Sickinghe

Sickinghe
Sickinghe
Wapenspreuk Regeer met vaste hand,
Moed en nederigheid,
Werk onder Gods zegen
Stamvader Otto Sickinghe (1257) /
Lubbert Sickinghe (1354)
Religie Protestantisme
Zetel Sickinghehuis (1555-1589)
Sickingheburg (1560-1683)
Huis te Sickinghe (1567-1663)
Etniciteit Gronings, Fries, Nederlands
Hoofdtak Sickinghe
Zijtakken
  • Sickinghe tot Warfum
  • Sickinghe tot Breede
  • Sickinghe tot Beyum
  • Sickinghe tot Winsum
  • Sickinghe tot Holwinda
  • Sickinghe tot Thedema
  • Sickinghe tot Ludema
  • Tamminga Sickinghe
Titels
Notabele leden Peter I Sickinghe
Johan II Sickinghe
Johan III Sickinghe
Johan Sickinghe
Pieter II Rembt Sickinghe
Feijo VI Onno Joost Sickinghe
Duco Willem Sickinghe

Sickinghe is een adellijk regentengeslacht van jonkers en hoofdelingen uit de provincie Groningen. De familie gold reeds in 1255 als een van de oudste en welvarendste geslachten van de stad Groningen en leverde in 1257 een van haar eerste burgemeesters. Het geslacht behoort daarmee tot de oudste nog bloeiende inheemse adellijke geslachten van Nederland.

Sinds de hoge middeleeuwen namen de Sickinghes in het noorden van de Lage Landen een vooraanstaande positie in, en vanaf de vijftiende eeuw werden zij als adellijk beschouwd. In de loop der eeuwen vervulden leden van de familie talrijke functies in dienst van Stad en Lande en van Friesland. Hiertoe behoorden bestuurlijke en rechtsprekende functies, zoals drossaard, grietman, burgemeester en rechter, evenals wereldlijke en militaire rollen, waaronder vazal, militair, proost en politicus.

Tussen 1250 en 1800 leverde het geslacht ten minste twaalf burgemeesters aan de stad Groningen, goed voor in totaal zeker 92 jaar burgemeesterschap. In de Ommelanden traden familieleden tussen 1560 en 1690 op als heren van Warffum en eigenaren van het waddeneiland Rottumeroog.

De Sickingheburg te Warffum (Groningen)

Leden speelden een actieve rol in tal van sleutelconflicten, waaronder de Grote Friese Oorlog, de Saksische Vete, de Tachtigjarige Oorlog, de Tweede Münsterse Oorlog – met als hoogtepunten het Gronings Ontzet en het Ontzet van Coevorden – en de Glorious Revolution. Daarnaast waren zij aanwezig bij diverse historische gebeurtenissen, zoals de troonsafstand van keizer Karel V in 1555, de machtsoverdracht aan Filips II van Spanje, de kroning van Edward VII van het Verenigd Koninkrijk en de kroning van Ferdinand I van Roemenië. Op nationaal niveau waren leden van de familie betrokken bij of aanwezig bij onder andere de intocht van Maria van Oostenrijk te Groningen, de Unie van Brussel, de Unie van Utrecht, de begrafenis van Ernst Casimir van Nassau-Dietz te Leeuwarden en de doop van prins Willem II der Nederlanden.

Door de eeuwen heen vervulden telgen van het geslacht diverse (militaire) functies voor Huis Nassau en het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo waren zij actief als page, adjudant, ordonnansofficier, stalmeester, kapitein des Gardes, kamerheer, hofmaarschalk, intendant, directeur en gouvernante. Halverwege de 19e eeuw vestigden de meeste familieleden zich voornamelijk in 's-Gravenhage, waar zij onder andere werkzaam waren als militair, arts en bestuurder. Sinds de 20e eeuw is de familie geografisch meer verspreid geraakt en bracht zij enkele toonaangevende bestuurders voort binnen het (internationale) bedrijfsleven.

Geschiedenis

Het Sickinghe wapen in de apsis van de Petruskerk van Usquert, aangebracht in 1644
Het zegel van Feyo I Sickinghe in 1450 met daarop het familiewapen en de wapenspreuk: Regier met fester hand (Regeer met vaste hand)
Joncker Johan Sickinghe (1576-1652)

De familie Sickinghe (historisch ook gespeld als: Sickinge, Sickinga, Sikkinga(e) en van Sickingha) behoort tot de oude adellijke en patricische geslachten van Noord-Nederland. De vroegst bekende vermelding van het geslacht dateert uit 1015, toen een Koert Sickinghe werd genoemd als 'gevreesde' hoofdman van het Groningse dorp Winsum.

