Bataven

De Bataven (ook wel Batavi of Batavieren) waren in de oudheid een vermoedelijk West-Germaanse stam. Algemeen wordt aangenomen dat ze zich in de 1e eeuw v.Chr. hebben afgesplitst van een andere Germaanse stam, de Chatten, waarna ze de Rijn in westelijke richting afdaalden tot aan de rivierdelta, voorbij de huidige Nederlandse rijksgrens.

Vermeldingen in de oudheid

In de Romeinse tijd maakten onder meer Julius Caesar, Tacitus en Suetonius melding van de Bataven. Caesar noemt deze stam in ieder geval terloops in zijn Commentarii de bello Gallico.[1] Hij heeft het in de betreffende passage over het insula Batavorum, het "eiland der Bataven". In dezelfde tijd heeft de Griekse historicus Strabo het ook over de Bataven.[2]

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vermeldt in diens Historiae de (vermoedelijke) Bataafse hoofdstad als Oppidum Batavorum (Latijn: "stad van/voor de Bataven). Tacitus geeft van zijn kant een wat uitvoeriger beschrijving van de Bataven dan Caesar eerder deed. Zo betitelt hij de Bataven als de "moedigste van de stammen in het gebied".[3] Hij vermeldt hier ook bij dat de streek vóór de komst van de Bataven nog onbewoond was; deze informatie wordt niet door iedereen betrouwbaar geacht, aangezien het op gespannen voet staat met het gegeven dat er al eerder o.a. Kelten woonden.

De Romeinse schrijver Cassius Dio vermeldt dat de leden van een cohort bereden hulptroepen Batavi genoemd werden, wat volgens hem zowel een verwijzing naar het insula Batavorum als naar de reputatie van de Bataven als zeer bekwame ruiters was.[4] Dit laatste zou aan kunnen sluiten bij de door Much en Heidermanns voorgestelde etymologieën.

De Griekse schrijver Claudius Ptolemaeus, die een tijdgenoot was van Tacitus, benoemt daarnaast een stad/vestingplaats als Batavodurum; de meeste historici nemen aan dat hij daarmee dezelfde plaats bedoelt als Tacitus. De plaatsnaam Lugdunum Batavorum wordt ook nog genoemd door Ptolemaeus, maar naar welke plaats hij hiermee nu eigenlijk verwees is tot op heden onduidelijk.[5]:69

De Bataven worden enkele eeuwen later nog eens genoemd door de Romeinse geschiedschrijver Orosius (385-420). In het begin van de 5e eeuw n.Chr. worden de legereenheden van de Bataven weer genoemd, nu in de Notitia Dignitatum.

Geschiedenis

Verschillende volkeren rond 150 na Chr. geprojecteerd op een moderne kaart.
Grafsteen van Indus, een van de Bataafse lijfwachten van Nero
De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis van Rembrandt van Rijn, 1661-1662

Oorsprong

De Bataven zouden oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de Chatten (ook wel Hessen genoemd), een stam wiens precieze woongebied onbekend is; vermoed wordt dat het ongeveer overeenkwam met het noorden van de huidige Duitse deelstaat Hessen.[6]:14 De Bataven lijken zich, na een intern conflict, ergens in de 1e eeuw v.Chr. van deze stam te hebben afgesplitst.[7]

Mogelijke woongebieden

Vervolgens vestigde een Germaanse elite zich vermoedelijk in de Rijndelta, oostelijk van de Cananefaten, nog een andere Germaanse stam. Op de betreffende plek lijkt toen ook al langer een Keltische stam te hebben gewoond, de Menapii. Ook woonden hier vermoedelijk al langer Eburonen; de mogelijkheid is wel geopperd dat de (gedeeltelijke) uitroeiing van deze laatste stam door Caesars troepen tot gevolg had dat er voor de Bataven nieuw woongebied vrijkwam.[6]:14 De Bataven moeten zich in ieder geval nog vóór de komst van de Romeinse veldheer Drusus (12 v.Chr.) in deze nieuwe streek hebben gevestigd.[8]:19

