Kampfgruppe Peiper
.jpg)
Kampfgruppe Peiper was een strijdmacht die bestond uit eenheden van de Wehrmacht en de SS, onder aanvoering van Obersturmbahnführer (luitenant-kolonel) Joachim Peiper. Peiper was voor 16 december 1944 bevelhebber van het 1e SS-pantserregiment van de 1e SS-pantserdivisie Leibstandarte Adolf Hitler (afgekort: LSSAH). Aan die eenheid werden troepen toegevoegd om de Kampfgruppe te vormen. Hij stond onder het bevel van Sepp Dietrich en zijn nieuwgevormd 6de Pantserleger.[1][2][3]
Het was de sterkste Duitse eenheid tijdens de Slag om de Ardennen met tanks Panzerkampfwagen Mk-IV, 40 Panther V en 45 Königstigers, 149 halfrupsvoertuigen, achttien 105mm-kanonnen, zes 150mm-kanonnen en meer dan 30 stuks luchtdoelartillerie. De eenheid omvatte 4800 manschappen en 800 voertuigen. Bronnen spreken elkaar tegen over het aantal manschappen en voertuigen. Het gebeurde dat onderdelen van de Kampfgruppe naar verschillende locaties optrokken.
Voorbeschouwing

In september 1944 was het 1e Amerikaanse Leger erin geslaagd het overgrote deel van België van de Duitse bezetting te bevrijden. Stavelot kwam op 12 september in geallieerde handen. De Duitsers werden op vele plaatsen teruggedrongen tot achter de Westwall.
Vooral SS'ers van de Duitse strijdmacht geloofden in het succes van deze aanval. Ze waren uit op revanche omdat Parijs ongeschonden was gebleven en hun hoofdstad al sinds 1940 werd gebombardeerd. Ze beschouwden de burgerbevolking als hun vijand die haar vreugde had getoond in september 1944 en nu de prijs hiervoor moest betalen. Soldaten van de Kampgruppe hadden in november 1944 de bevolking van Keulen geholpen na het bombardement en stootten daarbij op totaal verminkte lijken. Ze haatten de vijand zo erg dat Peiper moeite had om ze onder controle te houden.[4]
Hooggeplaatste Duitse officieren zoals generaal-veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, naar wie het offensief ook wordt genoemd, gaf deze actie, Wacht am Rhein genoemd, naar het lied Die Wacht am Rhein, geen enkele kans om te slagen.
.jpg)
Samenstelling van de Kampfgruppe
De1e SS-pantserdivisie Leibstandarte Adolf Hitler was opgedeeld in Kampfgruppen met de Kampfgruppe Peiper als veruit de sterkste. De drie andere waren: Kampfgruppe Hansen van SS-luitenant-kolonel Max Hansen en zijn 1e SS-Pantsergrenadierregiment, Kampfgruppe Sandig met SS-luitenant-kolonel Rudolf Sandig en zijn 2e SS-Pantsergrenadierregiment en en Kampfgruppe Knittel met SS-majoor Gustav Knittel en zijn 1e Verkenningsbataljon.
Hieronder de samenstelling van Kampfgruppe Peiper:
- 1e SS-pantserbataljon van het 1e Regiment met twee compagnieën Panthers en twee compagnieën Panzer Mk-IV onder Werner Pötschke
- 3e SS pantsergrenadierbataljon van het 2e Regiment met vijf compagnieën in halfrupsvoertuigen onder Joseph Diefenthal
- 501e SS-bataljon zware pantsers met 45 Königstigers waarvan een veel kleiner deel voor de strijd beschikbaar was onder Heinz von Westernhagen
- 1e SS pantserartilleriebataljon van het 1e Regiment met zes voortgetrokken 105 mm-kanonnen onder Ludwig Kalischko
De 3e SS-pantsergeniecompagnie van het 1e SS-bataljon met twee pelotons in halfrupsvoertuigen en twee in vrachtwagens en het 84e Luftwaffeflakbataljon vermoedelijk met 20 mm en 37 mm doelgeschut onder Mayor von Sacken stonden onder rechtstreeks bevel van Joachim Peiper.
Deze strijdmacht werd aangevuld met een SS-pantserbevoorradingscompagnie met bescheiden middelen en een SS-pantseronderhoudsccompagnie met bescheiden middelen
Voorbereiding en doelen
Kampfgruppe Peiper was de speerpunt van de meest noordelijke van de drie assen van de Duitse aanval tijdens het Ardennenoffensief. Peipers strijdmacht werd samengesteld toen hij de opdracht kreeg de Maasbrug bij Hoei te veroveren en door te stoten naar de haven van Antwerpen. De haven was cruciaal voor de bevoorrading van de geallieerde troepen.[5][6][7]
Hij was speciaal door Adolf Hitler geselecteerd om de voorhoede te leiden. Zijn marsroute was ook door de Führer gekozen. De beste wegen waren gereserveerd voor de 1. SS-Panzer-Division Leibstandarte-SS Adolf Hitler. Peiper moest de secundaire wegen gebruiken, die echter onberijdbaar bleken voor de zware voertuigen van zijn Kampfgruppe.[5][6][7] Toen Peiper ervan hoorde, beschreef hij deze als "alleen geschikt voor fietsen en niet voor tanks”. De stafchef van het 6e Pantserleger, Fritz Kraemer, reageerde hierop met: “Het maakt niet uit wat u doet en hoe u het doet. Het enige wat van u wordt gevraagd, is dat u op de derde dag de Maas bereikt, al is het maar met een enkele overgebleven Panzer.”[8] Hitler had de opdracht gegeven de vijand angst aan te jagen met een snelle en genadeloze aanval.[5] Sepp Dietrich bevestigde dit tijdens de rechtszaken.[9]
Toen Peiper zijn te volgen route bekeek zag hij Honsfeld en Baugnez op zijn weg liggen en verderop Ligneuville en Stavelot. Ook Trois-Ponts met zijn bruggen over de Salm en de Amblève beloofden heikele plaatsen te worden. De bruggen moesten intact worden veroverd omdat zijn zwaar materiaal anders niet over de tijdens de winter gezwollen rivieren geraakten. Richting Hoei en de Maas lagen er nog obstakels zoals Werbomont en de Ourthe. En dan lag Antwerpen nog niet onmiddellijk binnen bereik.