Na meer dan een eeuw van afwisselende conflicten tussen de machtige families Gelkinge en van Groenenberg werd in 1255 een algemene vrede bereikt. Egbert van Groenenberg werd hersteld als burggraaf en hoogste rechter van de stad Groningen namens de bisschop van Utrecht, Hendrik van Vianden. Tegelijkertijd werd de stadsregering hervormd en ingericht door een raad van zeventien mannen: vier van hen waren burgemeester en rekenmeesters, de overige twaalf werden aldermannen genoemd, een functie die vergelijkbaar is met die van een modern raadslid of bestuurder. Zij werden gekozen uit de tien oudste en rijkste families van die tijd, waaronder de familie Sickinghe.[1]

De Sickinghe die in 1255 tot alderman werd gekozen, is mogelijk Lubertus Sickinghe geweest. Volgens bronnen was hij 'met zijn wijsheid en bestuur' medeverantwoordelijk voor het herstel van de stadsmuren van Groningen, die tijdens de oorlog waren verwoest.[2] Dit was mogelijk dezelfde Lubertus die in 1264 als burgemeester van de stad voorkomt.[3] Een tweede mogelijkheid is dat het de ridder Otto Sickinghe betrof. Hij wordt in een verkoopakte uit 1257 vermeld als een van de vier rekenmeesters (burgemeesters met financiële taken) van de stad Groningen en geldt als de oudst genealogisch traceerbare voorouder van het geslacht.

Een charter uit 1267 vermeldt een ruitergevecht waarbij drie broeders Sickinghe aanwezig waren, waaruit blijkt dat het geslacht toen reeds een gevestigde positie innam in de regio. Historische bronnen bevestigen dat leden van het geslacht vanaf die tijd tot in de negentiende eeuw herhaaldelijk voorkwamen als bestuurders in Groningen en Friesland. Zo bekleedden Lutbertus Sickinghe (1264), Ludolf Sickinghe (1284, 1291 en 1292) en Gerard Sickinghe (1304–1357) het burgemeestersambt van Groningen. Lubbert Sickinghe, waarschijnlijk Otto’s klein- of achterkleinzoon, was burgemeester van 1354 tot 1383 en wordt beschouwd als stamvader van de Groningse, nog bestaande tak van de familie.[4]

In een toespraak aan de Latijnse School van Groningen in 1619 verklaarde de jonge humanist Johannes Sickinghe dat zijn familie “plusminus vierhonderd jaar lang” onafgebroken hoge ambten had bekleed in “dezelfde republiek” (de stadstaat Groningen), waarmee hij de oorsprong van het geslacht terugbracht tot circa 1219.[5]

Vanuit de Groningse tak ontwikkelde zich vermoedelijk de Friese tak, die begint met Feicke Sickinga (1325-1407), zoon van Feyes Sickinga en kleinzoon van bovengenoemde Ludolf Sickinghe. Hij was een bondgenoot van graaf Albrecht van Beieren en speelde een centrale rol in de Hollandse partij tijdens de strijd om Friesland.

Hoewel het geslacht oorspronkelijk tot het Groninger stadspatriciaat behoorde, namen leden vanaf de 14e eeuw ook feodale en adellijke functies op zich. In 1376 werd Lubbert Sickinghe door zowel het domkapittel van Utrecht als burggraaf Reinoud IV van Coevorden beleend met de Tamminga-tienden. In 1384 bevestigde de burggraaf de overdracht van deze tienden aan Johan Sickinghe, de zoon van Lubbert. In 1463 verleende de bisschop van Utrecht, David van Bourgondië, de tienden aan Lubberts kleinzoon, Evert Sickinghe.[6] Evert combineerde verschillende machtsposities, kenmerkend voor de familie Sickinghe in die tijd. In Groningen was hij hoofdman en bezat hij samen met zijn vader het gildrecht. Tegelijkertijd speelde hij ook een belangrijke rol op het platteland, als hoofdeling en redger (plaatselijk rechter) te Winsum, Baflo en Den Andel. In 1441 legde hij de eed af aan bisschop Hendrik II. van Meurs van Münster, waarna hij werd benoemd tot proost van de halve proosdij van Loppersum — een wereldlijk ambt met toezicht op kerkelijke goederen en inkomsten. Hij huwde een dochter van de bekende Oost-Friese legeraanvoerder Focko Ukena. Evert en zijn vrouw bezaten vele steenhuizen en boerderijen in en rondom de stad – onder meer het Sickinghehuis, gelegen ten westen van de Boteringestraat, en de westelijke Ripperdaborg, waar het echtpaar woonde.

Jonckheer Feio Sickinghe (1610-1666) legde in 1638 de eerste steen voor de toren van de Sebastiaankerk van Warffum

Van de 15e tot de 17e eeuw bracht het geslacht vele landjonkers voort, wonend op borgen, kastelen en steenhuizen. Zij waren actief als grootgrondbezitter, rechter, bestuurder of militair. Pas in het begin van de 18e eeuw keerde de familie definitief terug naar het stedelijke leven.

Jonkheer Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821)

In 1814 werd mr. Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821) benoemd in de Ridderschap der Provincie Groningen – als enige vertegenwoordiger van het oude Groninger stadspatriciaat.[7] Hij had, als lid van een oud adellijk geslacht, de mogelijkheid om een baronnentitel te voeren, maar zou hierover gezegd hebben: Better een olde jonker, dan een nije baron. In 1815 werd ook zijn zoon, mr. Onno Joost Sickinghe, benoemd in de Ridderschap. Sindsdien behoren zij en hun nakomelingen tot de Nederlandse adel, met het predicaat jonkheer of jonkvrouw en het aanspreekformulier Hoogwelgeboren.[8] Als leden van een al sinds de 15e eeuw als adellijk erkend riddermatig Noord-Nederlands geslacht waren zij vrijgesteld van de verplichting een bewijsakte van 'nieuwe veradeling' te overleggen.

