Bataafse mythe
De term Bataafse mythe verwijst naar de vanaf de 16e eeuw opgekomen gedachte dat de Bataven – een waarschijnlijk Germaans volk uit de oudheid – in de loop der geschiedenis een zeer belangrijke speelden voor de latere bewoners van de Nederlanden en daaropvolgend de Republiek. Deze bewoners worden voorgesteld alsof zij allemaal rechtstreeks zouden afstammen van de Bataven en zodoende al sinds de oudheid aanspraak kunnen maken op volledige, of in ieder geval zeer verregaande politieke vrijheid.
Deze opvatting, die deels neerkomt op een uitgevonden traditie, heeft met name betrekking op het graafschap Holland, en daarnaast vooral op het graafschap (later het hertogdom) Gelre.
Historische achtergrond: de Bataven
De alleroudste overgeleverde informatie over de Bataven komt uit de geschriften die de Romeinse veldheer Julius Caesar bijhield over de door hemzelf gevoerde Gallische Oorlog (58-51 v.Chr.), waarbij hij heel Gallië wist te onderwerpen. De Bataven worden door hem zijdelings genoemd in Commentarii de bello Gallico, waar hij het "eiland der Bataven" noemt. Iets meer over de Bataven is te lezen bij de geschiedschrijver Tacitus, vooral in diens werken Germania (ca. 98) en de Historiae (ca. 105). Tacitus vertelt hier dat de Bataven in Oppidum Batavorum hun hoofdplaats hadden, en dat ze na hun onderwerping aan de Romeinen een beperkte mate van autonomie behielden en vrijgesteld van belasting waren, maar wel manschappen dienden te leveren en de limes dienden te verdedigen. In 69-70 n.Chr. vond onder leiding van Julius Civilis de Bataafse Opstand plaats, die echter uitdraaide op een nederlaag voor de Bataven.
Omstreeks 400 verdwijnen de Bataven uit historische geschriften; een van de laatste Romeinen die over hen schreef was Orosius. Men vermoedt dat zij ofwel in de Salische Franken zijn opgegaan (de Franken zouden in dat geval dus heel goed deels nakomelingen van de Bataven kunnen zijn), of tegelijk met de Romeinen zijn verdreven.[1][2]:16
Ontstaan en ontwikkeling van de Bataafse mythe
.png)
De Bataven raakten vrijwel in de vergetelheid totdat in de 15e eeuw de twee hiervoor genoemde geschriften van Tacitus werden herontdekt (Historiae rond 1403, Germania in 1455), vertaald en opnieuw uitgegeven. Vanaf die tijd ontstond het beeld dat veel delen van Nederland, met name de Rijndelta, sinds de Romeinse tijd waren bewoond door de Bataven. Dit beeld van Nederland sinds de oudheid verving een eerder beeld van het Nederlandse landschap dat kroniekschrijvers in de eeuwen daarvoor vooral hadden geschetst: een grotendeels overstroomd "Woud zonder Genade", met weinig bevolking afgezien van wat jagers en vissers.[3]:10 De naam Bataven werd hierna zeer geliefd onder Noord-Nederlandse humanisten om naar zichzelf en hun vermeende voorouders te verwijzen. Een van de door deze humanisten verspreide mythen die enorm populair werden was dat de Bataven de allereerste bewoners zouden zijn geweest van de tot dan toe "wilde, woeste en onbewoonde" Rijndelta, en bij uitbreiding zelfs van heel Nederland. Mede hierdoor kreeg gaandeweg de gedachte dat de Bataven wel de rechtstreekse voorouders van het huidige Nederlandse volk moesten zijn, steeds meer aanhang.[noten 1][4]:53-56 In het verlengde daarvan is het soms voorgekomen dat bodemvondsten uit de Romeinse tijd, onder meer in en nabij Nijmegen, werden uitgelegd op een manier die zo goed mogelijk paste bij de betekenis en uitleg van de overgeleverde teksten uit de oudheid over het betreffende paste, waarbij soms beelden en verhalen rondom deze archeologische voorwerpen werden bedacht die waarschijnlijk niet echt overeenkwamen met de daadwerkelijke betekenis en waarde van de voorwerpen.[noten 2] In enkele gevallen zijn bepaalde archeologische vondsten uit de oudheid zelfs volkomen genegeerd, omdat ze niet goed pasten bij het verhaal dat men haalde uit de overgeleverde teksten.[3]:37-38