Zijn strijdmacht leek op het eerste gezicht indrukwekkend maar was dat verre van. Alle eenheden werden als tweederangs beschouwd. Onder meer het 3e SS pantsergrenadierbataljon van het 2e Regiment was pas op 21 december beschikbaar en had zware verlliezen geleden tijdens gevechten rond Metz en Aken. Het bataljon miste 20 % van zijn mannen en 40% van zijn uitrusting.[10]
Aanval
Lanzerath
Op 14 december 1944 ontmoette Peiper kolonel Wilhelm Mohnke in zijn hoofdkwartier te Tondorf om de situatie te bespreken. Op 16 december 1944 vertrok hij vanaf Tondorf, via het Blankenheimer Wald, noordoostelijk van Dalhem, met zijn strijdmacht richting westen. Om de eerste tegenstand uit te schakelen werd Kampfgruppe Peiper voorafgegaan door de 3e Parachutistendivisie en de 12e Volksgrenadierdivisie, ongeveer 500 man. De 'Losheim Gap' (bres van Losheim), een acht km lange opening aan de westelijke voet van de Sneeuweifel, tussen de linies van het vijfde en het achtste korps van de Amerikanen leek de meeste kans op slagen te bieden.
Een achttien man tellend licht bewapend peloton Inlichtingen en Verkenning, behorend tot het 394e Infanterieregiment slaagde erin om de Duitse opmars met bijna twintig uur te vertragen. Onder leiding van de 20-jarige luitenant Lyle Bouck dreven ze de Duitsers tot driemaal toe terug naar Lanzerath. Gebrek aan munitie deed hen de strijd staken en ze belandden in gevangenschap.[2] De Duitsers bezetten Lanzerath en brachten gewonde Duitsers en Amerikanen onder in de huizen.
Verstoorde plannen
Terwijl de gevechten rond Lanzerath nog bezig waren, wachtte Peiper nog steeds op een doorbraak. Rond 16u kreeg hij het bevel om naar Losheim op te rukken. De wegen waren overvol door voertuigen van de artillerie- en infanteriedivisies en de colonnes bevoorrading. Rond 17u bereikte hij Scheid en de opgeblazen spoorwegbrug die voor kort oponthoud zorgde. Die was door Duitsers vernield toen ze zich weken eerder, na een Amerikaans offensief hadden teruggetrokken achter de Westwall. Peiper leidde zijn troepen via een zandpad over de rails. Omdat de 12e Volksgrenadierdivisie er niet in slaagde een bres te slaan in de Amerikaanse linies bij Losheimergraben moest Peiper noodgedwongen zijn route wijzigen en via Hüllscheid naar Lanzerath op te rukken. Daarbij vielen de eerste slachtoffers toen twee Panthers pal ten westen van Losheim in een Duits mijnenveld terecht kwamen. Een derde ging verloren zuidoostelijk van Merlscheid.

Peiper kwam pas kort voor middernacht in Lanzerath aan. In het voormalige café Scholzen had hij een stevige discussie met Oberst Helmut von Hoffmann, de bevelhebber van het 9e Parachutistenregiment. Lyle Bouck, die met zijn mannen de Duitsers tijdens de slag om de Lanzerathrug bijna een dag had tegengehouden, was hier getuige van. Alhoewel von Hoffmann een hogere rang had, eiste Peiper een verklaring voor de vertragingen. Het bleek dat niemand had uitgezocht of verderop nog tegenstand te verwachten was. Om 4 uur, op 17 december, trok Peiper met twee Panthers vooruit en kon ongestoord doorbreken.[2]
17 december te Honsfeld

De 800 voertuigen van de Kampfgruppe hadden de hele dag nodig om door Lanzerath te trekken. De Duitsers botsten onderweg wel op enkele manschappen van de Amerikaanse 2e Infanteriedivisie aan het station te Buchholz (officieel station Losheimergraben).
De volgende ochtend, nog voor zonsopgang, trokken Peipers mannen in de sneeuwregen naar het noorden. De Duitse colonne bereikte Honsfeld rond zes uur.[11] De Amerikanen hadden in oktober 1944 Honsfeld voor het grootste deel ontruimd. Een aantal van hen trof men slapend aan. Hun antitankgeschut aan de rand van de plaats was niet bemand. Om te voorkomen dat de Duitse voertuigen in het donker hun lichten zouden gebruiken, begeleidden parachutisten hen door met witte zakdoeken te zwaaien.