In 1902 werd de adellijke status bevestigd voor twee telgen van de zogenoemde 'Tamminga-Sickinghe'-tak. Dr. Eilko Eger Sickinghe (1855-1924) en drs. Feyo Willem Joost Sickinghe (1881-1944). Deze tak vond haar oorsprong bij Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726-1807). Met het overlijden van jhr. Feyo Willem Joost in 1944 stierf deze tak in mannelijke lijn uit. Alle nog levende telgen van het geslacht stammen af van Feijo Sickinghe (1718-1748) en diens zoon Pieter Rembt Sickinghe. In 2006 waren er nog dertien mannelijke telgen in leven, de jongste geboren in 2004.

Door de eeuwen heen bewoonden leden van het geslacht Sickinghe een groot aantal kastelen, borgen en edele huizen, waaronder de Warffumborg (of Sickingheborg) bij Warffum, de Breedenborg bij Breede, het huis te Beyum (of huis te Sickinghe) bij Zuidwolde, borg Vliethoven bij Delfzijl, de Englumborg bij Oldenhove, Holwinde (of Sybrandaheerd), de Ludemaborg bij Usquert, borg Thedema bij Noordwolde, Ungersma bij Uithuizermeeden, Ewsum (ook wel de Oort) bij Middelstum, de Winsumborg bij Winsum, Eelsum en Boukum bij Zeerijp, de Gaykingaborg bij Warfhuizen, het Sickinghehuis (ook Esserhuis) aan de Herestraat in de stad Groningen en Kasteel Wijchen in Gelderland.

Het geslacht voert drie wapenspreuken:

  • Regier myt fester Handt (Regeer met vaste hand)
  • Moed en Ootmoed (Moed en nederigheid)
  • Werck onder Godes zeegen (Werk onder Gods zegen)

De familie is verwant aan vele andere (Noord-Nederlandse) adellijke families en jonkersgeslachten, waaronder Ripperda, Lewe, Ewsum, Jarges, Clant, Van Broeckhuysen, Van Burmania, Van Heemstra, Van Haersolte, de Mepsche, Tjarda van Starkenborgh, Van Cammingha, Van Iddekinge, de Beaufort en Van Eysinga.

Telgen ontvingen hoge nationale en internationale onderscheidingen, waaronder in de Orde van Oranje-Nassau, de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Nationale orde van het Legioen van Eer, de Orde van Verdienste, de Orde van de Ster van Roemenië, de Orde van de Heilige Schatten en de Koninklijke Orde van Victoria.

Enkele (bekende) telgen

Het wapen van de familie Sickinghe (bovenste rij, midden) in het grote raam van het koor in de Martinikerk te Groningen, anno 2021

Het geslacht Sickinghe bracht sinds de dertiende eeuw vele bekende regenten, politici, militairen en zakenmensen voort. Hieronder enkele bekende telgen in chronologische volgorde:

Rol bij het Ontzet van Coevorden (1672)

De herovering van Coevorden in 1672 door Staatse troepen op Bernard van Galen, bisschop van Münster. Onder de genummerde details (nummer 7) de "Aenval van Joncker Sickinga"

Tijdens het Ontzet van Coevorden in 1672 speelde het geslacht Sickinghe een opvallende rol in de militaire operaties tegen het Prinsbisdom Münster. Jonker Johan Sickinghe (1649–1673) voerde het cavalerieeskadron aan en werd daarbij ondersteund door drie van zijn broers: ritmeester Rudolph Sickinghe, ritmeester Hindrik Sickinghe en vaandrig Feio Sickinghe. Het regiment maakte deel uit van een gecombineerde aanval op drie bastions rondom de vesting, een operatie die zorgvuldige coördinatie tussen infanterie en ruiterij vereiste. Johan Sickinghe nam persoonlijk deel aan de bestorming van het bastion Overijssel, waarbij hij zijn troepen aanvoerde en zelf actief deelnam aan de gevechten. Ondanks zware verliezen, waaronder gewonden binnen de familie, slaagden de Staatse troepen erin de vesting te heroveren.

De succesvolle aanval van de Sickinghes droeg bij aan de overwinning van de Staatse troepen onder leiding van Carl von Rabenhaupt en leverde aanzienlijke erkenning op. Naast militaire eer werden de broers Sickinghe, samen met andere deelnemers, beloond met onderscheidingen en oorlogsbuit, waaronder twee keteltrommen. Ter herdenking van de verovering liet de stad Groningen een zilveren penning slaan, waarop de bijdrage van de Sickinghe-familie werd vermeld[9]:

De zilveren penning uit 1672 met daarop genoemd: 'Vier Sickingens van grote moet'
voorzijde
afbeelding van de stad Groningen
daaronder
Groningen belegert den 9 july verlaeten den 11 augustus 1672.
door Rabenhaupt sijn wijsen raet
en door Eibergens helden daet
vier Sickingens' van grote moet
Clingh', Losecaet en Gruys te voet,
hebben Coeverd' met klien magt,
dapper in een uur tijt vercragt,
hetwelk de bisschop dapper spijt
en Groningen op ’t hoogs verblijt

Functies op provinciaal niveau

Binnen het gewest Groningen

Het wapen van Ludolf Sickinghe, burgemeester van de stad Groningen, op een sluitsteen in de kooromgang van de Martinikerk in Groningen, aangebracht bij de uitbouw rond 1430

Vanaf de 13e eeuw tot in de 18e eeuw was het geslacht Sickinghe structureel vertegenwoordigd in het stadsbestuur en de gewestelijke instellingen van Groningen. Samen met het adellijke geslacht Lewe leverde de familie over meerdere eeuwen een uitzonderlijk groot aandeel van de burgemeesters van de stad Groningen. De vroegst bekende vertegenwoordiger is ridder Otto Sickinghe, die in 1257 wordt genoemd als een van de vier burgemeesters (ook aangeduid als justiciarii of rationales) van de stad.

