Eerste Koerlandslag

Eerste Koerlandslag
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog, Slag om Koerland
Eerste Koerlandslag
Datum 15 – 24 oktober 1944
Locatie Koerland, Letland
Resultaat Onbeslist
Strijdende partijen
Sovjet-Unie Duitsland
Leiders en commandanten
Ivan C. Bagramjan
Andrej I. Jerjomenko
Ivan I. Maslennikov
Ferdinand Schörner

Het Eerste Koerlandslag was een militaire veldslag tussen het Rode Leger en de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog in het gebied Koerland in Letland. Hier speelde zich van 15 oktober 1944 tot 9 mei 1945 de Slag om Koerland af. De offensieven van de Sovjettroepen verdeelden zich over zes slagen, genaamd de Eerste t/m Zesde Koerlandslag.

Inleiding

Op 22 juni 1944 lanceerde het Rode Leger het Wit-Russische Strategische Offensief, met de codenaam Operatie Bagration. Het doel van dit offensief was de bevrijding van Wit-Rusland. In de laatste fases van het offensief stootten de Sovjettroepen door tot aan de Oostzeekust, daarbij sneden ze de verbinding door tussen Heeresgruppe Nord en de overblijfselen van Heeresgruppe Mitte. Duitse troepen slaagden erin de verbinding tussen beide legergroepen te herstellen tijdens Operatie Doppelkopf. Het Rode Leger lanceerde op 5 oktober 1944 het Memeloffensief (deel van de Baltische operatie) met het doel Heeresgruppe Nord te isoleren door de Oostzeekust te bereiken, hetgeen op 10 oktober 1944 lukte. Intussen waren de Sovjets ook door Estland naar Riga opgerukt en was deze stad op 13 oktober gevallen. Daarmee waren het 18e Leger en het 16e Leger samen ingesloten in Koerland. Adolf Hitler gaf geen toestemming om deze twee legers te evacueren, en daarmee moesten ze zich ingraven en ter verdediging inrichten.

Aan de andere zijde lagen drie Sovjet fronten, het 1e, 2e, en 3e Baltische Front. Die laatste zou echter weldra opgeheven worden. De twee eerste fronten wilden proberen vanuit de beweging het Duitse Koerland bruggenhoofd op te gaan rollen. Dit zou later de Eerste Koerlandslag gaan heten.

Slagorde in geheel Koerland

Rode Leger 1 oktober 1944

Generaal Ivan Bagramjan leidde het 1e Baltische Front
  • 1e Baltische Front – Legergeneraal Ivan C. Bagramjan
    • direct onder bevel
      • 3e Garde Gemechaniseerde Korps
    • 4e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Pjotr F. Malysjev
      • 14e, 83e en 84e Infanteriekorps
    • 6e Gardeleger – Kolonel-generaal Ivan M. Tsjistjakov
      • 19e Tankkorps, 2e, 22e en 23e Garde Infanteriekorps, 103e Infanteriekorps
    • 51e Leger – Luitenant-generaal Jakov G. Krejtser
      • 1e Garde Infanteriekorps, 10e, 60e en 63e Infanteriekorps
    • 5e Garde Tankleger – Luitenant-generaal, vanaf 26 oktober 1944 Kolonel-generaal Vasili T. Volski
      • 3e Garde Tankkorps, 29e Tankkorps
  • 2e Baltische Front – Legergeneraal Andrej I. Jerjomenko
    • direct onder bevel
      • 5e Tankkorps
    • 3e Stoottroepenleger – Generaal-majoor Nikolaj P. Simonjak
      • 79e en 100e Infanteriekorps
    • 10e Gardeleger – Kolonel-generaal Michaïl I. Kazakov
      • 7e, 15e en 19e Garde Infanteriekorps
    • 22e Leger – Luitenant-generaal Gennadi P. Korotkov
      • 93e en 130e Infanteriekorps
    • 42e Leger – Luitenant-generaal Vladimir P. Sviridov
      • 110e en 124e Infanteriekorps
  • 3e Baltische Front (tot 16 oktober 1944) – Legergeneraal Ivan I. Maslennikov
    • direct onder bevel
      • 10e Tankkorps, 7e Infanteriekorps
    • 1e Stoottroepenleger (16 oktober 1944 naar 2e Baltische Front) – Luitenant-generaal Vladimir N. Razoevajev
      • 12e en 14e Garde Infanteriekorps, 119e en 123e Infanteriekorps
    • 54e Leger (16 oktober 1944 naar reserve Sovjet opperbevel) – Luitenant-generaal Sergej V. Roginski
      • geen korpsen, alleen drie divisies direct onder bevel
    • 61e Leger (16 oktober 1944 naar 1e Baltische Front) – Kolonel-generaal Pavel A. Belov
      • 9e Garde Infanteriekorps, 80e en 89e Infanteriekorps
    • 67e Leger (16 oktober 1944 naar Leningradfront) – Luitenant-generaal Vladimir Z. Romanovski
      • 111e, 112e en 122e Infanteriekorps

Per 16 oktober 1944 werd het 3e Baltische Front ontbonden. De staf, samen met het 54e Leger, werden overgedragen aan de reserve van het Opperbevel. De resterende troepen werden overgeplaatst naar het Leningradfront (67e Leger), het 1e Baltische front (61e Leger) en het 2e Baltische Front (1e Stoottroepenleger).