Een tijdlang werden ook de Friezen geheel vereenzelvigd met de Bataven; men stelde dat de Bataven na hun ogenschijnlijke verdwijning uit de geschiedenis tegen het eind van de oudheid simpelweg van naam waren veranderd en nu Friezen heetten. Dit maakte deel uit van pogingen om het grote hiaat in de Nederlandse geschiedenis na het einde van de Romeinse tijd, dat vooral voor Holland gold, wat te dichten. De Frisii en hun gebied, Frisia, waren zelf ook al bekend geweest bij de Romeinen, en bleven ook nog in de kronieken voorkomen nadat de Franken hier alweer naar de achtergrond waren verdwenen. Zo was er dus weer sprake van volledige continuïteit met het heden van dat moment. Dit heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het nationale bewustzijn van de Nederlanders sinds de 16e eeuw.[3]:17-18
Desiderius Erasmus was een van de eersten die met dergelijke ideeën kwam. Het was echter met name Cornelius Aurelius die de echte fundamenten legde voor de Bataafse mythe. Aurelius was ervan overtuigd dat de Bataven ook en vooral in het huidige Zuid-Holland geleefd hadden.[noten 3] Hij schreef drie verhandelingen, waarvan de Divisiekroniek (1517) de bekendste is. Hierin stelde hij dat het 16e-eeuwse graafschap Holland rechtstreeks was voortgekomen uit Batavia of Batavië, het antieke land der Bataven. Men situeerde dit rijk doorgaans uitsluitend in het latere Zuid-Holland, meestal zonder het Gelderse rivierengebied rond de Romeinse stad Noviomagus[noten 4] ook mee te rekenen. Dit laatste moet worden gezien tegen de achtergrond van de Gelderse oorlogen, die aan het begin van de 16e eeuw nog in volle gang waren. In 1610 had Hugo de Groot het in zijn Tractaet ook al over de "Batavische nu Hollandshe republiek".[3]:13 Pas na het einde van deze oorlogen, in 1543, werd de Pragmatieke Sanctie uitgevaardigd. Deze bepaalde dat de Zeventien Provinciën voortaan een ondeelbare eenheid zouden vormen en in de toekomst onder één Habsburgse heerser zouden worden overgeërfd. Aurelius meende uit de tekst van Caesar (De bello gallico) ook nog te kunnen afleiden dat de zuidgrens van het genoemde "eiland der Bataven" lag bij Gorinchem.[5] Aurelius situeerde de noordgrens van het rijk Batavia specifiek bij Wijk bij Duurstede, langs de Oude Rijn tot aan de Noordzeekust. Slot Loevestein was volgens hem de oostgrens van Batavia. Hij baseerde zich hiervoor onder meer op wat Romeinse inscripties die waren gevonden bij wat nu Roomburg is, in combinatie met zijn eigen interpretatie van de overgeleverde teksten van onder meer Caesar en Tacitus. De door deze Romeinse auteurs gebruikte term "eiland der Bataven", wat op het eerste gezicht niet helemaal goed leek te passen bij het veronderstelde Bataafse woongebied, verklaarde hij aan de hand van de volgens hem in de loop der tijd gewijzigde loop van de Rijn; zodoende zou Holland in de oudheid meer dan nu een echt eiland zijn geweest.[4]:53-54[6]:23
Ongeveer een eeuw later zou Hugo de Groot grotendeels in deze opvatting van Aurelius meegaan. Hadrianus Junius (1511-1575) kwam daarentegen weer tot andere bevindingen: de noordgrens van het Bataafse woongebied moest volgens hem tot aan de IJssel hebben gelopen, en eveneens (een deel van) het gebied dat nu Noord-Holland is hebben omvat.[7] Ook de Leidse hoogleraar Bonaventura Vulcanius was voorstander van het idee dat de Bataven moesten worden gelijkgesteld aan de Hollanders. De inwoners van Gelderland moesten naar zijn idee van de Sugambren afstammen.[8]