In de daaropvolgende eeuwen bleef de familie tot de vaste bestuurlijke elite behoren. Leden van het geslacht bekleedden herhaaldelijk het burgemeestersambt, waardoor de Sickinghes gedurende de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd een continu machtsblok binnen het stadsbestuur vormden.

Een centrale figuur in deze periode was Gerard Sickinghe, die tussen 1304 en 1357 meermalen burgemeester en raadsheer was. Hij gold als een van de belangrijkste leiders van de zogenoemde Westerpartij binnen Groningen, die tegenover de door de Utrechtse bisschop gesteunde factie stond. Het conflict liep zo hoog op dat bisschop Gwijde van Avesnes persoonlijk moest ingrijpen. In de politieke regelingen van 1310 en 1311 wordt Gerard genoemd als een van de “acht hoofdlieden” en als borg van zijn partij; in de Farmsumer Zeendbrief van 1325 behoort hij tot de voornaamste edelen en gezagsdragers van Stad en Ommelanden.

De eed van Evert Sickinghe aan de bisschop van Münster Hendrik II. van Meurs, waarna hij proost van Loppersum werd, 19 september 1441

Naast hun positie in het stadsbestuur waren leden van het geslacht vazallen van de bisschop van Utrecht en van de burggraaf van Coevorden. Zij werden beleend met belangrijke kerkelijke en seculiere inkomsten, waaronder de Postinghe- en Tamminga-tienden, wat hun economische basis en politieke invloed verder versterkte.

De familie speelde tevens een rol in de interne machtsstrijd van de stad tijdens de Friese twisten. Tijdens het grote oproer van 1413, waarin de Schieringers en Vetkopers tegenover elkaar stonden, behoorden Johan en Ludolf Sickinghe tot de bondgenoten van Coppen Jarges en waren zij betrokken bij de bestorming van het stadhuis, een gebeurtenis die mede zou bijdragen aan het uitbreken van de Grote Friese Oorlog.

Ook in het regionale bestuur was de familie prominent vertegenwoordigd. Leden van het geslacht bekleedden herhaaldelijk het ambt van redger (rechter-bestuurder) in Hunsingo en het Hogeland en waren daarnaast proost of ambtman in kerkelijke en wereldlijke rechtsgebieden. In de 16e tot 18e eeuw leverde de familie bovendien meerdere drost(en) van de Oldambten en Hunsingo, alsook hoofdmannen, raadsheren en functionarissen van de provinciale rechtbanken en rekenkamers.

Binnen het gewest Friesland

Het blokhuis/kasteel van Harlingen vòòr 1580

Ook in Friesland behoorde de familie tot de regionale elite. In de 14e en 15e eeuw sloten leden van het geslacht zich aan bij de Hollandse partij in de strijd om de Friese zelfstandigheid. Feicke Sickinga was een bondgenoot van Albrecht van Beieren en maakte deel uit van de machtskern die de Hollandse invloed in Friesland ondersteunde.

In de 16e eeuw bekleedden familieleden sleutelposities in het Friese bestuur. Peter Sickinghe was drossaard van Harlingen en grietman van Barradeel, terwijl Idzard van Sickingha zitting had in het Hof van Friesland. Vanuit deze positie trad hij namens Friesland op bij diplomatieke ontvangsten aan het Habsburgse hof. Binnen Friesland stond hij bekend om zijn zelfstandige houding tegenover het centrale gezag van de landvoogd.

West-Indische Compagnie en Admiraliteit van Friesland

Het West-Indisch huis in de Munnekeholm. Hoofdkwartier van de Kamer van Stad en Lande

Het geslacht Sickinghe speelde een belangrijke rol in de maritieme en koloniale instellingen van de Republiek. Johan III Sickinghe was een van de initiatiefnemers en oprichters van de Kamer Stad en Lande van de West-Indische Compagnie. Door zijn lobbywerk in Den Haag en Amsterdam verkreeg Groningen als enig noordelijk gewest een eigen WIC-kamer. Hij trad van 1622 tot 1649 op als bewindhebber en was een van de grootste particuliere investeerders in de Kamer.

De toetreding van Groningen tot de WIC had ook institutionele betekenis: waar de noordelijke provincies binnen de Verenigde Oost-Indische Compagnie geen eigen kamer hadden weten te verkrijgen en het bestuur daar werd gevormd door de Heren XVII, leidde de oprichting van de Kamer Stad en Lande ertoe dat in de WIC naast de bestaande kamers een college van Heren XI ontstond, waarin Groningen door tussenkomst van Sickinghe en Jochem Alting vertegenwoordigd was.

In de latere 17e en 18e eeuw bleven leden van de familie actief in de hoogste maritieme bestuursorganen. Meerdere generaties dienden als lid van de Admiraliteit van Friesland, waarmee de familie blijvend invloed uitoefende op de marine en de zeepolitiek van de Republiek.

