Barbarossa-ruïne

De Barbarossa-ruïne in 2018
De Barbarossa-ruïne in het Valkhofpark, omstreeks 1900
De Barbarossa-ruïne als podium tijdens festival de-Affaire

De Barbarossa-ruïne aan het Valkhof in de Nederlandse stad Nijmegen, ook wel Sint-Maartenskapel genoemd, is tegenwoordig een rijksmonument. Het is samen met de Sint-Nicolaaskapel een overblijfsel van de 12e-eeuwse Valkhofburcht, die was gebouwd door of in opdracht van keizer Frederik Barbarossa. De twee kapellen waren hier waarschijnlijk een onderdeel van.

De kapel was gewijd aan de heilige Martinus van Tours, beter bekend als Sint-Maarten.

Architectuur

De ruïne is een apsis uit tufsteen en bevat spolia uit de Karolingische en mogelijk ook de Romeinse tijd.

In de Sint-Maartenskapel heeft men drie kapitelen aangetroffen, gemaakt van wit Carrara-marmer en uitgevoerd in een nagebootste Korinthische stijl. Een hiervan bevindt zich tegenwoordig in het Valkhof Museum. De twee andere kapitelen staan nog altijd op de eveneens marmeren zuilen, die de frontboog ondersteunen. Halverwege vertonen de zuilen entasis, wat kenmerkend is voor klassieke architectuur. Aangenomen wordt dan ook dat de kapitelen aanvankelijk bij de Valkhofpalts van Karel de Grote hebben gehoord, om later te worden hergebruikt bij de bouw van de romaanse kapel als onderdeel van de burcht van Barbarossa.[1] De kapitelen zelf dateren volgens schattingen uit de periode 775-800.[2] De zuilen zelf worden ook wel als Romeins gezien.[3]

Geschiedenis

De Sint-Maartenskapel was haaks gebouwd op een lange vleugel van de burcht. Deze vleugel liep ongeveer liep vanaf ongeveer waar nu het viaduct over de Voerweg is tot aan de grote donjon (de "Reuzentoren").[4]:49

Vermoedelijk was de kapel een dubbelkerk.[3] Nadat Jan van Nassau in 1578 op de burcht was ingehuldigd als de nieuwe Gelderse stadhouder, verbood hij de uitoefening van het katholieke geloof. De Nicolaaskapel en de Maartenskapel verloren hierdoor beide hun religieuze functie. De Maartenskapel werd hierna gebruikt als stal en keuken.[1]:49

Gedeeltelijke sloop (1796-1797)

De kapel bleef uiteindelijk deels gespaard in 1796-1797, toen de rest van de Valkhofburcht (op de Nicolaaskapel na) werd gesloopt. Het besluit om de burcht te slopen werd – ondanks veel protesten vanuit Nijmegen zelf – binnen het Kwartier van Nijmegen genomen na het beleg van 1794, waarbij de stad in Franse handen was gevallen en de burcht beschadigd was geraakt. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Johannes in de Betouw een doorslaggevende rol gespeeld bij het behoud van deze twee kapellen, waar men op dat moment nog een Romeinse oorsprong aan toekende. Wat betreft de Maartenskapel, die samen met de Nicolaaskapel door de gemeente Nijmegen was opgekocht om voor sloop te worden behoed, was eerst nog onzeker of deze technisch inderdaad behouden kon blijven, doordat het een uitbouwing was van de noord-zuidvleugel van het burchtcomplex, die als geheel wel gesloopt ging worden. Uiteindelijk is het gelukt om de apsis te behouden, de overige delen van de kapel moesten alsnog tegen de vlakte vanwege het grote instortingsgevaar. In de Betouw hield zelf toezicht op de sloopwerkzaamheden, onder assistentie van Hendrik Hoogers.[1]:138-139

Nadat in 1799 vernielingen aan beide kapellen werden geconstateerd, besloot de Stadsraad om ook de kelders (crypte) van de Sint-Maartenskapel alsnog te slopen.

Na de sloop

In mei 1811 werd er, in het toen nieuw aangelegde Valkhofpark, voor de Barbarossa-ruïne een borstbeeld voor Napoleon Bonaparte onthuld. Het borstbeeld was voorzien van de tekst César et Charlemagne revivent en lui ("Caesar en Karel de Grote komen in hem weer tot leven").[5]

De Barbarossa-ruïne vormt tegenwoordig samen met het Valkhofpark en de Sint-Nicolaaskapel rijksmonument nummer 31192.

Onjuiste verklaringen en dateringen

De 17e-eeuwse rechtsgeleerde Simon van Leeuwen zag in de huidige Barbarossa-ruïne een overblijfsel van een Germaanse tempel die nog van vóór de komst van de Romeinen naar Nederland zou dateren. Hieruit vloeide de anekdote voort dat de uit Rome gevluchte paus Leo III, op verzoek van Karel de Grote, in 799 zowel de Barbarossa-ruïne als de Nicolaaskapel (destijds bekend als de "Karolingische kapel") ceremonieel zou hebben omgevormd van afgodstempeltjes tot christelijke bouwwerken. Ook Johannes in de Betouw hing de opvatting aan dat zowel de Sint-Maartenskapel als de rest van de bucht reeds uit de Romeinse tijd dateerden. Er zou volgens hem oorspronkelijk sprake zijn geweest van een ronde tempel, een soort miniversie van het Pantheon.

Nog in 1825 verklaarde de Ubbergse notaris Cornelis ten Hoet in zijn boekje Geldersch Lustoord overtuigd te zijn van het idee van Van Leeuwen, gezien "de ronde gedaante, de overdikke muur van duifsteen en bovenal de grootsheid van het metselwerk".[6] Dit idee werd echter vrijwel onmiddellijk van tafel geveegd door Diederik van Schevichaven (vader van de bekende archivaris Herman Diederik Joan van Schevichaven). Sindsdien wordt algemeen aangenomen dat Barbarossa de echte stichter is geweest.[4]:45-47

Zie de categorie Barbarossa ruïne van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.