Gerardus Geldenhouwer, een Nijmegenaar die zich zeer intensief bezighield met het bestuderen van de geschiedenis van zijn eigen stad en de omliggende regio, probeerde in zijn Historia Batavica (1530) aan te tonen dat de Bataven uitsluitend hadden geleefd in de Gelderse Betuwe, die dus ook beslist naar hen vernoemd moest zijn. Lobith, waar de Waal en de Rijn zich splitsen, was volgens hem de oostelijke grens van het Bataafse rijk geweest.[6]:23 Hij ging anderzijds mee in Aurelius' stelling dat de Bataven ooit een aanvoerder genaamd Bato hadden, naar wie ze tevens waren vernoemd ("Bato's have" → "Bataven").[3]:10 Deze Bato zou een paleisachtige burcht (genaamd Noviomagum) hebben laten bouwen op de restanten van een nog oudere burcht; dit moest dus wel de Valkhofburcht zijn. Na Bato's dood werd zijn zoon Hessus (naar wie de Hessenberg zou zijn vernoemd) koning van het Bataafse volk. Uiteindelijk zou keizer Karel de Kale in de 9e eeuw de Bataven – tegen hun eigen zin – hebben opgesplitst.[8] Hiermee schiepen Aurelius en Geldenhouwer dus een heel eigen stichtingsmythe voor onder meer Nijmegen.[9][10] Geldenhouwer was ook een van de eerste aanhangers van het idee dat het "rijk Batavia" zelfs al vóór de Romeinse tijd had bestaan. Later is deze mythe overgenomen door andere bekende humanisten zoals Johannes Pontanus (1571-1639) en Hugo de Groot (1583-1645).[4]:57-58
De 17e-eeuwse Nijmeegse predikant, verzamelaar en geschiedschrijver Johannes Smetius ging enerzijds mee in het idee dat de Bataven verspreid over een groter deel van de grondgebied van het huidige Nederland moesten hebben geleefd, inclusief in Holland en Zeeland. Na de val van het West-Romeinse Rijk zouden de Bataven en Franken (beide Germaanse stammen) een onderling bondgenootschap hebben gesloten en gaandeweg zijn versmolten tot een nieuw volk, dat de naam van de Franken aannam. De naam van de Bataven zou in later tijden nog slechts zijn gehandhaafd in de streeknaam Betuwe. Voor Smetius was het een absolute zekerheid dat het door Tacitus genoemde Oppidum Batavorum op de plek van het huidige Nijmegen lag. In zijn bekendste werk, Oppidum Batavorum seu Noviomagum ("Nijmegen, Stad der Bataven") uit 1645, doet Smetius zijn opvattingen hierover uit de doeken. Hij gaat hier verder nog deels mee in het hiervoor genoemde "scheppingsverhaal" van Geldenhouwer over de Bataven als de oorspronkelijke stichters van Nijmegen. Anderzijds gingen Smetius en Cluverius niet mee in de ideeën van Pontanus (Smetius' oude leermeester) over het pre-Romeinse stedenrijk Batavia.[4]:61 Smetius veronderstelde verder dat de Valkhofburcht al enige tijd had bestaan ten tijde van de Bataafse Opstand. Hij opperde voorts dat de burcht zelfs de allereerste woonplek van de Bataven geweest kon zijn, nog voordat de nabijgelegen Bataafse nederzetting er kwam.[noten 5][4]:78-82
Aurelius en Smetius gingen daarnaast uit van de veronderstelling dat de Bataven en de Romeinen hierna eeuwenlang trouwe bondgenoten waren geweest, ondanks gebeurtenissen als de Bataafse Opstand. Ze baseerden zich daarbij onder andere op enkele vermeende Romeinse inscripties, die nadien vervalst zijn gebleken (met name de vermeend antieke inscriptie Gens Batavorum amici et fratres Romanii imperii uit Zoeterwoude, die misschien in werkelijkheid door Aurelius zelf is gemaakt).[5][3]:35-36 De Bataven zouden hoe dan ook altijd een hoge mate van vrijheid en autonomie hebben gehouden. Daarbij hadden ze nauwelijks enige verplichtingen ten aanzien van de Romeinen, afgezien van het leveren van hulptroepen en het tonen van respect richting het Romeinse regime.[4]:94 Volgens Aurelius waren de Bataven vóór de komst van de Romeinen eerst een gemeenschap van vissers en boeren geweest. Geldenhouwer ging er daarentegen van uit dat de Bataven op dat moment zelf ook al een verstedelijkte gemeenschap waren.[4]:56-57 Deze vriendschap zou ook na het einde van het Romeinse Rijk nog in een bepaalde vorm zijn voortgezet binnen het Heilige Roomse Rijk.[noten 6] Volgens Smetius zouden de Bataven al een deels christelijke gemeenschap zijn geweest; dit laatste baseerde hij voornamelijk op een carneool uit zijn collectie met daarop een Christus-afbeelding. In hoofdstuk 9 van Oppidum Batavorum seu Noviomagum betoogt Smetius dat een elders verdwenen en volgens hem typisch Bataafse traditie, het paardrijden, exclusief in Nijmegen als "Bataafse waardigheid, vrijheid en onafhankelijkheid" in stand was gebleven. Dit was voor hem nog eens een extra argument om Nijmegen als de Bataafse stad bij uitstek aan te wijzen.[4]:92-97
