Derde Koerlandslag

Derde Koerlandslag
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog, Slag om Koerland
Derde Koerlandslag
Datum 21 – 31 december 1944
Locatie Koerland, Letland
Resultaat Onbeslist
Strijdende partijen
Sovjet-Unie Duitsland
Leiders en commandanten
Ivan C. Bagramjan
Andrej I. Jerjomenko
Ferdinand Schörner

Het Derde Koerlandslag was een militaire veldslag tussen het Rode Leger en de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog in het gebied Koerland in Letland. Hier speelde zich van 15 oktober 1944 tot 9 mei 1945 de Slag om Koerland af. De offensieven van de Sovjettroepen verdeelden zich over zes slagen, genaamd de Eerste t/m Zesde Koerlandslag.

Inleiding

Het Rode Leger had op 5 oktober 1944 in het het Memeloffensief (deel van de Baltische operatie) Heeresgruppe Nord geïsoleerd in Koerland. Het Duitse 18e Leger en het 16e Leger waren samen ingesloten.

Aan de andere zijde lagen twee Sovjet fronten, het 1e en het 2e Baltische Front. In de Eerste en Tweede Koerlandslag hadden beide fronten geprobeerd het Duitse Koerland bruggenhoofd op te rollen. Eerst vanuit de beweging en even later beter gepland en met meer troepen. Dat was beide keren mislukt. Dus probeerden ze het in december 1944 opnieuw in de Derde Koerlandslag.

Slagorde in geheel Koerland

Rode Leger 21 december 1944

Generaal Ivan Bagramjan leidde het 1e Baltische Front
  • 1e Baltische Front – Legergeneraal Ivan C. Bagramjan
    • direct onder bevel
      • 3e Garde Gemechaniseerde Korps
    • 4e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Pjotr F. Malysjev
      • 1e, 14e, 83e en 84e Infanteriekorps
    • 6e Gardeleger – Kolonel-generaal Ivan M. Tsjistjakov
      • 2e, 22e en 23e Garde Infanteriekorps
    • 51e Leger – Luitenant-generaal Jakov G. Krejtser
      • 1e Garde Infanteriekorps, 10e en 63e Infanteriekorps
  • 2e Baltische Front – Legergeneraal Andrej I. Jerjomenko
    • direct onder bevel
      • 19e Tankkorps
    • 10e Gardeleger – Kolonel-generaal Michaïl I. Kazakov
      • 7e, 15e en 19e Garde Infanteriekorps
    • 22e Leger – Luitenant-generaal Gennadi P. Korotkov
      • 93e, 100e en 130e Infanteriekorps
    • 42e Leger – Luitenant-generaal Vladimir P. Sviridov
      • 14e Garde Infanteriekorps, 110e en 123e Infanteriekorps
    • 1e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Vladimir N. Razoevajev
      • 112e en 119e Infanteriekorps

Wehrmacht 24 december 1944

Generaloberst Ferdinand Schörner leidde Heeresgruppe Nord

Verloop van de strijd

Kort na het einde van de Tweede Koerlandslag begonnen al de Sovjetvoorbereidingen voor de Derde Slag. Met bombardementen op Duitse bevoorradingsroutes en verkenningsvluchten over de Duitse linies werd de volgende grote slag aangekondigd.

Midden december 1944 was Liepāja (Duits, historisch: Libau) het doelwit van massale Sovjet-luchtaanvallen. Ondanks zware verliezen die de Duitse luchtafweerbatterijen aan de aanvallende Sovjets toebrachten, was het onvermijdelijk dat de stad en de haven werden getroffen. Ook enkele stoomschepen werden door de aanvallen tot zinken gebracht. Ook luchthaven Grobina werd niet gespaard, wat leidde tot verliezen voor Jagdgeschwader 54.

In de vroege ochtend van 21 december 1944 vuurde Sovjetartillerie op de posities van het 1e en 38e Legerkorps in het gebied tussen Liepāja en Saldus (Duits: Frauenburg). Over een breedte van 35 km werd deze artillerievoorbereiding uitgevoerd van 06.00 tot 09.00 uur. Dan stormen vier Sovjetlegers naar voren, het 3e en 4e Stoottroepenleger, het 10e Gardeleger en het 42e Leger. De Duitse infanteriedivisies kregen al snel versterking van de Heeres-Sturmgeschütz-Brigade 912, hetgeen welkom was. Toch was al binnen een half uur de verbinding met de 225e Infanteriedivisie verbroken. De 205e Infanteriedivisie bezweek onder de aanval en de 329e Infanteriedivisie stond onder zware druk. De 12e Pantserdivisie en delen van de 227e Infanteriedivisie werden haastig naar het gebied gestuurd. Hun tegenaanvallen werden echter onmiddellijk verstoord door de Sovjetluchtmacht en artillerie. Maar de 12e Pantserdivisie erin het gat tussen de 290e en 215e Infanteriedivisies te dichten. En de 11e Infanteriedivisie werd tussen de 132e en 225e Infanteriedivisies geschoven.