De voorhoede van halfrupsvoertuigen reed door de plaats, terwijl de achterblijvende troepen op de ramen van de huizen schoten. Vijf Amerikanen kwamen met een witte vlag uit een huis waarvan er vier onmiddellijk werden doodgeschoten terwijl de vijfde, die gewond was, overreden werd door rupsen van een pantservoertuig.[12] Ongeveer vijftien Amerikanen van het 612e tankdestroyerbataljon beantwoordden het vuur en schoten Duitsers op straat neer, maar de Amerikanen, die in de minderheid waren, gaven zich al snel over. Toch waren de GI's erin geslaagd met antitankkanonnen drie stuks Wirbelwind's uit te schakelen en enkele Panthers. De Duitsers legden beslag op zeventien antitankkanonnen en een vijftigtal voertuigen.[13]
De SS-troepen verzamelden hun gevangenen, met hun handen boven hun hoofd, en schoten een aantal neer met machinepistolen. Andere Amerikanen die zich overgaven, werden naar het achterland gestuurd. Twee burgers moesten, om onbekende redenen, de Amerikanen volgen. Ze werden later, bij café Palm in Lanzerath vermoord met een nekschot. De Belg Johann Brodel was een van de slachtoffers.
Pastoor Signon was in de pastorie, om zich te bekommeren om het lot van zieken en stervenden. Signon vond, tot zijn grote ontsteltenis, dat een groep SS'ers zich installeerden in de sacristie van de dikmurige kapel van Honsfeld. Ze toonden geen enkel respect en scheurden misgewaden aan stukken voor praktische doeleinden. Toen raakte plotseling een granaat een nabijgelegen boom. Door de explosie regenden scherpe brokstukken door het raam van de kapel naar binnen. Het bizarre incident voelde als een goddelijke vergelding. Het “doodde een van de ontheiligers”, merkte de dorpspriester op met nauwelijks verholen voldoening, "en rukte de arm van een ander af".
Kerk en huizen van Honsfeld werden geplunderd, voedsel, kostbaarheden en kleding stal men. Parachutisten trokken de laarzen van dode Amerikanen die op straat lagen uit en trokken ze zelf aan. Burgers die zich in de kelder van de kerk hadden verscholen, lieten ze het puin van de straten opruimen. Te vermelden is dat een paar dagen later, nadat de speerpunt van de tanks al lang verdwenen was en de achterblijvende troepen naar het westen waren gemarcheerd, vijf SS-soldaten het huis van André Schröder binnendrongen en riepen dat ze een gids nodig hadden. Een van de volwassenen in de kelder bood zich aan, maar de Duitsers kozen de mooie, 16-jarige Erna Colla. Haar familie zou haar nooit meer terugzien.[14] Het was mei 1945 toen haar lichaam werd gevonden in een schuttersputje bij de weg naar Büllingen. Het meisje was in de rug door zeven kogels geraakt. Wat de SS-soldaten haar verder hadden aangedaan, was onmogelijk vast te stellen.[15]
Siegfried Jäkel, een genist van de 3e SS-Pantsercompagnie, getuigde tijdens het proces van het bloedbad van Malmedy in 1946 dat hij vijftien dode Amerikaanse gevangenen langs de straten in Honsfeld zag liggen. Jäkel verklaarde verder dat hij die dag zoveel executies had gezien, ook van burgers, dat hij zich ieder voorval niet meer kon herinneren.
Büllingen
Op zaterdag 17 december besloot Peiper zijn route te verleggen naar Büllingen. Een oudere man daar, met een armband met hakenkruis, begroette elke passerende tank met een nazi-groet. Vervolgens wees hij de Duitsers waar de vijand hun voorraden had opgeslagen. Peipers mannen namen ongeveer tweehonderd Amerikaanse gevangenen in en rond de stad en dwongen hen te helpen hun voertuigen te tanken met buitgemaakte benzine van de 1121e Geniegroep. SS-soldaten maakten een gewonde G.I. af met een schot in het hoofd. Verder behandelden ze de krijgsgevangenen correct en lieten ze hen naar het achterland gaan.
De overrompeling van de verdedigers kostte het verlies van twee Panzer Mk-IV's. Hauptsturmführer Preuss vergiste zich en nam de noordelijke weg richting Wirtzfeld en bezette een vliegveld, terwijl Untersturmführer Aschendorff en zijn mannen zes verkenningsvliegtuigen vernielden. Hier konden de Duitsers 230.000 liter brandstof buitmaken. Preuss noteerde verschillende verliezen waaronder zijn pelotonscommandanten Oberscharführer Otto en Hauptscharführer Knobloch. Toen het radiocontact werd hersteld werd hij teruggeroepen en keerde terug via Büllingen naar Möderscheid. De voertuigen werden weer gevuld toen ze op een open plein in Büllingen opnieuw brandstof vonden in een kamp dat pas was opgezet door kwartiermakers van de 2e Divisie. In Büllingen nam hij 200 Amerikanen gevangen van wie alleen soldaat Bernard Pappel in koelen bloede werd vermoord.[12][16]Kampfgruppe Knittel trok hier richting Kaiserbaracke, een kruispunt te Recht.
