Gertrudiskerk (Nijmegen)

De Gertrudiskerk van Nijmegen was, volgens de overlevering, een vroegmiddeleeuwse parochiekerk. De kerk was mogelijk gewijd aan de heilige Gertrudis van Nijvel, of anders aan de martelaar Stefanus waar ook de latere hoofdkerk van de stad aan is gewijd; de verschillende bronnen spreken elkaar op dit punt tegen.[1]

Over het algemeen neemt men wel aan dat dit de allereerste parochiekerk in de Nijmeegse geschiedenis is geweest. De kerk moet vanaf de 7e tot en met het midden van de 13e eeuw ergens aan het Valkhof hebben gestaan.[2] De meest waarschijnlijke locatie lijkt de plek van de – later aangelegde – Voerweg, nabij Kelfkensbos; onder meer de Nijmeegse gemeentesecretaris Herman van Schevichaven ging hiervan uit.

Ontstaan en bouw

Er is geen schriftelijke overlevering over de Gertrudiskerk voorhanden uit de tijd van de stichting zelf, noch van de eerste paar eeuwen daarna; de oudste bekende vermelding is pas afkomstig van de 15e-eeuwse kanunnik en chroniqueur Willem van Berchen (zie ook #Overgeleverd materiaal/ontbreken hiervan). Zodoende bestaat er geen enkele zekerheid omtrent de bouwdatering, zelfs een benadering hiervan is niet goed te maken. De bouw van de kerk wordt niettemin wel in verband gebracht met de kersteningscampagne van bisschop Kunibert van Keulen. Deze campagne moet toen ook Utrecht bereikt hebben. In dezelfde tijd of iets eerder moeten de Merovingen het gebied in en rond Nijmegen in handen hebben gekregen, na het definitieve vertrek van de Romeinen. In ongeveer dezelfde tijd – de 7e en 8e eeuw – zou er ook al een kerk in Utrecht zijn geweest, die door koning Dagobert I aan de hiervoor genoemde bisschop Kunibert was geschonken. Dit laatste lijkt weer een aanwijzing dat de invloed van het aartsbisdom Keulen in deze tijd ver naar het westen reikte. Indien dat scenario inderdaad klopt, wordt het daardoor ook aannemelijker dat er een vergelijkbare kerk in het vroegmiddeleeuwse Nijmegen kwam.[3]

De kerk werd misschien zelfs al gebouwd aan het begin van de 7e eeuw[4], andere bronnen dateren de bouw pas aan het eind van die eeuw of zelfs in het begin van de 8e eeuw. Als bouwjaar wordt door Johannes Smetius en door Johannes in de Betouw (een nazaat van Smetius) 692 genoemd, maar waar zij dit exacte jaartal op baseren is onduidelijk. Historicus Piet Leupen dateert in het Bronnenboek van Nijmegen (1981) de bouw nog iets eerder, in het eerste kwart van de 7e eeuw.

Er is wel geopperd dat de Franken de kerk doelbewust bouwden in het overgebleven Romeinse castellum, dat toen nog duidelijk herkenbaar zou zijn geweest.[5]

Architectuur

Het moet een vrij bescheiden zaalkerk van steen of hout zijn geweest.[6]

Functies

De Valkhofpalts van Karel de Grote moet zich in de nabijheid van de Gertrudiskerk hebben bevonden. Mogelijk deed de Gertrudiskerk in deze tijd dienst als parochiekerk voor degenen die in de palts verbleven.

Mogelijk was de Gertrudiskerk in eerste instantie een eigenkerk van de koning of bisschop.[7]

Naaste omgeving

Rondom de kerk werd ook een kerkhof aangelegd, dat zuidwaarts liep tot aan het vroegere Romeinse castellum.[8]

Naast de kerk moet een (eenvoudige) school hebben gestaan. De Latijnse School, die eeuwen later aan het Sint-Stevenskerkhof in het Nijmeegse centrum is gebouwd, zou dan feitelijk een voortzetting van deze eerdere school zijn.[9]

Afbraak (1254)

De Gertrudiskerk moet omstreeks 1254 zijn afgebroken, op last van graaf Otto II.[10] Zeven jaar daarvoor was de hele stad Nijmegen door koning Willem II van Holland in pand gegeven aan de graaf. De Gertrudiskerk werd nu vervangen door een kerk die op de Hundisburg in het echte centrum van de stad stond, in plaats van aan de rand: de Stevenskerk, die nog altijd bestaat.

De afbraak van de kerk aan het Valkhof zou om meerdere, vooral strategische redenen zijn gebeurd. Omstreeks 1247 waren rond Nijmegen de eerste stadsmuren opgetrokken, waarbij de kerk buiten deze muren was komen te liggen. Voor de parochianen zou dit gedurende oorlogstijden te veel risico hebben opgeleverd.[11] Met het verdwijnen van de Gertrudiskerk kon anderzijds de aldaar in 1155 voltooide burcht verder uitgebreid en versterkt worden, zodat de stad als geheel beter verdedigbaar was. Daarnaast speelde er nog een belangrijke culturele factor: op deze manier konden, op twee verschillende plekken in de groeiende stad, het bestuurlijke centrum (het Valkhof) en het religieuze centrum (de echte stadskern) elkaar als het ware in evenwicht houden.[12]

Vervangende kapel

Naast de Gertrudiskerk lag het Oude Kerkhof. Op deze plek is, nadat de kerk zelf was verdwenen, ter vervanging de Gertrudiskapel gebouwd; deze kapel is in 1579 weer afgebroken ten behoeve van het verder versterken van de stadswallen.[13] Hiervan zijn later wel archeologische resten teruggevonden.[14]

Overgeleverd materiaal/ontbreken hiervan

Van deze kerk wordt gewag gemaakt door Van Berchen in diens Gelderse kroniek, die omstreeks 1473 moet zijn geschreven. Later zijn onder meer Smetius en De Betouw hierin meegegaan.

Van de kerk zelf is echter geen enkele duidelijke afbeelding (bijvoorbeeld in de vorm van een tekening of gravure) bewaard gebleven, noch is er ook maar een enkele plattegrond overgeleverd uit de betreffende tijd zelf; pogingen tot visuele reconstructie van de stad uit deze tijd inclusief de Gertrudiskerk zijn pas veel later gedaan, door bijv. de stadsarchivaris Friedrich Gorissen in diens Stede-Atlas van Nijmegen.

De Stevenskerk op de Hundisburg is ook wel gezien als niets anders dan een herbouw van de vroegere kerk aan het Valkhof.

Vermeende ontdekte restanten

Tot op heden zijn er geen archeologische relicten teruggevonden waarvan met zekerheid is vastgesteld dat het overblijfselen van de Gertrudiskerk betrof.

In 1997 – ten tijde van de aanbouw van het Valkhof Museum – stuitte men bij archeologisch onderzoek van de bodem op restanten van muren. Aanvankelijk werd gedacht dat het de kelder van de pastorie was die aan de Gertrudiskerk zou hebben toebehoord.[15] Enkele jaren later werd dit idee bijgesteld: men meende nu dat het een stuk oude stadsmuur betrof, dan wel natuursteen uit de Romeinse tijd dat in middeleeuwse gebouwen wel vaker werd hergebruikt. Omstreeks 2015 werd de conclusie nogmaals herzien: het ging toch om een kelder, die mogelijk in de 11e eeuw in brand was gestoken, en dus waarschijnlijk niet bij de Gertrudiskerk hoorde.[16]