 1786-1787. Nog in 1769 waren er op de tweede verdieping nieuwe vertrekken voor de prins-stadhouder aangebouwd. Deze betrok ze echter onder geheel andere omstandigheden dan voorzien. Door de burgertwisten eind 18e eeuw tussen prinsgezinden en patriotten achtte Willem V het in 1786 raadzaam enige tijd buiten Den Haag te verblijven. Na eerst Leeuwarden en Het Loo te hebben aangedaan koos hij voor Nijmegen, waar de burggraaf het stadhouderlijk huis welgezind was. In het najaar van 1786 vestigde hij zijn stadhouderlijk hof op het Valkhof, samen met zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen en zijn kinderen (onder wie de latere koning Willem I).[46] Van daaruit zou hij in geval van nood snel kunnen vertrekken naar Pruisen.

Wilhelmina van Pruisen reisde in juni 1787 in haar eentje vanuit Nijmegen weer naar Den Haag met het verzoek om terug te mogen keren, maar zij werd door patriotten aangehouden bij Goejanverwellesluis. Zij schreef haar broer, koning Frederik Willem II van Pruisen, over de vernedering die haar ten deel was gevallen. Daarop besloot de Pruisische koning om militair in te grijpen en op 11 september viel hij via Nijmegen de Republiek binnen. Op diezelfde dag kwam een groot Pruisisch leger onder leiding van de hertog van Brunswijk op de burcht aan. De volgende dag trok dit leger met de in Ooij, Persingen en Nijmegen gelegerde troepen verder op naar Holland. Het doel van deze hele militaire operatie was om de rest van de Republiek te heroveren op de patriotten en de Oranjerestauratie door te voeren. Duizenden patriotten vluchtten hierna naar Frankrijk, waar twee jaar later de Franse Revolutie uitbrak.

Verwoesting (1794) en sloop (1796-1797)

Tijdens het beleg van Nijmegen in oktober-november 1794 – waarbij Nijmegen uiteindelijk door de Fransen werd ingenomen – moet de burcht zijn beschadigd, vooral door het bombardement van 6-7 november. De precieze omvang van de schade is onduidelijk.[47]

Na alles tegen elkaar te hebben afgewogen, besloot de Landdag in augustus 1795 om een voorstel om het gebouwencomplex volledig te slopen, in te willigen. Tijdens een vergadering van het Kwartier van Nijmegen op 6 augustus 1795 kwamen de eerste plannen hiervoor ter sprake. De gemeenten Arnhem, Tiel en Zaltbommel waren unaniem voorstander van sloop. Ook het kwartier van Zutphen stemde in. Alleen vanuit Nijmegen zelf en het Rijk van Nijmegen was men fel tegen de voorgenomen afbraak van de burcht.[8]:106 Afgevaardigden namens Nijmegen poogden nog voor te stellen om ten minste de Reuzentoren, de Hofpoort en de ringmuren te behouden, omdat hieraan geen kosten besteed hoefden te worden. Ook vanuit de Nijmeegse bevolking kwamen veel bezwaren tegen de sloop, maar vergeefs. In de Betouw wist na veel inpraten op het Gelderse bestuur uiteindelijk toch nog te regelen dat de Sint-Nicolaaskapel of Valkhofkapel (in deze tijd ook bekend als de "Karolingische kapel") en Maartenskapel gespaard bleven, door nog eens te wijzen op de – nadien volledig weerlegde –Romeinse en Bataafse herkomst van deze bouwwerken. Vooral de vermeende Bataafse oorsprong overtuigde veel mensen om het behoud van de twee kapellen te steunen, omdat "Bataven" in deze tijd als een geuzennaam gold onder de Nederlandse bevolking. In de Betouw wilde daarnaast heel graag ook de Donjon nog voor de sloop behoeden, maar hij moest hier uiteindelijk van afzien.[8]:128-131