Bloedbad te Baugnez

Kampfgruppe Peiper bereikte Thirimont op 17 december via Schoppen en Ondenval terwijl de compagnie onder Preuss via veldwegen naar de weg tussen Malmédy en Vielsalm reed. De Tigers van Peiper sloten zich pas op het einde van de dag opnieuw bij de Kampfgruppe aan.
In Baugnez voltrok zich wat algemeen als het bloedbad van Malmedy wordt genoemd toen Peiper daar op een afdeling van het 285e Veldartillerie-en-Observatiebataljon stootte, onder leiding van luitenant-kolonel Dave Pergrin. Peiper stelde later categorisch dat hij niet gezien had dat er gevangenen werden doodgeschoten. Hij vervolgde met zijn Spitze de weg naar Ligneuville. Cijfers over gedode en ontsnapte Amerikanen variëren volgens de geraadpleegde bronnen. David Cooke en Wayne Evans spreken in hun boek Kampfgruppe Peiper - De Wedloop naar de Maas over 67 gedode van de 113 aanwezigen en van 46 die het overleefden waarvan er vier later overleden. De meeste bronnen houden het bij 84 vermoorde Amerikanen. Ted Paluch was een van de overlevenden.
Ook over de reden waarom de schietpartij begon lopen de meningen uiteen. De eerder vermelde Siegfried Jäkel die eerder in Honsfeld en Büllingen gevangenen had beschoten gaf toe dat hij in Baugnez had meegedaan en gevangenen had beschoten. Uit verklaringen van andere SS'ers bleek duidelijk dat het ombrengen van de Amerikanen op voorhand was beraamd.
Ligneuville
Peiper had van een gevangene gehoord dat het hoofdkwartier van de 49e Luchtdoelartillerie onder brigadier-generaal Edward Timberlake in Ligneuville was. Zijn troepen ondervonden tegenstand toen ze de brug over de Amblève, net ten zuiden van Bellevaux wilden gebruiken.
Toen Peiper op 17 december in de namiddag in Ligneuville arriveerde had de gewaarschuwde Timberlake zijn hoofdkwartier in het hôtel du Moulin al verlaten. In Ligneuville ondervond de Kampfgruppe voor het eerst stevig verzet van Amerikaanse tanks. Een fel gevecht resulteerde in het verlies van een Panther en twee brandende halfrupsvoertuigen en aan de andere zijde twee Shermans en een M-10 tankjager.
De Amerikaanse gevangenen werden door de hoofdstraat van Ligneuville geleid. Acht van hen moesten een graf graven voor de drie gesneuvelde Duitsers. Nadien werden ze in een rij geplaatst en neergeschoten. Mevrouw Lochem, een boerin uit Ligneuville, zag de moordpartij. Korporaal Joseph P. Mass overleefde het.[17] Hij hield zich stil en wachtte tot de duisternis inviel en verschool zich in een bos. Hij kreeg hulp van een Belg maar werd later toch opgepakt. De veertien andere Amerikaanse gevangenen overleefden het dankzij Peter Rupp, de eigenaar van het hôtel du Moulin die de Duitsers trakteerde met cognac en wijn zodat ze hun bevel van een SS-officier vergaten om die gevangenen ook om te brengen. Peiper was geen getuige van de executies; hij had Ligneuville al verlaten, op weg naar Stavelot. Eenheden van zijn gevechtsgroep bleven kilomets achter door verkeersopstoppingen en gevechten bij Waimes en Faymonville. [2]
Hôtel du Moulin te Ligneuville
Monument voor de US 9th Armoured Division
Vermoorde soldaten in Ligneuville
Stavelot
Burgers in Stavelot zagen op 17 december Amerikaanse troepen en voertuigen in allerhaast naar het westen vluchten. Velen van hen pakten hun waardevolle spullen bijeen en vluchtten, bang als ze waren voor Duitse wraak na acties van het verzet en de represailles in september. Mannen en vrouwen waren in het nabijgelegen Werbomont door Duitsers en Russische hulptroepen vermoord. Amerikanen verboden alle burgerverkeer om chaos op de wegen te vermijden. Gelukkig liet Peiper zijn mannen halt houden voor Stavelot. De hoofdweg liep langs een steile heuvel waardoor zijn tanks niet konden manoeuvreren en de Amerikanen hun antitankkanonnen makkelijker konden richten.Toch poogde hij met panzergrenadiers de stad binnen te vallen maar na het verlies van dertig man gaf hij die poging op. Hij bleef wel de stad bestoken met mortier- en artillerievuur. Peiper besloot dan om een paar tanks om ten zuiden van Stavelot een weg te vinden om de Salm bij Trois-Ponts over te steken. De Amerikanen verhinderen dat met een omzichtig offensief dat de Duitsers in de flank trof. Peiper zag in de verte de lichten van Amerikaanse voertuigen die in de avond van 17 december naar het westen ontsnapten.[18]
Generaal Courtney Hodges was bezorgd om de doorstoot van Peiper naar Stavelot en stuurde versterkingen. Die vormden in de morgen van 18 december geen bedreiging voor Peiper die met zijn Kampfgruppe ten zuiden van Stavelot stond. Hier stond hij, hemelsbreed gemeten, op 40 km van zijn doel: de Maas. Het plan was om via de oude stenen brug de noordelijke oever van de Amblève te bereiken en dan linksaf te slaan, op weg naar Trois-Ponts. Peipers zorg was de brug intact terug te vinden. Zijn poging de vorige dag, om ze over te steken had hevige weerstand uitgelokt. En de gezwollen rivier was te breed en de stroming te sterk voor zijn tanks. Die rolden de helling af en vernietigden twee antitankvoertuigen. Amerikaanse infanteristen vluchtten in westelijke richting weg over de brug. Het Duits bombardement gaf dekking toen de 11e SS-Panzergrenadiercompagnie onder Heinze Tomhardt de brug overstak. De Amerikanen hadden er niet aan gedacht om explosieven aan te brengen en ze op te blazen. Stavelot werd verdedigd door een compagnie infanterie en een sectie antitankvoertuigen onder leiding van majoor Paul J. Sollis.