De Bataafse mythe tijdens de Tachtigjarige Oorlog
De Nederlandse Opstand tegen de Spaanse Habsburgers (1566–1648) maakte de vergelijking met de Bataafse Opstand tegen de Romeinen erg populair, vooral in Holland en Zeeland, waar de Staatsen in de cruciale fase van 1572–1576 met dank aan de gunstige ligging stand wisten te houden en mede doordat Spanje in 1575 bankroet ging met veel muiterijen als gevolg, de Spaanse regeringstroepen met veel moeite Haarlem en Zierikzee veroverden, er niet in slaagden Alkmaar en Leiden in te nemen en Middelburg en ten slotte ook Amsterdam moesten opgeven en bovendien alle zeeslagen verloren. In 1575 werd de stad Leiden voor haar volharding beloond met de stichting van een universiteit, die de Latijnse naam Academia Lugduno Batava kreeg. Zo werd Leiden vanaf dat moment tot en met de 19e eeuw geassocieerd met Lugdunum Batavorum, terwijl die Romeinse plaats, destijds Brittenburg geheten, een eind verderop lag bij Katwijk (en tegenwoordig in zee).[noten 7][3]:18
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) werd men zich ervan bewust dat de in 1581 verklaarde onafhankelijkheid met het Plakkaat van Verlatinghe waarschijnlijk werkelijkheid zou worden. Meer dan eerder werd de Republiek vergeleken met de opstandige Bataven van weleer die in dezelfde streken voor hun vrijheid hadden gevochten en steeds algemener werden gezien als de voorouders van de toenmalige Hollanders. Het bekendste werk dat de Bataafse mythe verkondigde was waarschijnlijk het Tractaet vande oudtheyt vande Batavische nu Hollandsche republique (1610) van Hugo de Groot, die de taak had gekregen van de Staten-Generaal om een geschiedenis te schrijven van de Republiek die de opstand tegen Filips II rechtvaardigde. Dit deed hij aan de hand van Tacitus' geschriften, op grond waarvan hij beweerde dat de huidige "Hollandse republiek" (hier geldt opnieuw Holland als pars pro toto voor alle Verenigde Provinciën) dezelfde is als waarin de Bataven in de oudheid leefden, zoals de titel al stelde.
Ondertussen had de VOC verscheidene handelsposten opgezet in de Zuidoost-Aziatische archipel die later bekend zou komen te staan als Nederlands-Indië, waar op de westkust van Java in 1618 door gouverneur-generaal J.P. Coen het fort Nassau werd gebouwd, dat kapitein van Raay op 12 maart 1619 hernoemde tot Batavia om het moreel van het Nederlandse garnizoen te verhogen. Op 30 mei 1619 veroverde en verwoestte Coen de nabijgelegen stad Jayakarta en stichtte daarbovenop een nieuwe nederzetting, die de hoofdstad van alle VOC-posten in Nederlands-Indië werd en op 18 januari 1621 op bevel van de Heren XVII ook Batavia werd genoemd.[11]
Patriottentijd en Franse tijd

Halverwege de 18e eeuw was de Bataafse mythe wijd verspreid in de Verenigde Provinciën en de Bataafse nalatenschap werd door verschillende groepen geclaimd. De opkomende Patriotten, die de Republiek omver wilden werpen en geheel anders inrichten, gingen zich "Bataven" noemen; paradoxaal genoeg noemde ook hun aartsvijand stadhouder Willem V van Oranje-Nassau zichzelf "Batavus". Na een Pruisische interventie die in 1787 veel Patriotten naar het revolutionaire Frankrijk deed vluchten, vormden zij daar het Bataafs Legioen. Dit heeft tijdens de zogenaamde "Bataafse Revolutie" met hulp van de Franse legers in 1795 de Verenigde Provinciën veroverd en de stadhouder verdreven, waarna de officiële naam van de Noordelijke Nederlanden werd veranderd in de Bataafse Republiek (1795–1801), daarna het Bataafs Gemenebest (1801–1806). Napoleon Bonaparte zei het republikanisme echter vaarwel door zichzelf in 1804 tot keizer te kronen en zijn broer Lodewijk Napoleon te laten regeren over het nieuw ingerichte Koninkrijk Holland (1806–1810), om ten slotte het gehele gebied bij zijn Eerste Franse Keizerrijk in te lijven. De "Bataafse identiteit" werd in deze late Franse tijd weer afgeschreven en in plaats daarvan werd Frans nationalisme gepropageerd.
