Vierde Koerlandslag

Vierde Koerlandslag
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog, Slag om Koerland
Vierde Koerlandslag
Datum 24 januari – 3 februari 1945
Locatie Koerland, Letland
Resultaat Onbeslist
Strijdende partijen
Sovjet-Unie Duitsland
Leiders en commandanten
Ivan C. Bagramjan
Andrej I. Jerjomenko
Heinrich von Vietinghoff
Lothar Rendulic

Het Vierde Koerlandslag was een militaire veldslag tussen het Rode Leger en de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog in het gebied Koerland in Letland. Hier speelde zich van 15 oktober 1944 tot 9 mei 1945 de Slag om Koerland af. De offensieven van de Sovjettroepen verdeelden zich over zes slagen, genaamd de Eerste t/m Zesde Koerlandslag.

Inleiding

Het Rode Leger had op 5 oktober 1944 in het het Memeloffensief (deel van de Baltische operatie) Heeresgruppe Nord geïsoleerd in Koerland. Het Duitse 18e Leger en het 16e Leger waren samen ingesloten.

Aan de andere zijde lagen twee Sovjet fronten, het 1e en het 2e Baltische Front. In de Eerste, Tweede en Derde Koerlandslag hadden beide fronten vergeefs geprobeerd het Duitse Koerland bruggenhoofd op te rollen. Aangezien het Rode Leger intussen in Polen en Oost-Pruisen vol in het offensief was gegaan, was het zaak zoveel mogelijk Duitse troepen te binden. Hiervoor werd daarom eind januari 1945 de Vierde Koeslandslag opgezet. Natuurlijk was ook de bedoeling om, indien mogelijk, het Duitse bruggenhoofd geheel te elimineren. Wel waren aan Sovjetzijde aanmerkelijk minder troepen beschikbaar, omdat vele eenheden weggehaald waren voor eerder genoemde offensieven.

Slagorde in geheel Koerland

Rode Leger 23 januari 1944

Generaal Ivan Bagramjan leidde het 1e Baltische Front
  • 1e Baltische Front – Legergeneraal Ivan C. Bagramjan
    • direct onder bevel
      • 3e Garde Gemechaniseerde Korps
    • 4e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Pjotr F. Malysjev
      • 14e, 19e en 92e Infanteriekorps
    • 6e Gardeleger – Kolonel-generaal Ivan M. Tsjistjakov
      • 2e, 22e en 23e Garde Infanteriekorps, 84e Infanteriekorps
    • 51e Leger – Luitenant-generaal Jakov G. Krejtser
      • 1e Garde Infanteriekorps, 1e, 10e en 63e Infanteriekorps
  • 2e Baltische Front – Legergeneraal Andrej I. Jerjomenko
    • direct onder bevel
      • 19e Tankkorps
    • 10e Gardeleger – Kolonel-generaal Michaïl I. Kazakov
      • 7e, 14e, 15e en 19e Garde Infanteriekorps
    • 22e Leger – Luitenant-generaal Gennadi P. Korotkov
      • 93e, 100e en 130e (Letse) Infanteriekorps
    • 42e Leger – Luitenant-generaal Vladimir P. Sviridov
      • 83e, 110e en 123e Infanteriekorps
    • 1e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Vladimir N. Razoevajev
      • 112e en 119e Infanteriekorps

Wehrmacht 24 januari 1945

Generaloberst Lothar Rendulic leidde Heeresgruppe Kurland vanaf 27 januari 1945

Verloop van de strijd

Natuurlijk waren er geen pauzes tussen de grote veldslagen. Er was nooit echte "rust" aan het Koerlandfront. Bijvoorbeeld, het VI SS Korps: In de eerste week van januari 1945 was het nog steeds verwikkeld in zware verdedigingsgevechten met de tegenstanders in een 10 km breed frontgedeelte. Pas op 6 januari namen de gevechten af – de Sovjets staakten hun offensieve pogingen. Dit soort gevechten gingen ook door op de andere brandpunten van het front - van Liepāja (Duits, historisch: Libau) tot Tukums - zij het zonder beslissende betekenis voor de strijd.

Op 25 januari 1945 werd Heeresgruppe Nord hernoemd tot Heeresgruppe Kurland (in een reeks van legergroep-omdopingen) en twee dagen later, vanaf 27 januari 1945 kreeg de legergroep met Generaloberst Lothar Rendulic een nieuwe bevelhebber.