In het centrum van de stad kregen de Duitsers te maken met vuur uit bazooka's. De voorste tank raakte beschadigd en ramde een huis. Antitankkanonnen op het marktplein schakelden twee andere tanks uit. Peiper geraakte niet verder dan de Place Saint-Remacle en liet zijn hoofdmacht dan in westelijke richting oprukken. Sollis' troepen vernietigden nog twee Duitse tanks en deed de Duitsers opnieuw enkele uren tijd verliezen. Terwijl de twee overgebleven Amerikaanse tankvoertuigen naar Malmedy uitweken trok Sollis met zijn infanterie naar het noorden. Onderweg vertelde een Belgische officier, luitenant Detroz hem dat er dertien miljoen liter brandstof langs de wegen achter hem lagen opgeslagen. Blikken benzine die bij nadering van op verkenning gestuurde Panthers in brand werden gestoken deden hen terugkeren naar Stavelot. Peiper had de kans gemist om voldoende benzine in te slaan om tot ver voorbij de Maas te geraken. Om half twaalf rukte hij op naar Trois-Ponts.[19][10]
Stavelot in 1944 met de brug over de Amblève en links een Königstiger
U.S. Monument te Stavelot
Courtney Hodges
Oorlogsmonument te Stavelot
September en december 1944
Trois-Ponts
In deze plaats vloeit de Amblève samen met de Salm. Als Peiper over de bruggen op de hoofdweg door Trois-Ponts kon geraken was er geen enkel obstakel meer tot aan de Maas.
Trois-Ponts werd verdedigd door de 51ste Geniecompagnie onder leiding van majoor Robert Yates die op 17 december rond middernacht was aangekomen. Yates gaf de opdracht op de burg over de Amblève klaar te maken voor vernietiging. Ze kregen versterking van eenheden van het 526th Armored Infantry Battalion die uit Stavelot waren verdreven.
Op 18 december, omstreeks 12.30 uur naderden de eerste Duitse tanks die werden tegengehouden door twee mannen die een Daisy chain (een rij ingegraven mijnen) voor de voorste tank trokken. Mannen van een sectie van Compagnie B van het 526th Armored Infantry Battalion, onder leiding van kapitein Robert Jewett, openden het vuur. Het 57 mm-kanon dat ze gebruikten, was geïnstalleerd tussen de brug bij het gehucht Petit Spay en de viaducten bij de ingang van Trois-Ponts aan de oostelijke toegang tot de stad. Hoewel er acht tanks zichtbaar waren, raakten de mannen niet in paniek en bemanden ze het 57 mm antitankkanon, met als resultaat dat de voorste tank en mogelijk ook de tweede tank onklaar werden gemaakt. Een voltreffer op het Amerikaans kanon leidde tot de vernietiging ervan en de dood van de bemanning (Donald Hollenbeck, Dallas Buchanan, Lillard McCollum en James Higgins).
De tegenstand in Trois-Ponts verplichtte de Kampfgruppe rond half twaalf om naar het noordoosten op te rukken, richting La Gleize en Stoumont. Een kleine groep van Peipers mannen gingen zuidwaarts, naar de opgeblazen brug, en sleepten burgers uit hun huizen naar de oever van de Amblève. Terwijl familieleden vanop de andere oever toekeken, werden 22 mannen, vrouwen en kinderen vermoord.[20][21]
Viaduct op de N68 met het gedenkteken voor de Amerikanen
Gedenkteken voor de Amerikanen
Tekst op het monument
Monument aan de brug over de Amblève voor de burgerslachtoffers te Trois-Ponts
Burgerslachtoffers in Trois-Ponts in december 1944
Monceau en Cheneux
Rond 13.15 uur op 18 december vertrok een kleine groep burgers van Monceau naar La Gleize. Aan de zuidkant van de brug over de Amblève zag men het silhouet van een tank. Een lid van het verzet die plots opdook vanuit de richting van Cheneux verzekerde hen dat de tank een Amerikaanse ster op de zijkant had en het veilig was om de brug over te steken. Het was een Duitse Panther die deel uitmaakte van de Operatie Greif en het vuur opende waarbij een dame uit Monceau omkwam en drie anderen werden verwond.
Rond 14.00 uur kwam de colonne van Joachim Peiper in het zicht van Amerikaanse vliegtuigen waarbij zestien P-47's de colonne van Peiper beschoten. De colonne, die zich uitstrekte van Stavelot tot de brug van Cheneux, werd zwaar getroffen. Peiper verstopte zich in de kleine bunker aan de andere kant van het huis van Dumont. Eerder, aan de andere kant van de brug, raakte een bom het huis van Dumont waarbij de twee bewoners, Jules Dumont en zijn vrouw Maria Goffinet, om het leven kwamen.