Ook de volgende dag gingen de gevechten in alle hevigheid verder. Tegen de avond was duidelijk dat het zwaartepunt van de Sovjetaanvallen ten zuidwesten van Saldus lag, in het gebied rond Pampāļi. Hier braken de Sovjettroepen tot een diepte van vier kilometer in de frontlijn. In deze gevechten onderscheidde opnieuw de Heeres-Sturmgeschütz-Brigade 912zich. De 132e Infanteriedivisie werd gedwongen zich terug te trekken naar Pampāļi. Snel oprukkende gevechtsgroepen van de 11e Infanteriedivisie voorkwamen dat de Sovjets doorbraken. De 389e Infanteriedivisie, maar ook het VI SS Korps, werden nu betrokken bij de zware verdedigingsslag. Als gevolg daarvan moest het korps enkele posities nabij Pienava evacueren. De luchtoverwicht van de Sovjets maakte het leven van de Duitse troepen ook moeilijk. In de eerste drie dagen van het offensief voerde de Rode Luchtmacht elke dag rond de 2000 vluchten uit. Ondanks dat vele Sovjet vliegtuigen (in de eerste twee dagen 81 stuks) werden neergehaald door Duitse jagers en luchtafweer, kon hier niets echt aan worden gedaan.

De volgende dag werden er drie Sovjet zwaartepunten duidelijk. Dit was enerzijds - zoals al genoemd - Pampāļi, en anderzijds het gebied rond Zvārde, gelegen ten zuidoosten van Saldus. Maar op het eind van de dag was de Duitse frontlinie weer redelijk dicht en aaneengesloten. Een nieuw aanvalsgebied ontstond echter op de avond van 23 december in het gebied ten noorden van Dobele, toen de Sovjettroepen van het 22e Leger (met ondersteuning van het 19e Tankkorps) daar richting Džūkste aanvielen. De 19e SS Grenadierdivisie moest rond de drie kilometer terug, maar kon het front houden.

In de laatste uren van Kerstavond 1944 stopten de Sovjets verrassend genoeg met hun offensieve pogingen. Ook op Eerste kerstdag was er relatief kalm aan het front, hoewel men nooit kon zeggen dat alle vijandelijkheden volledig waren gestopt. Maar op 26 december begint opnieuw zwaar artillerievuur op de Duitse stellingen te vallen.

Het Rode Leger wilde met alle middelen doordringen tot Liepāja en probeerde dit met het 6e Gardeleger op 27 december met bij het 2e Legerkorps (31e en 126e Infanteriedivisies). Maar met hulp van de toegesnelde 14e Pantserdivisie kon dit worden voorkomen. De Duitse divisies gaven geen meter bodem prijs. Tegelijkertijd probeerden de Sovjettroepen ook door te breken bij Džūkste. In deze tweede fase van de Derde Koerlandslag lag de grootste focus van de strijd daar. In het gebied Lestene - Džūkste trof de hoofdaanval het VI SS Korps. De speerpunt van de Sovjetaanval werd gevormd door het 19e Tankkorps. De vol getroffen 19e SS Grenadierdivisie werd overlopen. De Duitse legerleiding bracht met spoed enkele versterkingen, zoals Grenadierregiment 272 (93e Infanteriedivisie), Grenadierregiment 366 (227e Infanteriedivisie) en Jäger-Regiment 24 (L) (12e Luftwaffen-Felddivisie) naar het ten zuidwesten van Džūkste. De schwere Heeres-Panzerjäger-Abteilung 666 kwam met haar 8,8 cm PaK 43 kanonnen ook in actie tegen de sterke Sovjet tankformaties die vanuit het zuidoosten oprukten naar Lestene. Tegen de avond kwamen ook de eerste delen van de 4e Pantserdivisie aan in het gebied. Op 28 december claimde Heeresgruppe Nord dat 111 Sovjettanks werden vernietigd en kwam de Sovjetaanval tot stilstand ongeveer 1 km voor Lestene. De kritische van de Derde Koerlandslag werd overwonnen door deze Duitse troepen.

Begin 1945 nam de gevechten vrijwel overal af. Het Rode Leger was er niet in geslaagd zijn plan om door te breken tot Liepāja niet in de praktijk te brengen. Begin januari 1945 begonnen de Sovjets veel eenheden over te brengen richting Oost-Pruisen, ter voorbereiding op hun offensief aldaar. Ook Heeresgruppe Nord verplaatste meerdere eenheden naar het Rijksgebied aan het begin van het nieuwe jaar.

Nasleep en verliezen

De verliezen aan beide zijden waren enorm in deze Derde Slag. Aan Duitse zijde waren het ongeveer 27.000 gesneuvelden, gewonden en vermisten. De verliezen aan Sovjetzijde waren vele malen hoger. De Duitser claimden o.a. 513 tanks en 145 vliegtuigen te hebben vernietigd. Een goed voorbeeld van de actuele Sovjetverliezen, kwam van de statistiek van het 19e Tankkorps. Dit korps had voor de strijd 10.674 man, 143x T-34, 21x IS-2, 21x SU-76 en 20x SU-85. Na op 29 december 1944 teruggetrokken te zijn van het front, beschikte het korps nog over 36x T-34, 9x IS-2, 14x SU-76 en 14x SU-85. De menselijke verliezen van het korps bedroegen 322 doden en 868 gewonden. In januari werden de 4e Pantserdivisie en de 32e Infanteriedivisie per schip overgebracht naar Oost-Pruisen.