Dat het afbreken van de burcht zo breed werd gesteund had meerdere redenen. Ten eerste zou restauratie erg veel geld hebben gekost (juist in een tijd dat het slecht ging met de Nederlandse economie, vooral door de oorlog met Frankrijk). De burcht als zodanig vormde daarnaast voor veel Nijmegenaren een herinnering aan wat inmiddels het ancien régime was: de verafschuwde prins-stadhouder in combinatie met de eeuwenoude vorstelijke grootheid in de nieuwe democratische tijd. Om die reden werd de Valkhofburcht als "tirannenburcht" vergeleken met de enkele jaren eerder eveneens afgebroken Bastille Saint-Antoine in Parijs (vooral bekend van de bestorming op 14 juli 1789, waarmee de Franse Revolutie werd ingeluid).[8]:114-118 Waarschijnlijk hebben daarnaast ook de handelgerelateerde motieven in combinatie met een zekere afgunst die veel andere Nederlandse, en vooral Gelderse steden hadden jegens Nijmegen (waar nog altijd een zeker aura omheen hing vanwege het feit dat het ooit vrije rijksstad was geweest, inclusief een eigen stadswapen) en diens burcht veel gewicht in de schaal gelegd.[48]

De burcht werd een half jaar later, op 9 februari 1796, geveild voor een bedrag van f 90.400,-. Op 21 februari kocht de gemeente Nijmegen het terrein van de Valkhofburcht van de provincie, samen met de twee geredde kapellen. De stad kreeg hierdoor een schuld van 10.00 gulden bij de Rekenkamer. Half maart werd het sloopcontract getekend, ter waarde van 80.400 gulden. Op 30 mei werd de verkoop goedgekeurd aan de stad Nijmegen van de twee kapellen en het terrein dat braak zou komen te liggen, en hierdoor een nieuwe, door de stad bepaalde bestemming kon krijgen.[35]:50-51 In de anderhalf jaar hierna werd de burcht, op de twee kapellen na, volledig gesloopt. Dit moest in de eerste plaats geld opbrengen om de door de Franse bezetters opgelegde belasting te kunnen betalen. Daarnaast leende de kostbare gemalen tufsteen (tras) waaruit een groot deel van de burcht bestond, zich zeer goed om nieuw cement van te maken. Handelaren konden dit zodoende hergebruiken voor de nieuwbouw in de opkomende grote steden in vooral Holland. De gewonnen tras is bijvoorbeeld gebruikt voor het ophogen van de straten in Dordrecht en Haarlem.[47] De burcht werd stukje bij beetje met buskruit opgeblazen. Er waren voortdurend 100 tot 150 slopers aan het werk om de enorme klus te klaren. De gewonnen tufsteen werd in pakschuiten over de Waal naar de bestemmingen elders gebracht. In totaal werd aldus 50.000 ton tufsteen omgewerkt tot nieuw cement.[8]:137-140 In een raadsbesluit van 24 augustus 1796 wordt ook nog de "Hertogskapel" genoemd, die tegelijk met het terrein werd aangekocht. Op 7 september werd deze Hertogskapel voor 2000 gulden weer verkocht aan een koper in Haarlem, maar de kapel is alsnog samen met de rest gesloopt.[9]:104. In september 1797 was de sloop ten slotte helemaal voltooid.[20] :41 Alleen de Nicolaaskapel bleef staan, evenals de apsis van de Sint-Maartenskapel, die nu bekend is als de "Barbarossa-ruïne"; vanwege het instortingsgevaar bleek het niet mogelijk om ook de Sint-Maartenskapel volledig te behouden.

Omdat men bij de sloopwerkzaamheden verzuimde om een grondplan van het gebouwencomplex te maken, kan het uiterlijk van de burcht sindsdien alleen op basis van bewaard gebleven aantekeningen en de afbeeldingen (m.n. schilderijen uit de betreffende tijd) worden gereconstrueerd. Aangezien dus vrijwel al het bouwmateriaal na de sloop werd afgevoerd, valt ook over de precieze tijd waarin de burcht oorspronkelijk werd gebouwd en voltooid weinig tot niets met zekerheid te zeggen; als belangrijkste aanwijzingen hiervoor gelden de gedenktekst van Barbarossa en de kronieken. Andere zaken zijn hierdoor eveneens altijd onduidelijk gebleven, zoals in hoeverre de burcht nog uit hergebruikte materialen uit de Romeinse en/of Karolingische tijd bestond.