Een nabijgelegen Duitse tank werd door de kracht van de explosie onbruikbaar en blokkeerde de weg voor de achteropkomende voertuigen. Sommige voertuigen sloegen af richting Le Moulin. Verschillende voertuigen in het konvooi werden geraakt op weg naar de brug over de Amblève. De Duitsers verlieten de voertuigen en renden naar de velden aan de rand van de rivier. Sommigen van hen verdronken bij een poging de rivier over te steken.[22]
Huis Dumont in 1944
Huis Dumont in 2025
Bunker waarin Peiper schuilde bij de luchtaanval
Na de gevechten in het dorp
Bombardement van de P47'ers
Een vernielde Panther bij de brug over de Amblève te Cheneux
Stoumont
In Stoumont leverden de opponenten slag van 19 tot 22 december 1944. Alhoewel de Kampfgruppe slechts op 16 km afstand van Spa was, had Peiper hier niet de minste belangstelling voor. Daar bevond zich nochtans het hoofdkwartier van het 1e Leger van generaal Hodges waarvan het grootste deel Spa had verlaten, benauwd door de nadering van de Duitsers. Toen een verbindingsvliegtuig uit Spa Peipers colonne zag en die een aanval van jachtbommenwerpers van het IXe Tactische Luchtcommando veroorzaakte, verloor Peiper nog eens tien van zijn voertuigen. Toch zette hij door naar Stoumont. Hij hoopte die zondagavond 18 december de Maas te bereiken. Hij sprak zijn mannen moed in en al spoedig praatten ze over Antwerpen, Parijs en Londen.
In Stoumont versloeg de Kampfgruppe een Amerikaans bataljon van de 30e Divisie met tien ondersteunende tanks. Vluchtende Amerikanen die van de heuvel af liepen, riepen dat massa's tanks naar het westen stormden. Het 740e Tankbataljon onder leiding van kapitein James D. Berry hoorde van de doorbraak en trok met veertien opgelapte tanks (Shermans en een M36) naar het spoorwegstation van Stoumont. Berry wist niet of de kanonnen van zijn tanks hersteld waren want tijd om ze te testen was er niet geweest. Amerikaanse tankbemanningen op de terugtocht schreeuwden dat ze zonder brandstof en munitie zaten. Luitenant Powers met vijf tanks, die Berry's voorhoede vormde, kreeg in een bocht in de weg een Panther in het vizier. Zijn eerste granaat doodde de bestuurder en de voorste mitrailleurschutter en de tank vloog in brand. Toen een Tiger naderde was het de M36 die met zijn 90 mm kanon de Tiger vernietigde. Powers zag de kans om de kanonloop van een Panther te vernielen. Toen die tank zich terugtrok incasseerde de tank een voltreffer. De Duitsers hadden er genoeg van en onder dekking van de mist draaiden ze hun voertuigen en raasden ze de heuvel van Stoumont op.
Wat Peiper niet wist was dat zijn Kampfgruppe afgesneden was, aangezien zijn troepen in Stavelot door de Amerikaanse 30e Divisie naar de andere zijde van de Amblève waren teruggeworpen. Daardoor ontbrak de bevoorrading met voedsel, brandstof en munitie.
Gevecht om het sanatorium

In het sanatorium Saint-Edouard zaten in de kelders tweehonderd doodsbange kinderen verscholen, terwijl twee paters, en nonnen met enorme witte kappen en een vijftigtal volwassen Belgen zich over hen ontfermden. Soldaten schreeuwden en gilden, granaten sloegen in en mitrailleurs ratelden. Pater Hanlet en de kinderen reageerden opgelucht toen een Amerikaanse soldaat op de trap verscheen. De G.I.'s installeerden zich op de benedenverdieping terwijl de nonnen hen koffie brachten. Niet veel later kwam het sanatorium onder vuur van Duitse tanks, onderdeel van de terugtrekkende Kampfgruppe Peiper. De Amerikanen zochten dekking in de intussen propvolle kelder. Duitsers die de kelder binnenstormden fouilleerden de G.I.'s en sloegen hun wapens stuk. Tweeëndertig Amerikanen werden afgevoerd naar de nabijgelegen bakkerij.