Nationaal en internationaal niveau

Habsburgse en Spaanse Nederlanden (1482-1581)

Ridder Peter Sickinghe als burgemeester van Groningen afgebeeld in de optocht voorstellende den intocht van graaf Edzard I van Oost-Friesland te Groningen op 1 mei 1506

De internationale betekenis van het geslacht bereikte een hoogtepunt onder ridder Peter Sickinghe, die tijdens de Saksische Vete en de daaropvolgende conflicten rond Groningen een van de belangrijkste staatslieden van Noord-Nederland was. Als burgemeester en hoofdman vertegenwoordigde hij de stad in onderhandelingen met vrijwel alle grote machthebbers van zijn tijd, waaronder de hertogen van Saksen en Gelre, de graven van Oost-Friesland en Bentheim, de bisschoppen van Münster, Keulen en Utrecht en gezanten van de Habsburgse keizers Maximiliaan I en Karel V. Hij speelde een sleutelrol bij het zoeken naar externe bescherming voor de Groningen, waarbij hij namens de stad achtereenvolgens onderhandelde over bondgenootschappen met Edzard I van Oost-Friesland en later met hertog Karel van Gelre, in een poging de zelfstandige positie van de stad tegenover Saksische en Habsburgse druk veilig te stellen.

Kwitantie van dr. Johannes Sickinghe (meest linker zegel) en anderen voor de afdoening van een borgtocht ten behoeve van de stad Groningen, 15 februari 1541

In de generatie daarna trad Johan II Sickinghe op als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van Stad en Lande binnen het Habsburgse bestuursstelsel. Als burgemeester en hoofdman onderhield hij nauwe contacten met Jan van Ligne, graaf van Arenberg en stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel. In 1530 was hij aanwezig bij de intocht van Maria van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden, in Groningen. In 1555 behoorde hij tot de kleine groep vermogende edelen die zich namens Stad en Lande financieel garant stelden voor keizer Karel V, en vertegenwoordigde hij de Heerlijkheid Groningen bij diens troonsafstand in het Paleis op de Koudenberg te Brussel. Daar legde hij in aanwezigheid van de Orde van het Gulden Vlies de eed af aan Filips II van Spanje als nieuwe landsheer. In 1559 werd hij bovendien afgevaardigd naar de vergadering van de Staten-Generaal te Gent, bijeengeroepen door Filips II voorafgaand aan diens vertrek naar Spanje.

Tachtigjarige Oorlog

De handtekening van Peter Sickinghe (rode cirkel) op het derde blad van de Unie van Brussel te midden van de handtekeningen van Lambert van Starckenborgh (links) en Eysso Jarges (rechts), 9 januari 1577

Tijdens de Nederlandse Opstand namen leden van het geslacht Sickinghe een prominente plaats in de politiek van de Ommelanden. Zij traden op als gezanten naar de Staten-Generaal, de Raad van State en de centrale regering in Brussel, ondertekenden verdragen zoals de Unie van Brussel en waren betrokken bij de machtsstrijd tussen Stad en Ommelanden. Daarbij onderhielden zij contacten met onder meer Karel van Brimeu en Matthias van Oostenrijk.

Feijo en Harmen Sickinghe speelden een actieve rol in de verdediging van de Ommelanden tegen troepen van Bartholt Entens van Mentheda. Zo waren zij mede verantwoordelijk voor de organisatie van burgerwachten en vendels, die de lokale bevolking bewapenden en opleidden ter bescherming van hun gebieden. Als gevolg van hun steun aan de opstand en het streven naar een zelfstandige aansluiting van de Ommelanden bij de Unie van Utrecht werden Feijo en Harmen door de stad Groningen gevangengenomen en streng bewaakt; zij werden gedwongen zichzelf te bedienen en mochten zelfs niet in het Frans of Latijn spreken. Uiteindelijk wisten zij in september 1578 te ontsnappen.

De ambivalente positie van de noordelijke adel – tussen loyaliteit aan de Spaanse Kroon en steun voor de opstand – kwam ook tot uitdrukking in de latere politieke erkenning van hun rol, zoals het verkrijgen van een akte van remis (amnestie) voor Harmen Sickinghe, verleend door Ottavio Farnese, hertog van Parma, namens Filips II van Spanje.

Tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795)

Jonker Johan Sickinghe (1576-1652) ter linkerzijde van graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz in de begrafenisstoet van stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz te Leeuwarden, 1633

Johan III Sickinghe ondertekende in 1594 de akte van trouw aan de Unie van Utrecht, met uitzondering van de bepaling omtrent de godsdienst, en was een regelmatige bezoeker van de provinciale landdagen. In 1633 nam hij deel aan de rouwstoet van stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz, waarbij hij naast graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz liep en achter graaf Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz.

In de daaropvolgende generaties bleef de familie Sickinghe een prominente rol spelen in het staats- en bestuursapparaat van Stad en Lande. Zo waren Feio III Sickinghe, Onno Sickinghe en Eilko Eger Tamminga Sickinghe actief in de Raad van State, de Gedeputeerde Staten van Stad en Lande en de Generaliteitsrekenkamer, en traden zij ook op als leden van de Staten-Generaal.