De locatie van het door Tacitus genoemde Oppidum Batavorum wordt over het algemeen geïdentificeerd als een plek waar de Maas (Mosa) en de Waal (Vacalus) bij elkaar komen, 80 Romeinse mijlen van de monding van de rivier.[9][noten 1] De veronderstelde locatie hiervan komt overeen met wat nu een deel van het centrum van Nijmegen is. De door Caesar met insula Batavorum bedoelde streek wordt in ditzelfde verband gelijkgesteld aan de Rijndelta (Latijn: Rhenus) in het huidige Nederland. Over de precieze situering hiervan, met name of het nu gaat om het oosten of het westen van Nederland of om beide, is anderzijds met name vanaf de 16e eeuw de nodige verwarring, onduidelijkheid en tegenspraak geweest (zie verder hieronder).

Orosius vermeldt in zijn Historiae dat men op het eiland Britannia "vanuit Rutupiæ (Richborough) 's middags [aan de andere kant van de zee] in Gallië van dichtbij de Menapii en Bataven ziet, en net ten zuiden daarvan de Morini".[noten 2] De Morini en Menapii werden in de 1e eeuw ook al vermeld door Plinius de Oudere; hij situeert hun woongebied, samen met dat van Toxandriërs, aan de Schelde en nabij Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer).[10] De grens tussen de leefgebieden van de Menapii en Morini zou dan ongeveer bij het huidige Duinkerke gelegen hebben. Uit onder andere Orosius' tekst is geconcludeerd dat de Bataven en Menapii buurstammen waren van de Morini, en/of dat de Bataven zelf iets ten noorden van deze twee andere Germaanse stammen woonden.[noten 3][11][12]

Het vanaf de 16e eeuw met name onder Nederlanders zeer populaire idee dat de Bataven volledig inheems waren in het huidige Nederland, mogelijk met velen waren, veel eigen nederzettingen hadden en mogelijk een voor die tijd hoogontwikkelde eigen beschaving (waar de zogeheten Bataafse mythe op is gebaseerd; zie ook hieronder), is gaandeweg steeds meer losgelaten. Tegenwoordig wordt het als veel aannemelijker gezien dat ze op instigatie van de Romeinen en/of bij wijze van kolonisatie naar de huidige Betuwe werden gebracht. Het in de Nederlandse bodem teruggevonden archeologische materiaal is wat betreft de veronderstelde grootschalige Bataafse aanwezigheid niet voldoende overtuigend gebleken (zie ook #Archeologie).[13]

Oppidum Batavorum en omgeving

Zie Oppidum Batavorum voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Omstreeks 10 v. Chr. lijkt het door Tacitus genoemde Oppidum Batavorum te zijn verrezen (zie ook hierboven). Waarschijnlijk was dit, anders dan de naam in eerste instantie doet vermoeden, geen daadwerkelijk inheemse Bataafse nederzetting. Het lijkt veeleer een door de Romeinen zelf gesticht economisch en bestuurlijk centrum te zijn; dit is althans geconcludeerd uit onder meer de betreffende archeologische vondsten. De Romeinen zouden de nederzetting naar de in de nabijheid wonende volksstam hebben vernoemd. In de nederzetting zelf woonden niettemin waarschijnlijk óók Bataven, die hier met de Romeinen samenleefden.[5]:106

Ook ten noorden van de Waal, bij Lent, Elst en Oosterhout, lijken er uitgebreide sporen van bewoning aanwezig te zijn. De datering daarvan begint in de 3e eeuw v.Chr. en loopt door tot in de Romeinse tijd. In ieder geval een deel hiervan is aan de Bataven toegeschreven. De bewoningscontinuïteit in de huidige Over-Betuwe lijkt nauwelijks te zijn beïnvloed door de Gallische Oorlog[8]:19[6]:14