Brigadegeneraal William Harrison had intussen het bevel over de troepen die Stoumont steeds meer insloten. Hij verving de regimentscommandant die de dag voordien verantwoordelijk was voor de ongedisciplineerde terugtocht vanuit Stoumont. Hij gaf majoor Hal McCown van de 30e Divisie de opdracht om naar het noorden op te rukken en de hoofdweg ten oosten van Stoumont te blokkeren. Twee bataljons met tanks zouden vanaf het westen een schijnaanval uitvoeren. In de vroege namiddag van 21 december had McCown zijn opdracht al uitgevoerd. Het leek hem verstandig om de andere bataljons over zijn positie in te lichten zodat ze elkaar niet zouden bekampen. Toen hij samen met twee soldaten een helling opliep, kwam er een Duitse soldaat te voorschijn die hij kon uitschakelen. Toen een aantal Duitsers op minder dan 50 passen opdoken, belandde McCown in gevangenschap. Hij werd naar de kelder van het hoofdkwartier van Joachim Peiper te Stoumont[23] gebracht en door hem urenlang ondervraagd (hij was getuige tijdens de rechtszaak tegen Peiper in 1946).[24] McCown slaagde erin om van Peiper de belofte te krijgen om de 131 Amerikaanse gevangenen in La Gleize te behandelen zoals voorzien in de Geneefse conventies. In de kelder van het gemeentehuis van La Gleize zaten 1e luitenant Scott Youmans en vier andere Amerikaanse officieren gevangen.[25]
Peiper realiseerde zich dat, als hij Stoumont zou verliezen, zijn enige optie de terugtocht naar La Gleize was. Het sanatorium was intussen teruggebracht tot een geraamte, ook beschoten door tanks en een 155 mm kanon maar ondanks alles bleef de Kampfgruppe weerstand bieden. Ook vanaf het noorden werden ze beschoten, door G.I.'s van het 704e Tankbataljon en van de 30e Divisie die een knuppelpad hadden aangelegd van de hoofdweg naar een steil talud tot achter het sanatorium. Een Amerikaans antitankvoertuig op 150 m afstand nam het sanatorium onder vuur met 240 brisantgranaten. Een granaat die zich in het plafond van de kelder van het sanatorium had geboord, ontplofte niet. Later bleek dat iedereen in de kelder de gevechten had overleefd.Een Duits kanon in de hal op de benedenverdieping riposteerde een uur lang. Toen werd het stil in het gebouw met alleen nog mensen in de kelder. Twintig overgebleven SS'ers waren naar het oostelijk gelegen La Gleize gevlucht.
De volgende ochtend, na hernieuwde beschietingen, besloten de mensen in de kelder om met een witte vlag naar buiten te gaan. Toen het buiten weer stil werd bond men een tafellaken aan een gordijnroe. Een lichtgewonde Amerikaanse soldaat nam de vlag en ging naar een hoger gelegen verdieping. Even later stoof een opgewonden dorpeling de kelder binnen en zei dat de soldaten twee zusters of twee burgers als parlementairen wilden. Men wist niet of het Amerikaanse of Duitse soldaten waren maar een non holde de trap op, gevolgd door twee mannen uit Stoumont. Toen de kelderdeur zich opende, stond daar een Amerikaanse officier. Pater Hanlet leidde de kinderen uit de kelder, doorheen het verwoest sanatorium, langs dode Amerikanen en Duitsers. Van de 250 kinderen en vluchtelingen had niet een een schram opgelopen. Het gevecht om Stoumont was afgelopen, de enige positieve noot voor de troepen van Matthew Ridgway en zijn 82e Luchtlandingsdivisie.[19]
La Gleize


Ridgway ging naar het kasteel van Froidcour, tussen Stoumont en La Gleize, en ontmoette er William Harrison die hem snel de situatie schetste. Een houwitzer en een 155 mm kanon vuurden vanaf het kasteel richting La Gleize. Peiper en zijn mannen geraakten op 22 december in een hopeloze situatie.
Een dag later pas, op 23 december rond 17u ontving Peiper, na veel tegenstand van zijn hoofdkwartier de toelating om zich terug te trekken. In La Gleize, op 23 december 1944, verzamelden zijn troepen zich op het dorpsplein. McCowen werd uit de kelder gehaald en ingelicht over de terugtocht. Peiper hield woord en liet de 130 Amerikaanse krijgsgevangenen ongemoeid. Alle voertuigen liet men bij de boerderij Wérimont achter omwille van gebrek aan munitie en brandstof.
Vanaf La Gleize werd de terugtocht op 24 december om 2u naar veiliger oorden aangevat, telkens tijdens de nachtelijke uren. Peiper met enkele van zijn stafofficieren had de groep verlaten. De Kampfgruppe trok onder leiding van een jonge kapitein de Amblève bij La Gleize over via een brug bij de spoorwegviaduct die de N633 overspant. Men schuilde die nacht in Bois de Stalons. Ze trokken later door de linie van het Amerikaanse 505e Parachutisentinfanterieregiment van de 82e Luchtlandingsdivisie en bereikten op 25 december rond 3 u Wanne bij Trois-Ponts, toen nog Duits bezet gebied. McCowen kon tijdens een vuurgevecht aan de aandacht van zijn bewakers ontsnappen. Nadat hij een tijd op de grond roerloos had gelegen, kroop hij in de richting van het Amerikaans vuur. Toen hij in die richting begon te lopen, floot hij een bekend Amerikaans liedje. Even later was hij in veiligheid.
Over het aantal voertuigen dat Peiper achterliet in La Gleize geven historici verschillende aantallen. Het zouden er meer dan 100 zijn geweest. Deze bron[26] vermeldt achttien Panthers, zeven Panzer IV , zes Königstigers en 53 rupsvoertuigen. Alleszins is de Königstiger bij het museum in La Gleize een tank die hier werd uitgeschakeld. Tijdens de gevechten verloor ze een stuk van de kanonloop. Die werd na de oorlog hersteld met een stuk van de loop van een Panther. Het exemplaar dat hier bewaard is werd na de oorlog van verschroting ten behoeve van de Luikse hoogovens gered. Mevrouw Jenny Geenen-Dewez bood de Amerikanen die dit slagveld opruimden een fles cognac om deze tank hier achter te laten als herinnering aan de gevechten.[27][28]
Peipers lot
In februari 1945 vocht Joachim Peiper nog in Hongarije om zich later met de 1. SS-Panzer-Division Leibstandarte-SS Adolf Hitler terug te trekken naar Oostenrijk. Zijn eenheid kreeg het order op 8 mei 1945 om zich over te geven aan de Amerikanen. Op 21 augustus werd hij gevangengenomen en van 16 mei tot 16 juli 1946 verscheen hij als beschuldigde op het proces van het bloedbad van Malmedy. Hier werd hij ter dood veroordeeld, een straf die later werd omgezet in een gevangenisstraf. In 1956 kwam hij vrij. In 1976 herkende Paul Cacheux, een verzetsstrijder, hem in Vesoul toen Peiper daar een aankoop deed.[29]
Uiteindelijk vermoordden Franse verzetsstrijders hem in de nacht van 13 op 14 juli 1976 in zijn huis in Traves in omstandigheden die nooit volledig zijn uitgeklaard.