Eind 18e eeuw was de Bataafse mythe helemaal op het hoogtepunt. In 1784 publiceerde Engelbertus Matthias Engelberts, een predikant uit Hoorn, De Aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden. De door Engelberts veronderstelde Bataafse "oerbeschaving" wordt in deze studie volkomen gemythologiseerd en voorgesteld als bakermat van de Nederlanden. De hier voorgestelde Bataven zouden zelf ook al christenen zijn geweest. Engelberts ging daarnaast (anders dus dan bijvoorbeeld Smetius) mee in de gedachte dat de Bataven van oudsher landbouwers waren die afstamden van rondreizende Kelten, die op hun beurt nakomelingen zouden zijn van de Scythen en ook de hunebedden hadden gebouwd.[3]:30-32/105-108
De Franse Revolutie, gevolgd door de Franse Tijd in Nederland, was de eerste grote kentering in deze "Batavencultus". Hierbij speelde ook geopolitiek mee: het gewest Holland, waar immers een aanzienlijk deel van de Batavencultus aan was opgehangen, had vanaf dat moment internationaal minder politieke betekenis dan in de eeuwen daarvoor.
Koninkrijk der Nederlanden
Toen Willem Frederik van Oranje-Nassau, de zoon van de verdreven stadhouder Willem V, in 1813 zijn dynastie wist te herstellen en zelfs tot monarchie wist te verheffen, werd ervoor gekozen om de naam "Nederlanden" te gebruiken voor zijn nieuwe koninkrijk dat volgens de bepalingen van het Congres van Wenen zowel de vroegere Noordelijke als Zuidelijke Nederlanden zou omvatten, al verwees men naar de noorderlingen als "Hollanders" en het zuiden als de "Belgische Provincien".[12] De woorden "Bataven" en "Bataafs" werden geassocieerd met de Revolutie en daarom gemeden, al bleef de hoofdstad van Nederlands-Indië nog Batavia heten tot de Japanners het in 1942 bezetten.