Hendrik George Sickinghe (1754-1818) vertegenwoordigde de provincie bij de doop van prins Willem II der Nederlanden in 1792, waarmee de langdurige betrokkenheid van de familie bij de politieke en bestuurlijke instellingen van Noord-Nederland werd voortgezet.[10][11]

Van het Bataafs Gemenebest tot aan het Koninkrijk der Nederlanden (1795-heden)

Het wapen van de Ridderschap der Provincie Groningen

In de late 18e en 19e eeuw bleef het geslacht Sickinghe prominent in bestuur en politiek in Groningen. Pieter Rembt Sickinghe was lid van het Wetgevend Lichaam van het Bataafs Gemenebest en bekleedde later hoge functies binnen de Provinciale Staten en de Ridderschap der Provincie Groningen. Zijn zoon Onno Joost Sickinghe volgde hem op in provinciale functies en was betrokken bij de belastingadministratie van Groningen en Drenthe. In de 20e eeuw traden leden van de familie op in zowel humanitaire als economische rollen. Feyo Willem Joost Sickinghe (1881-1944) werd aangesteld voor de medische controle van de Hongaarse ‘kindertreinen’, waarmee hij duizenden kinderen veilig naar Nederland begeleidde.[12] Op voorstel van de Hongaarse minister-president István Bethlen werd Sickinghe in 1925 door het Hongaarse Rode Kruis onderscheiden met het Kruis van Verdienste.[13]

Feijo Onno Joost Sickinghe in het gebouw van Economische Zaken te Den Haag na een gesprek tussen hem, enkele regeringsvertegenwoordigers en enkele bestuurders van de metaalvakbonden over situatie rond Werkspoor, 1 juni 1970

Feijo Onno Joost Sickinghe combineerde een carrière in het bedrijfsleven met maatschappelijke en culturele functies, onder meer als voorzitter van VMF-Stork, commissaris bij nationale en internationale bedrijven, en actief binnen organisaties zoals de Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen, de Franse Kamer van Koophandel en Industrie in Nederland, de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel, stichting Amsterdam Promotion, de Raad van Toezicht van het AMC en het Utrechts Universiteitsfonds. Hij was daarnaast vice-voorzitter van de Gouverneur Europese Culturele Stichting en voorzitter van meerdere maatschappelijke stichtingen, waaronder Voedselhulp aan Russen en Stichting Chernobyl.

Duco Willem Sickinghe bekleedde internationale leidinggevende functies bij het Amerikaanse NeXT Computer en het Belgische telecombedrijf Telenet en was voorzitter of adviseur van verschillende grote ondernemingen, waaronder het Nederlandse telecombedrijf KPN en een van de oudste Nederlandse familiebedrijven, Van Eeghen & Co. Zo bleef de familie Sickinghe vanaf de 18e eeuw tot in de moderne tijd een invloedrijke rol vervullen in politiek, bestuur, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Functies bij het Koninklijk huis

Telgen van het geslacht vervulde verschillende functies voor het Koninklijk Huis en haar leden.

V.l.n.r. jhr. Agathon Gerard Sickinghe (1868-1954), jhr. Pieter Feyo Onno Rembt Sickinghe (1900-1974) en jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (1888-1983)

Jonker Rudolph Sickinghe (1643-1688) vergezelde stadhouder Willem III van Oranje vrijwillig bij de overtocht naar Engeland tijdens de Glorious Revolution in 1688. Hij stierf in datzelfde jaar te Exeter, alwaar hij werd begraven. Jonker Johan Sickinghe (1649-1673) was ritmeester in het regiment van George Frederik van Nassau-Siegen. Duco Wilhelm Sickinghe (1656-1681) was stalmeester en kapitein des Gardes van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz. Jhr. Pieter Feijo Onno Sickinghe (1824-1885), luitenant-kolonel der infanterie, was in 1841 page van koning Willem II der Nederlanden.

Jhr. Agathon Gerard Sickinghe (1868-1954), luitenant-generaal der artillerie, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, was van 1901 tot 1905 ordonnansofficier, van 1912 tot 1919 adjudant en vanaf 1921 tot zijn overlijden adjudant i.b.d. van Koningin Wilhelmina der Nederlanden. Van 1921 tot 1936 was hij kamerheer en van 1936 tot 1939 eerste kamerheer-ceremoniemeester. Van 1939 tot 1948 eerste kamerheer-honorair van Wilhelmina, na 1948 van Koningin Juliana der Nederlanden.

Jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (1888-1983), luitenant-kolonel der artillerie, officier in de Orde van Oranje-Nassau, was van 1919 tot 1925 ordonnansofficier van Koningin Wilhelmina der Nederlanden. Hij maakte in oktober 1922 deel uit van een buitengewone missie, naast hem bestaande uit jhr. Cornelis Lubertus van Suchtelen van de Haare (1860-1943) en Reynoud Adolph baron van Hardenbroek van Lockhorst (1874-1946), als vertegenwoordiger van de koningin naar Roemenië om de kroning bij te wonen van Koning Ferdinand I van Roemenië (1865-1927) en Koningin Marie van Edinburgh (1875-1938). Hier werd hij Officier in de Orde van de Ster van Roemenië. Naar aanleiding van zijn dagboeken tijdens deze reis en aan het hof verscheen een boek met de titel: 'De Maarschalkstafel, dagboek van Duco Wilhelm Sickinghe, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina'.