Cultuur en taal

Toen de Bataven zich in hun nieuwe gebied vestigden, gingen ze mogelijk een soort van creooltaal spreken: Keltisch met Germaanse invloeden, wat zich weer ontwikkelde tot een 'Gallo-Romaans' dialect door contact met de Romeinen.[14]

De hoofdgod van de Bataven zou Hercules Magusanus zijn geweest. Het eerste deel van deze naam verwijst naar de Romeinse halfgod Hercules, die in de Bataafse religie zou zijn overgenomen. Het tweede lid heeft een Germaanse basis; het is afgeleid van het inheemse Magusano, dat weer een germanisering is van de Keltische naam Magusenos. Hercules Deusoniensis was mogelijk een andere Bataafse god, en een verwijzing naar Diessen.[15]

Verhouding tot de Romeinen

Kunstwerk van een veldslag waarin de Bataven de Romeinen verslaan, van Otto van Veen

Rond 12 v.Chr. werden zij door de Romeinen onder Drusus onderworpen. Ze werden daarna bondgenoten van het Romeinse Rijk, waarbij zij vrijstelling kregen van belastingen.

Het Romeinse leger heette in de provincia Exercitus Germaniae Inferioris ("strijdkrachten van Neder-Germanië") op inscripties afgekort als EXGERINF. Het bestond uit meerdere (tot vier) legioenen en Auxilia of hulptroepen. Van de Bataven en de Cananefaten samen waren permanent 5000 tot 6500 mannen in dienst. Daarvoor leverden de Cananefaten 24 nieuwe rekruten, de Bataven 260 tot 280 jaarlijks.[16] De Bataven golden in de Romeinse tijd als elitetroepen. Ze zouden als enigen in staat zijn geweest om bewapend te paard zwemmend de Rijn over te steken. Ze waren onder andere betrokken bij de veldtochten van Germanicus tegen de Marsen en Cherusken,[17] het neerslaan van de opstand van Boudicca[18] en die van Gaius Julius Vindex.[19] Daarnaast dienden sommige Bataven als keizerlijke lijfwachten te Rome. Dit wordt niet alleen door Suetonius gemeld,[20] maar tevens door grafstenen bevestigd.[noten 4]

Bataafse Opstand (69-70 n.Chr.)

Zie Bataafse Opstand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de troebelen van het Vierkeizerjaar speelden de Bataven een zeer belangrijke rol.[21] In 69 n.Chr. leidde Julius Civilis de opstand van de Bataven tegen de Romeinen. Met behulp van de Frisii, Cananefaten en andere Germaanse stammen behaalden ze in eerste instantie veel overwinningen. Een hele reeks Romeinse forten aan de limes langs de Rijn, waaronder Castra Vetera (Xanten) werd in korte tijd verwoest. Oppidum Batavorum werd door de opstandelingen zelf platgebrand.[22] Het jaar daarop waren echter de kansen gekeerd ten gunste van de Romeinen. De opstand eindigde in 70 n.Chr. alsnog met de nederlaag van de Bataven. Hoe deze opstand precies afliep en hoe het de opstandelingen en hun leider Civilis daarna verder verging, is onbekend; het relaas hierover uit de Historiae van Tacitus breekt abrupt af op het moment dat Julius Civilis zich op een brug over de Nabalia overgeeft aan Cerialis.[5]:53

Een rechtstreeks gevolg van de opstand was in ieder geval dat Legio X Gemina zich hierna in de nabijheid vestigde, op de heuvel ten oosten van wat tegenwoordig het Valkhof is; de Canabae lagen waarschijnlijk ca. twee kilometer westelijker aan de Waaloever.[8]:20

Latere geschiedenis

Op ongeveer dezelfde plek waar Oppidum Batavorum had gelegen, verrees vermoedelijk vrij snel na de opstand een nieuwe nederzetting. Op grond van diverse (vooral indirecte) aanwijzingen wordt aangenomen dat deze plaats omstreeks het jaar 100 Romeinse stadsrechten toegekend kreeg van keizer Trajanus, en werd hernoemd tot [Municipium] Ulpia Noviomagus Batavorum. Dit wordt veelal gezien als het begin van Nijmegen als echte stad.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de Bataven na de val van het Gallische keizerrijk[noten 5] opgegaan zijn in de Franken. Een andere mogelijkheid is dat zij in of rond de 3e eeuw naar het zuiden zijn getrokken, mogelijk tegelijk met de Romeinen.[noten 6][6]:16 Hun gebied kwam hierna vermoedelijk in handen van de Salische Franken.