Weerleggingen en nieuwe inzichten vanaf de 19e eeuw
Vanaf de 19e eeuw is men algemeen tot het besef gekomen dat het grondgebied van het huidige Nederland al lang vóór de Bataafse/Romeinse tijd ook al menselijke bewoning had gekend. Vanaf ca. 1840 was voor geschiedwetenschappers duidelijk geworden dat de Germanen uit de Romeinse tijd, de Cimbren en de Kelten verschillende volkeren uit de oudheid waren, en dat de bouwers van de hunebedden tot geen van deze groepen behoorden maar al duizenden jaren eerder (de steentijd) hadden geleefd in wat nu Nederland is. Nog in 1828 werd anderzijds de theorie naar voren geschoven dat de bewoners van Marken, Urk en Schokland[noten 8] tot een menselijk ras genaamd Batavus genuinus zouden behoren.[3]:55-56
Het succes van de Bataafse oorsprongslegende was mede te danken geweest aan antropologie gebaseerd op de gedachte dat het Nederlandse volk voortgekomen was uit meerdere stammen: Bataven, Friezen, Franken en Saksen. Het idee was populair en werd gepromoot in het schoolonderwijs, aangezien deze theorie blijkbaar ook verklaarde waarom de bevolking van Nederland beneden de grote rivieren (Franken) katholiek was en de inwoners van Nederland boven de Moerdijk (Friezen en Saksen) protestant. Door politiek en geografisch includerend te zijn en tegelijkertijd ruimte te laten voor verschil, voldeed deze historische visie aan de behoeften van de Nederlandse natievorming en integratie ook nog in de jaren 1890-1914. De nadelen van deze historische interpretatie werden echter al snel duidelijk. Het suggereerde dat er geen sterke externe grenzen waren (de verschillende stammen waren ook over de grens woonachtig, Franken in België, Friezen en Saksen in Duitsland), terwijl duidelijke interne grenzen mogelijk waren in een samenleving die uit drie delen (stammen) bestond. De oorsprongsmythe bleek, vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog, rekening te houden met de mogelijkheid van regionaal separatisme en annexatie door nationaalsocialistisch Duitsland. Na 1945 verloor dit zogenaamde 'tribale paradigma' dan ook veel van zijn greep op de antropologie; Het "driestammenthema" kreeg kritiek en ebde geleidelijk weg in academische kringen.[13]
Met name sinds de 20e eeuw zijn historici middels steeds grondiger etnografisch onderzoek tot de conclusie gekomen dat de Bataven uit de Romeinse tijd vrijwel niets van doen kunnen hebben met de latere Hollanders en/of bevolking van heel Nederland. Ook werd gaandeweg duidelijk dat van enige institutionele continuïteit tussen de Bataven als autonome Romeinse bondgenoten en het graafschap Holland geen enkele sprake kan zijn. Het door onder meer Aurelius verspreide idee dat de Bataven voornamelijk in Holland leefden en daar lange tijd de dominante bevolkingsgroep waren, werd al na de Franse Revolutie door de meeste serieuze historici losgelaten. Aurelius' eigen vertalingen en persoonlijke interpretaties van de antieke tekstpassages over de Bataven zijn op allerlei punten onhoudbaar gebleken.[noten 9][14]
Vooral sinds de 20e eeuw is ook het idee dat de Bataven (hoewel ze hoe dan ook oorspronkelijk vanuit een ander land kwamen) elders in het huidige Nederland inheems en met velen waren, mogelijk de allereerste bewoners van dit gebied, en dat ze al een hoogontwikkelde eigen beschaving en cultuur hadden gehad, geleidelijk aan steeds meer losgelaten. Tegenwoordig geldt als het meest aannemelijke scenario dat de Bataven door de Romeinen vanuit plekken elders in het Romeinse Rijk naar het huidige Nederland en dan met name de Betuwe werden gebracht (wellicht maakte dit deel uit van kolonisatie van de overwonnen Germaanse stammen door de Romeinen). Dit idee is mede gebaseerd op het in de Nederlandse bodem tot nu toe in de praktijk teruggevonden archeologische materiaal. Deze vondsten zijn, voor zover ze überhaupt als Bataafs zijn aangemerkt, niet overtuigend genoeg gebleken om een grootschalige en dominante Bataafse aanwezigheid in de oudheid in dit gebied aan te tonen.[noten 10][9] Het idee dat Oppidum Batavorum – waarschijnlijk dus de belangrijkste Bataafse nederzetting omstreeks de 1e eeuw – op de plek van het huidige centrum van Nijmegen lag, is wel nog altijd de algemeen aanvaarde consensus.[15]. Idem voor het idee dat er in ieder geval in de Betuwe nog meer Bataafse nederzettingen moeten zijn geweest. Men baseert deze aannames voornamelijk op de gedane archeologische vondsten die als Bataafs worden beschouwd, naast de overgeleverde Latijnse teksten.[2]:15
Varia
Zie ook
Externe link
- Ware Bataven: een lessenserie over de Nederlandse identiteitsvorming in historische teksten. Het Batavenproject voor docenten (2017). Gearchiveerd op 20 april 2024.
Bronnen
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) afgesplitst vanaf een ander artikel op de Nederlandstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie deze pagina voor de bewerkingsgeschiedenis.
- Cornelius Aurelius, Divisiekroniek (1517).
- Hugo de Groot, Tractaet vande oudtheyt vande Batavische nu Hollandsche republique (1610).