Over een frontlengte van 120 km opende de Sovjetartillerie het begin van de Vierde Koerlandslag op 24 januari 1945 met korte maar zware slagen. Tussen Liepāja en Saldus (Duits: Frauenburg) vielen de Sovjets met sterke luchtsteun het 18e Leger aan. Met name de 30e Infanteriedivisie en de 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland kregen de volle aanval over zich heen. Op verschillende plaatsen slaagden de Sovjettroepen erin de Duitse hoofdlinie tot een diepte van vier kilometer te doorbreken. Onmiddellijke tegenaanvallen brachten enige verlichting, maar konden de gevaarlijke situatie niet veel verbeteren. Soldaten van de achterhoede werden gewaarschuwd om de gaten op te vullen. De verbinding tussen de divisies mocht niet worden verbroken. Tegelijkertijd werd de 14e Pantserdivisie in beweging gezet. Hun voertuigen werden geladen met wapens, uitrusting en soldaten, en werden naar het dichtbeboste gebied ten zuiden van Priekule gestuurd om samen met de Tiger-tanks van de Schwere Panzer-Abteilung 510 een tegenaanval uit te voeren. Met de inzet van alle beschikbare gevechtsgroepen slaagde het 18e Leger erin een doorlopende frontlinie te vormen in het sector Audavi - Bārta - Priekule – Skuodas en deze voorlopig te behouden. De grenadiers op de grond kregen - zij het slechts zeer beperkt - hulp van de jachtpiloten van Jagdgeschwader 54.

De Sovjetlegergroep 1e Baltische Front werd eind januari 1945 gereorganiseerd. Ondersteund door dagenlang artillerievuur vielen de Sovjets vervolgens de Duitse posities voor de Vārtāja aan. De Sovjettanks rukten op door de Duitse linies naar de hooglanden voor het riviergedeelte. Als gevolg hiervan brak begin februari 1945 hevige gevechten uit om Audāji. Het 18e Leger verzamelde opnieuw alle beschikbare gevechtsgroepen om deze in te zetten op de bedreigde delen van het front. Desondanks slaagden de Sovjet-infanterie- en tankeenheden erin om ten noorden van Priekule voorbij te rukken en twee bruggenhoofden over de Vārtāja te vormen. Uiteindelijk slaagden de 121e en 126e Infanteriedivisies er echter in de Sovjetformaties daar tot staan te brengen.

Al eind januari 1945 moest het opperbevel van het Rode Leger erkennen dat de geplande doorbraak naar Liepāja niet langer kon worden gerealiseerd. Dus werd het zwaartepunt verder naar rechts verplaatst, richting het 16e Leger. Een opmars op Saldus moest de twee Duitse legers van elkaar scheiden, en een verdere opmars naar het westen zou de weg vrijmaken voor de verovering van Liepāja. Dit is tot nu toe het belangrijkste doelwit van alle Sovjetaanvallen geweest. Als Liepāja met zijn belangrijke haven verloren was gegaan, zou dit het einde van Heeresgroep Kurland hebben betekend.

In de laatste week van januari 1945 nam de geconcentreerde Sovjetmacht van het 2e Baltische Front het op tegen het 16e Leger. Vanaf 28 januari 1945 nam de strijd ten zuiden van Saldus toe in hevigheid. In het centrum van dit nieuwe Sovjetoffensief, grotendeels uitgevoerd door het 10e Gardeleger stonden de Duitse 122e, 205e, 215e en 329e Infanteriedivisies. Deze divisies boden echter sterke tegenstand en vernietigden tientallen tanks. Ook kwamen delen van de 12e Pantserdivisie in actie met tegenaanvallen. Verder langs de linie moest de 81e Infanteriedivisie nog een Sovjetaanval en doorbraak zuidelijk van Tukums elimineren. Op 3 februari ebden de Sovjet-offensieve inspanningen abrupt af. De artillerie aan beide zijden stopte ook geleidelijk met vuren. De Vierde Koerlandslag kwam ten einde.

Het 18e Leger, dat zich op de rechtervleugel van het ongeveer 240 km lange Koerlandfront bevond, begon zich nu te hergroeperen. Het III (Germaanse) SS Pantserkorps met zijn ondergeschikte eenheden werd teruggetrokken en overgeplaatst naar Duitsland. Tegelijkertijd werd het 50e Legerkorps overgeplaatst van het 16e naar het 18e Leger en nam vanaf dat moment het bevel over de eenheden rond Priekule over. De versterkte 87e Infanteriedivisie, gelegen ten zuiden van Liepāja, werd toegewezen aan het 10e Legerkorps en nam de verdedigingsposities tot aan de Baltische kust over. Ook het Rode Leger trok eenheden weg voor de strijd aan de Oder en in Oost-Pruisen.

Nasleep en verliezen

In totaal bedroegen de verliezen van deze vierde slag aan Duitse zijde meer dan 13.000 man (gedood, vermist en gewond). Aan Sovjetzijde was dit aantal (volgens Duitse bronnen) meer dan drie keer zo hoog met 45.000 man verliezen plus 541 tanks. Eind januari werd het III (Germaanse) SS Pantserkorps met zijn eenheden per schip naar Duitsland overgebracht, alsmede de 215e en 281e Infanteriedivisies.