Archeologie

In zowel de Betuwe als Hessen zijn schotelvormige Keltische muntjes gevonden, bestaande uit een legering van goud, zilver en koper. Hoewel niet helemaal zeker is of deze munten inderdaad dateren uit de tijd van de migratie van de Chatten vanuit het oosten, en of ze wellicht van elders kwamen, wordt dit toch als mogelijk ondersteunend bewijs gezien.[6]:15

Bij Empel heeft een tempel gestaan die vermoedelijk aan de Bataafse hoofdgod Magusanus was gewijd. Rond dit heiligdom zijn veel offergaven gevonden, waaronder verschillende wapens. Omdat het offeren van wapens geen Romeins gebruik was, wordt aangenomen dat de tempel van Empel Bataafs was.[23] De eveneens bekende Tempels van Elst zijn gedurende enige tijd ook gehouden voor inheemse, aan Magusanus gewijde Bataafse heiligdommen, maar hier wordt inmiddels aan getwijfeld.[24]

Voorgestelde etymologieën

Er is vaak geopperd dat de huidige streeknaam Betuwe zou zijn afgeleid van de naam Bataven (die hier immers ook worden verondersteld te hebben gewoond), maar hierover bestaat geen zekerheid.

Rudolf Much en Frank Heidermanns stellen dat het Germaanse element *bata in verband moet worden gebracht met het Gotische batiza („beter“) of bōta („van nut zijn“, vergelijk het Nederlandse baten) en zo zou de stamnaam vertaald worden als „de beteren“.[25][26] De naam van het insula Batavorum zou in de vroege middeleeuwen verbasterd zijn (via BatuvuaBatuuuaBataweBataweBettue) tot "Betuwe".[27]

De historicus Luit van der Tuuk stelt in zijn boek "De Romeinse limes" een omgekeerde etymologische ontwikkeling voor. De Bataven zouden dan dus niet zelf hun naam aan de Betuwe hebben gegeven, maar de benaming van deze destijds door de Rijn omgeven streek[noten 7] hebben overgenomen in hun stamnaam.[28]

Nieuwe beschrijvingen vanaf de 16e eeuw: gedeeltelijke mythologisering en veronderstelde woongebieden

Zie Bataafse mythe voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de Nederlanden nam, tegelijk met de opkomst van het humanisme, vanaf het begin van de 16e eeuw de interesse in de Bataven sterk toe. De jonge republiek, nog in strijd met de Spanjaarden, identificeerde zich in deze tijd sterk met de Bataven, die zich in hun eigen tijd ook al hadden verzet tegen de Romeinse dwingelandij. Men ging op grond hiervan rechtstreekse parallellen trekken tussen de Bataafse Opstand en de – op dat moment actuele – Nederlandse Opstand tegen de Spaanse koning Filips II onder leiding van Willem van Oranje.[5]:49[29] Vooral in Nederland werden de Bataven vanaf die tijd feitelijk beschouwd als de eigen voorouders. Dit alles heeft geresulteerd in de zogeheten Bataafse mythe.