- ↑ Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Bataven. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
- 1 2 Neijenhuis, C.G. (2023). Leven aan de Limes: op zoek naar Bataafs-Romeins Huissen. Historische Kring Huessen. ISBN 9789075981124.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Woud, van der, A. (1998). De Bataafse hut, denken over het oudste Nederland (1750-1850). Atlas Contact B.V.. ISBN 9025413951.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Smetius, J. (1999). Nijmegen, Stad Der Bataven. SUN, Nijmegen. ISBN 90-6168-660-1.
- 1 2 Koops, E. (23-12-2022). Humanist Cornelius Aurelius en de creatie van de Bataafse mythe. Historiek
- 1 2 (en) From Revolt to Riches Culture and History of the Low Countries, 1500-1700. ISBN 9781910634882.
- ↑ Molenwijk, G.C. (1988). De oudheid van de Bataafse nu Hollandse Republiek. Krips Repro, Meppel, "13-14". ISBN 90 6262 252 6.
- 1 2 Noordzij, A. (2009). Gelre dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen. Verloren, Hilversum, p. 300-302. ISBN 9789087040673.
- 1 2 3 Mulier, E.H. (1996). De Bataafse mythe opnieuw bekeken. Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 111: 349
- ↑ (en) Ambitious Antiquities, Famous Forebears Constructions of a Glorious Past in the Early Modern Netherlands and in Europe. Koninklijke Brill NV, Leiden (2019), "The Batavians as Ancestors in Early Dutch Humanism: Erasmus, Aurelius and Geldenhouwer", p. 151-183. ISBN 978-90-04-41065-7.
- ↑ De VOCsite: handelsposten, Batavia. Geraadpleegd op 25 december 2013.
- ↑ Journal officiel du gouvernement de la Belgique. Volume 5 (Brussel 1815) 1-4. Weissenbruch.
- ↑ Marnix Beyen, 'A Tribal Trinity: the Rise and Fall of the Franks, the Frisians and the Saxons in the Historical Consciousness of the Netherlands since 1850', in: European History Quarterly 30 (2000), p. 493-532
- ↑ Koops, E. (23-12-2022). Humanist Cornelius Aurelius en de creatie van de Bataafse mythe. Historiek
- ↑ Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland: Prehistorie en oudheid. Inmerc, Wormer, pp. 99. ISBN 90 6611 2301.
Noten
- ↑ Het besef dat het huidige Nederland – net als veel andere delen van Europa – al vele millennia eerder in de prehistorie menselijke bewoning had gekend (wat bijvoorbeeld nog te zien is aan hunebedden), zou pas eeuwen later algemeen doordringen.
- ↑ Zo werd bijvoorbeeld een afbeelding van twee vissen aan een T-vormige staak door Smetius en diens volgelingen uitgelegd als bewijs dat het christendom omstreeks het jaar 300 Bataafs Nijmegen al had bereikt.
- ↑ Onduidelijk is of deze gedachte echt van hemzelf kwam of van Erasmus, met wie hij goed bevriend was.
- ↑ Mogelijk was de volledige naam hiervan [Municipium] Ulpia Noviomagus Batavorum; dit is in ieder geval geopperd door Jules Bogaers.
- ↑ In werkelijkheid dateert de burcht pas uit de 12e eeuw, en is Frederik Barbarossa de stichter.
- ↑ Het feit dat Nijmegen in 1230 vrije rijksstad werd, en dus relatief veel gunsten kreeg, werd door Smetius in ditzelfde verband geplaatst.
- ↑ De naam Leiden heeft in werkelijkheid een andere etymologie en de stad heeft ook een veel jongere geschiedenis.
- ↑ Destijds waren dit nog echte eilanden in de Zuiderzee, en konden de bewoners als geïsoleerd en dus "raszuiver" worden gezien.
- ↑ Bijvoorbeeld doordat hij het woord passus (een Romeinse lengtemaat) abusievelijk vertaalde als "pas, stap", met volkomen onjuiste afstanden tot gevolg.
- ↑ Het beperkt zich hoofdzakelijk tot gevonden muntstukken en drie aan de Bataven toegeschreven tempels uit de Romeinse tijd, waarvan evenwel niet zeker is dat ze ook echt Bataafs waren. De archeoloog Wim van Es is ook meegegaan in deze opvatting.