Wehrmacht 13 oktober 1944

Generaloberst Ferdinand Schörner leidde Heeresgruppe Nord

Verloop van de strijd

Evacuatie uit Ventspils, 19 oktober 1944

Op 15 oktober 1944 begon de Eerste Koerlandslag, waarbij de Sovjets met het 2e Baltische Front oprukten vanuit het gebied rond Dobele, via Tukums, richting Ventspils. Hiervoor werden ingezet het 3e Stoottroepenleger, het 10e Gardeleger en het 22e en 42e Leger. Daarnaast zou het 1e Stoottroepenleger (overgenomen van het 3e Baltische Front) langs de kust richting Tukums oprukken.

Daarnaast probeerde het 1e Baltische Front door te breken vanuit het gebied van Vaiņode naar Liepāja (Duits, historisch: Libau) om deze belangrijke bevoorradingshaven te veroveren en zo de bevoorrading van de hele legergroep te onderbreken. Hier opereerde het 18e Leger. Het Front gebruikte hiervoor het 6e Gardeleger (ondersteund door het 19e Tankkorps) en het 51e Leger, terwijl het 5e Garde Tankleger en het 61e Leger (die laatste was 16 oktober 1944 overgenomen van het 3e Baltische Front) klaarstonden om een doorbraak uit te buiten.

Het gebied tussen Liepāja en Mažeikiai kwam onder zwaar vuur van Sovjetartillerie en werd gebombardeerd door aanvalsvliegtuigen. Sommige Duitse divisies waren nog niet volledig in positie, omdat veel eenheden nog steeds vanaf het gebied Riga onderweg waren. Alle beschikbare troepen uit de achterhoede werden daarom in de strijd gegooid. Nadat de Duitse divisies zich herpakt hadden, voerden sommigen enkele tegenaanvallen uit. In de frontsector van de 30e en 61e Infanteriedivisies drongen de Sovjettroepen zelfs door in Vaiņode en rukten op richting Liepāja, maar werden toen tegengehouden door de 14e Pantserdivisie en konden niet verder oprukken. Op de linkervleugel verhinderden de 4e en 12e Pantserdivisies een Sovjetdoorbraak bij Mažeikiai.

Meerdere Duitse troepen werden in beweging gezet, zoals het III (Germaanse) SS Pantserkorps (met de 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland, 20. Waffen-Grenadier-Division der SS (estnische Nr. 1) en 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland), de 563e Volksgrenadierdivisie, evenals de 87e Infanteriedivisie, die onmiddellijk het gebied tussen de 11e en 126e Infanteriedivisies binnenrukten. Andere divisies versterkten het Priekule-gebied. De 97e, 132e en 263e Infanteriedivisies, de 31e Volksgrenadierdivisie en het 2e Legerkorps haastte zich om het 39e Pantserkorps tussen Vaiņode en Mažeikiai te helpen.

Maar niet alleen het 18e Leger, maar ook het 16e Leger en Armee-Abteilung Grasser werd nu meegesleurd in de maalstroom van de Eerste Koerlandslag. De belangrijkste focus van de aanval van het 1e Baltische Front lag voor Tukums en voor Dobele. Maar ten oosten van Tukums kwamen de aanvallen van de Sovjets al snel tot stilstand. Behalve kleine territoriale winsten in het gebied van Dobele en de inname van Ķemeri langs de kust, kon het front van het 16e Leger worden gehouden.

Nadat het Sovjetoffensief overal tot stilstand was gekomen, konden delen van de 14e Pantserdivisies, samen met de 31e en 563e Volksgrenadierdivisies, nog een tegenaanval opzetten. Ze slaagden er zelfs in enkele kilometers terreinwinst te forceren in het gebied van Vaiņode door een geconcentreerde aanval. Op 24 oktober 1944 was de frontlinie van Heeresgruppe Nord tot rust gekomen en verstevigd.

Voorbeeld Sovjet-inzet

Een gedeeltelijk verklaring voor het mislukken van de Sovjetaanvallen, was het feit dat de meeste Sovjettroepen al meer dan drie maanden onafgebroken in actie waren, en dus slechts lage sterktes hadden. Voorbeeld was het 5e Tankkorps, onder bevel van Kolonel Jakov J. Babitski, dat in actie kwam ter ondersteuning van het 15e Garde Infanteriekorps. Dit tankkorps bestond uit de 24e, 41e en 70e Tankbrigades, de 5e Gemotoriseerde Infanteriebrigade, het 1261e en 1515e Regiment Zelfrijdende Artillerie plus ondersteunende eenheden. In juli 1944 beschikte het tankkorps nog over meer dan 200 tanks. Op 20 oktober, bij de aanvallen in de Eerste Koerlandslag, beschikte het korps slechts over 10x IS-2, 8x T-34's, 2x M-3L's, 9x T-70's, 15x SU-76's en 1x MK-2. Alle tanks waren ondergebracht in de 70e Tankbrigade (de andere twee tankbrigades en het 1261e Regiment waren zonder materieel naar achteren gestuurd).

Nasleep en verliezen

Het 39e Pantserkorps en ook de 61e Infanteriedivisie werden al eind oktober 1944 per schip naar Oost-Pruisen overgebracht.