Wilhelmus Frederici noemt de Bataven al even in zijn De Frisiae situ gentisque origine (1498).[30]:22 Tot de eerste echt bekende schrijvers die zich intensief op dit onderwerp toelegden behoren Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536), Cornelius Aurelius (1460-1531) en Gerardus Geldenhouwer (1482-1542). Zij identificeerden zichzelf tevens publiekelijk als Bataaf.[31][30]:22

De betekenis van veel topografische namen in bijvoorbeeld Tacitus' teksten kan echter op verschillende manieren worden uitgelegd, waardoor bepaalde delen van het huidige Nederland – met name het westen en de provincie Utrecht – al dan niet mede onder het veronderstelde Bataafse woongebied vallen. Ook op dit punt is er zodoende nooit echte duidelijkheid geweest, waarbij sommige van de hierboven genoemde humanisten hun eigen ontstaansmythen hebben gecreëerd.[5]:50-53

Verwijzingen in de cultuur vanaf de 16e eeuw

Met de in de 16e eeuw opgekomen interesse in de Bataafse geschiedenis in de Nederlanden kwamen er vanaf die tijd ook allerlei culturele verwijzingen. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) schreef P.C.Hooft een historisch treurspel, Baeto, of Oorsprong der Hollanderen (1617),[32] over de fictieve voorvader van de Bataven, dat het beeld van de Nederlandse geschiedenis sterk beïnvloedde. De rechtsgeleerde Hugo de Groot schreef in 1610 De antiquitate reipublicae Batavicae (over de oudheid van de Bataafse republiek), waarin hij 'uit politieke overwegingen' beweerde dat de Hollandse Republiek direct verband hield met een (mythische) Bataafse republiek.[33] Schilders als Otto van Veen, Rembrandt van Rijn en Jan Lievens kregen opdracht de Bataafse geschiedenis in beeld te brengen.

Bekende vernoemingen

Bataafse Republiek
De burgers van de Bataafse Republiek (1795 - 1801) werden toentertijd ook Bataven genoemd.
Batavia
Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (het huidige Jakarta) werd eveneens vernoemd naar de Bataven.
Betuw
Over de vraag of er een etymologisch verband bestaat tussen de topografische naam Betuwe en de naam Bataven, bestaat geen overeenstemming (zie ook #Mogelijke etymologieën).
Passau
Door de Romeinen Batavis genoemd vanwege de Bataafse huursoldaten die daar waren gelegerd. De moderne vorm van de naam is toe te schrijven aan de Hoogduitse klankverschuiving (b > p, t > ss).
Lugdunum Batavorum
Op grond van het inmiddels verlaten idee dat de Bataven (ook) in het huidige Zuid-Holland hadden geleefd, is de toponiem Leiden omstreeks de 17e eeuw verlatiniseerd tot het bij Ptolemaeus aangetroffen Lugdunum Batavorum ("Lyon van de Bataven").[34][5]:60-61 Deze zelfde gelatiniseerde plaatsnaam is bovendien nog op Katwijk betrokken, op grond van het idee dat de Bataven dáár hun woongebied hadden.

Epigrafie

Behalve uit deze Romeinse historiografieën, zijn de Bataven ook in de epigrafie geen onbekenden. Zo zijn in Rome grafstenen teruggevonden van mensen die het vak corporis custos (lijfwacht) beoefenden, waaronder veel Bataven. Ze dienden Nero en Tiberius.

Ruiterij

Behalve de lijfwachten van de keizers leverden de Bataven ook ruiter-regimenten, alae of (alae) miliariae, die in grafschriften en getuigenissen van honesta missio terug te vinden zijn op de Balkan, in Zuid-Duitsland (Raetia), Hongarije, Oostenrijk en Frankrijk. Bekend zijn onder andere:

  • ala I Batavorum
  • I Batavorum miliaria. Een ala miliaria is een dubbele ala. Wordt ook met de eretitel pia fidelis vermeld.
  • VIIII Batav(orum) miliaria, ruiterij. Komt ook onder de titel turma voor, maar of het hier dezelfde eenheid betreft, is onzeker.

Infanterie

  • cohors I Batavorum
  • cohors II Batavorum
  • cohors III Batavorum peditata
  • cohors IX Batavorum

Zie ook