Jhr. Feyo Onno Joost Sickinghe en zijn vader jhr. Duco Wilhelm Sickinghe op de eerste rij achter de prinsessen Beatrix en Irene bij het huwelijk van Corinne Sickinghe en Arnout Jan de Beaufort in 1953

Jhr. ir. Pieter Feyo Onno Rembt Sickinghe (1900-1974), kapitein der artillerie, was sinds 1939 intendant der Koninklijke Paleizen te Amsterdam en 's-Gravenhage en bleef dit tijdens en tot na de Tweede Wereldoorlog. In 1942 werd hij verzocht het beheer van het Departement Hofmaarschalk waar te nemen en in 1943 werd hij gevraagd om het beheer van het Koninklijke Staldepartement op zich te nemen. In 1946 en 1947 was hij hofmaarschalk van Koningin Juliana maar werd uit die functie ontheven wegens benoeming tot directeur van het Koninklijk Huisarchief. Dit bleef hij tot 1963. Na de oorlog was hij betrokken bij het recuperatieproces van de Oranjebezittingen. Hij bezocht hiervoor fort Ehrenbreitstein bij Koblenz en het kasteel Schoppenwihr in de Elzas nabij Colmar.

Jkvr. drs. Cornélie Jeanne Louise Mathilde Sickinghe (1923-2021), Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, was gouvernante van de prinsessen Beatrix en Irene, speciaal voor het geven van Franse les. Bij haar huwelijk met jhr. mr. Arnout Jan de Beaufort (1912-1966), burgemeester van Groningen, waren de twee prinsessen bruidsmeisjes. Zij was daarnaast peetmoeder van Prins Constantijn der Nederlanden.

Familiewapen

Het wapen in het Wapenboek van de Nederlandse adel, Johannes Rietstap 1887
Een glas-in-loodraam van borg Ewsum (ca. 1648) met linksonder het wapen Sickinghe
Het wapen van de familie Sickinghe (rechts) op de schouw van de trouwkamer van Kasteel Wijchen (Gelderland)

Het wapen van de familie Sickinghe wordt al in 1360 vermeld. In dat jaar verklaarde de officiaal van het bisdom Utrecht dat Lubbert Sickinghe de verplichtingen uit de aan hem getoonde pachtbrief aanvaardde. Aan de akte zijn het zegel van Lubbert en het zegel van het gerechtshof van Utrecht bevestigd.[14]

Het wapen van de familie Sickinghe, zoals beschreven in het Nederland's Adelsboek 1951, luidt als volgt:

Het schild is gedeeld:

  • Links (A) op goud een halve adelaar zonder tong, uitgaande van de delingslijn;
  • Rechts (B) op rood een zilveren dwarsbalk.

De helm is zilver, voorzien van een rood gevoerde, goud omboorde traliehelm met gouden tralies. Om het hals gedeelte hangt een gouden snoer waaraan een gouden medaillon is bevestigd, met een rood-gouden wrong en rood-gouden helmkleden.

Het vrouwenwapen Sickinghe (1902)

Het helmteken bestaat uit een zilveren reigerskop met een lange hals, geplaatst tussen een vlucht waarvan de rechtervleugel goud is en de linker vleugel het motief van de linkerhelft van het schild volgt.

Als schildhouders fungeren twee omziende zwarte arenden met rode tongen, de vleugels zijwaarts naar beneden gericht. Met hun rechterpoot houden zij het schild vast, terwijl de linkerpoot op de grond rust. Schild en schildhouders staan op een groene ondergrond. Rood = keel, Blauw = azuur, Zwart = sabel, Groen = sinopel.

Symboliek:

  • Zilver staat voor eenvoud;
  • Rood symboliseert moed;

De oude zinspreuk van de familie luidt: "Moed en eenvoud".

Krantenartikel

Op 14 november 1969 verscheen in de communistische krant De Waarheid een opiniërend (kritisch) artikel over jhr. Feijo Onno Joost Sickinghe als directeur van Stork. In het artikel werd gesuggereerd dat Lubbert Sickinghe destijds het schild van zijn familiewapen links en rechts liet vasthouden door roofvogels, en er voor alle zekerheid een derde bovenop plaatste – om te laten zien dat 'geen boer hem ontkwam' bij het innen van de Tamminga-tienden.[15]

Stamboom

Vroege generaties

De Sickinga state te Goënga in groen omcirkeld

In deze fragmentgenealogie zijn alleen personen opgenomen aan wie mogelijk een lemma kan worden gewijd (zie vermelding van functies) of die noodzakelijk zijn voor het aangeven van familierelaties.