Externe links
- ↑ (en) Hymel, Kevin H., Joachim Peiper’s Bloody Blitz Through Belgium. Fall 2019. Warfare History (2019). Geraadpleegd op 9 september 2025.
- 1 2 3 4 David Cooke - Wayne Evans (2016). Kampfgruppe Peiper - De wedloop naar de Maas. Just Publishers BV, p. 1-248. ISBN 978-9-0-8975-0372.
- ↑ Schrijvers, Peter (2014). Bastogne - De grootste slag om de Ardennen. Manteau, p. 1-259. ISBN 978-9-0-223 3-0005.
- ↑ Tucker-Jones, Anthony (2022). Hitlers Winter. Just Publishers, p. 16. ISBN 97890 8975 874 0.
- 1 2 3 Charles MacDonald (1984). A Time For Trumpets: The Untold Story of the Battle of the Bulge. Bantam Books, ISBN 0-553-34226-6.
- 1 2 United States Army in World War II, The European Theater of Operations, The Ardennes: Battle of, by Hugh M. Cole - Office of the Chief of Military History, Department of the Army, Washington, D.C., 1965 pp. 260 and fol. –
- 1 2 Ardennes 1944-1945, Guide du champ de bataille, Émile Engels, histoire, Ed. Racine, Bruxelles, 1994
- ↑ Westemeier, Jens (2007). Joachim Peiper: a biography of Himmler's SS commander. Schiffer Military History, Atglen, PA. ISBN 978-0-7643-2659-2.
- ↑ Malmedy Massacre, Richard Gallagher, Paperback Library, 1964, p. 110-111
- 1 2 Tucker-Jones, Anthony (2022). Hitlers Winter. Just Publishers, p. 126-137. ISBN 97890 8975 974 0.
- ↑ https://tankdestroyer.net/images/2010/05/612th-TERROR-AT-HONSFELD-by-Don-Smart.pdf
- 1 2 Parker, Danny. Het Bloedbad van Malmedy. BBNC, p. 85. ISBN 978 90 4531 3511.
- ↑ (fr) L'avancée de Honsfeld et atrocités commises. www.liberationroute.com. Geraadpleegd op 11 september 2025.
- ↑ (en) Joachim Peiper’s Bloody Blitz Through Belgium. Warfare History Network. Geraadpleegd op 22 september 2025.
- ↑ https://bel-memorial.org/books/the-unknown-dead-civilians-in-the-battle-of-the-bulge.pdf
- ↑ PVT Bernard A. Pappel Jr. (1924-1944) - Find a.... nl.findagrave.com. Geraadpleegd op 9 september 2025.
- ↑ Joseph Paul “Joe” Mass (1912-1998) - Find a.... nl.findagrave.com. Geraadpleegd op 22 september 2025.
- ↑ Beevor, Antony (2016). Het Ardennenoffensief. Ambo Anthos, p. 155-156. ISBN 978 90 263 2783 4.
- 1 2 Toland, John (2009). Het Ardennenoffensief. JUST Publishers, p. 34-73. ISBN 97890 8975 1256.
- ↑ Monument Details. www.uswarmemorials.org. Geraadpleegd op 27 september 2025.
- ↑ (en) Jr), Doc Snafu (aka Gunter G. Gillot, European Center Of Military History (EUCMH) 526th Armored Infantry Battalion (T Force) December 1944 (20 maart 2021). Geraadpleegd op 27 september 2025.
- ↑ story pol servais. The Battle of the Bulge. Geraadpleegd op 27 september 2025.
- ↑ (en) Hoofdkwartier Kampfgruppe Peiper - La Gleize (Stoumont) - TracesOfWar.nl. www.tracesofwar.nl. Geraadpleegd op 1 oktober 2025.
- ↑ McCown, Hal Dale. | WW2 Gravestone. ww2gravestone.com. Geraadpleegd op 1 oktober 2025.
- ↑ La Gleize. www.reddit.com. Geraadpleegd op 1 oktober 2025.
- ↑ Slag om de Ardennen - 24 december 1944 - De slag bij Stoumont-La Gleize. www.belgiumwwii.be. Geraadpleegd op 4 oktober 2025.
- ↑ Michael Reynolds, Devil’s Adjutant: Jochen Peiper, Panzer Leader, 238.
- ↑ (en) Tiger II Tank La Gleize - La Gleize (Stoumont) - TracesOfWar.nl. www.tracesofwar.nl. Geraadpleegd op 29 augustus 2025.
- ↑ Georges Arnaud et Roger Kahane, Paris, Le Livre de Poche, 1er novembre 1979, 222 p., (ISBN 2-253-02241-1, 978-2253022411)