Na de sloop

Na de sloop werd het vrijgekomen terrein opgehoogd, waardoor de resterende archeologische bodemschatten sindsdien goed bewaard zijn gebleven. Het terrein zelf werd tot een wandelplaats omgevormd.[49]

Op de vrijgekomen heuvel werd begin 19e eeuw een van de eerste stadsparken van Nederland aangelegd, het huidige Valkhofpark. Het eerste ontwerp hiervoor was van Johan David Zocher Sr.

Plannen voor herbouw donjon (vanaf 2005)

Schaalmodel in Museum Het Valkhof

Ter gelegenheid van 'tweeduizend jaar Nijmegen' werd in 2005 een replica van de reuzentoren van de burcht opgebouwd uit steigerbuizen en -doeken: de Donjon. Er kwamen veel bezoekers op af, in eerste instantie voor het uitzicht vanaf dit strategische punt.

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 sprak de bevolking van Nijmegen zich via een adviserend referendum uit voor de herbouw van deze donjon. Dit was omstreden, getuige een brief van de betrokken staatssecretaris Medy van der Laan aan het gemeentebestuur, waarin zij stelde dat herbouw "strijdig is met de cultuurhistorische betekenis van het park". Onder verwijzing naar keizer Karel, Barbarossa en Zocher noemde zij de plek "het monument bij uitstek waar de biografie van het landschap in optima te beleven valt". Bovendien was er volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg over het uiterlijk van de donjon in de 12e eeuw niets bekend. De 17e- en 18e-eeuwse schilderijen geven alleen een indruk van de uitgebreide vesting van de graven van Gelre. Burgemeester Thom de Graaf steunde het herbouwplan, maar de verantwoordelijk minister Van der Hoeven van Cultuur nam de bezwaren over en stelde strenge eisen bij de uitwerking van de ideeën. Na bezwaren van GroenLinks en Gewoon Nijmegen stemde de gemeenteraad op 11 juni 2015 toch in met het bestemmingsplan, hoewel de stichting te kampen had met twijfelende investeerders.

Op 5 december 2018 werd uiteindelijk bekend dat de donjon definitief niet herbouwd zou worden. De archeologische kosten, uitblijven van de omgevingsvergunning en onzekere exploitatie alsmede groeiend verzet werden als redenen gegeven.[50]

Varia

  • De Burchtstraat dankt haar huidige naam aan de Valkhofburcht, maar dateert van zichzelf al uit de Romeinse tijd. De straat wordt in 1639 door Isaac van Geelkercken vermeld als Borchstraet.[51]
  • Ook in literatuur duikt de Valkhofburcht af en toe op; zo is de burcht het decor van de middeleeuwse sage van de Zwaanridder.[52] Dit verhaal kent echter nog andere overgeleverde versies, waarin het op uiteenlopende historische plekken wordt gesitueerd (zoals Kleef of Antwerpen).
  • Een overgeleverde anekdote wil dat toen graaf Reinoud II van Gelre en diens echtgenote Eleonora (de zus van koning Eduard III van Engeland) eens op een feest aan het Valkhof waren, Eleonora aan de overige aanwezigen haar ontblote bovenlichaam liet zien. Zij deed dit om de door haar man verspreide geruchten dat ze melaats zou zijn, publiekelijk te ontkrachten. De twee waren in de tijd daarvoor – vanwege een slecht lopend huwelijk – niet veel meer in elkaars nabijheid te zien geweest.[28]
  • Evert Schonck, rector van de Nijmeegse Latijnse School en dichter, was zeer verdrietig en kwaad over de sloop van de burcht. Hij schreef hierover onder meer in de Lotgevallen van Nijmeegens burgt, gezegd het Valkhof.[20] :38 Ook schreef hij acht jaar na de sloop een rouwdicht van honderd verzen over de verdwenen burcht. Hij droeg dit gedicht op aan In de Betouw, met wie hij bevriend was en die evenzeer treurde over het verlies van de burcht.[53]
  • Niet ver van waar de Valkhofburcht had gestaan liet de magnaat Franciscus Johannes Hallo in 1859 Bat-Ouwe-Zate bouwen. Dit kasteelachtige complex lag aan de straat Lindenberg en de Strikstraat en moest wellicht een imitatie van, of parodie op de verdwenen burcht voorstellen. In 1954-1955 is het weer afgebroken.[54]

Zie ook

Zie de categorie Castle Valkhof (destroyed), Nijmegen van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.