  • Koert Sickinghe, hoofdman van Winsum (Bellingeweer) in 1015,[16][17] woonde denkelijk op slot Bellingeweer; ook wel de Tammingaborg. Het verhaal gaat dat hij gevreesd werd.[18]
  • ridder (miles) Otto Sickinghe (±1220-1267), raadsheer, burgemeester (een van de Veeren) van de stad Groningen in 1256/1257[19][20][21] (van hem stamt waarschijnlijk de oudste tak van het geslacht)
  • Helpric Sickinghe, had huis en hof te Borck
  • Alijt Sickinghe, volgens een akte uit 1463 werd een huis gelegen op de oostzijde van de Boteringestraat aan haar verkocht.
  • Buert Sickinghe, borgher te Groningen, komt in 1388 voor als arbiter in een arbitraal vonnis tussen de stad Groningen en de St. Bernardusabdij van Aduard te Hunsingo.[25]
    De borg Boukum te Zeerijp rond 1650
  • Evert Sickinghe (genoemd 1388), herhaaldelijk burgemeester van Groningen tussen 1388-1405
  • Doke/Doeco Sickinghe, was begin 16e eeuw eigenaar van de borgen Eelsum en Boukum (dan nog Baukemaheerd) te Zeerijp. In 1514 verkocht hij beide heerden aan zijn zwager Rolof ten Holte.
  • Reinier Sickinge, trad van 1480-1492 op als landschrijver[26] bij de Etstoel van Drenthe
  • Gerrit Sickinghe, was getrouwd met Rensjen Abrahami
    • Geesjen Sickinghe (ged. 21 januari 1765)
    • Harm Sickinghe (ged. 1 april 1766 te Zweelo)[27], was getrouwd met Geesijn Janse
  • Lucas Sickinghe, was getrouwd met Jantjen Willems Luchjes
    • Marchjen Sickinghe (ged. 1 september 1768 te Zweelo)[28]

Oudste tak

Geschiedenis

De oudste grafzerk in de Martinikerk te Groningen met daarop rechts het wapen van Ide Sickinghe, dochter van Johan Sickinghe

In meerdere bronnen gelden ridder Otto Sickinghe (±1220-1267) en zijn zoon joncker Gerard Sickinghe (±1279) als stamvader en eerste generatie van de vandaag nog levende stamreeks van het geslacht. Sinds de 20e eeuw is de opvatting van het Nederland's Adelsboek hierover wisselend. Eerdere edities van het boek gaven Otto als stamvader van het geslacht.[29] De laatste twee edities van het N.A. geven echter aan dat de lijn Otto-Gerard (Geert)-Lubbert heel waarschijnlijk is maar dat aanvullend bewijs nog ontbreekt. De stamlijst opgemaakt door Peter Sickinghe (1455-1532) is een eerste gegeven, een tweede is nodig.

Een tweede mogelijke lijn is dat Ludolf Sickinghe (±1245) de zoon zou zijn van Otto Sickinghe. De zoon van Ludolfus Sickinghe zou Feyo Sickinghe zijn en deze Feyo zou dan weer de vader van Lubbert Sickinghe zijn.[30]

De volgens het Nederland's Adelsboek erkende stamreeks vangt aan met Lubbert en zijn zoon Johan.

Enkele telgen

  • Lubbert Sickinghe (±1320 - ±1390), burgemeester van Groningen
    • Johan I Sickinghe (±1360 - †1421/1445), burgemeester van Groningen, overgrootvader van de ridder, luitenant der Hoofdmannenkamer en beruchte ketterjager Johan de Mepsche (ca. 1520 - 1585)
      • Lubbert Sickinghe, was in 1424 lid van het brouwersgilde
      • jonker Ludolf Sickinghe (±1380 - ±1458), burgemeester van Groningen, raadsheer in 1409 en 1415, lid van den Raad te Groningen in 1453 en lid van het brouwersgilde in 1424
        De Ripperdaborg te Winsum
        • Grete Sickinghe (overl. voor circa 1480), was getrouwd met Doeke Allerts (to Godlinze) met wie zij een zoon kreeg; Evert Sickinghe, hoofdeling te Godlinze. Evert trouwde met Frouke ter Borch en zij hadden een erfdochter genaamd; Tryntie/Trine Sickinghe (geb. circa 1465-† tussen 1491 en 1500), erfvrouwe van Godlinze,[31] de eerste echtgenote van Eggerinck Ripperda. Grete hertrouwde met Eise Mensema (vermeld vanaf 1450); hij verkreeg het gildrecht in 1454 en was lid van het brouwersgilde ca. 1460[32]
      • Otte Sickinghe, wordt volgens een request uit 1408 genoemd als broer van Ludolf (Ludelef).[33]
      • Evert Sickinghe (±1390-1472), hoofdman van Groningen, hoofdeling te Winsum, proost van Loppersum (1447-1465), schoonzoon van de Oost-Friese hoofdeling Focko Ukena.[34], het grootste gedeelte van zijn goed vererfde na zijn overlijden op het geslacht Ripperda.
        Het Sickinghehuis aan de Herestraat in het centrum van Groningen (anno 1916)
      • Ide (Ida) Sickinghe, x Raude Wicheringhe, x Coppen Jarges (±1430-1502), grootmoeder van Johan de Mepsche (ca. 1520-1585)
      • Feyo I Sickinghe (†1472), heer borg te Winsum, woonde in 1443 te Baflo, trouwde met Lamke Jarges, lid van de familie Jarges

Sickinghe tot Beyum tot Holwinda (splitsing)

Borg Beyum te Zuidwolde
Borg Holwinda te Holwinde

Geschiedenis

Deze splitsing ontstond door het verkrijgen van borg Beyum in 1567 en borg Holwinda in 1601.

Enkele telgen

Sickinghe tot Warffum tak

Geschiedenis

Deze tak ontstond bij Feijo II Sickinghe (1546–1579), die de in 1560 door zijn vader dr. Johan II Sickinghe aangekochte Warffumborg met al haar heerlijkheden erfde. Het geslacht bleef vervolgens vijf generaties lang heer van Warffum. Met Rudolph Sickinghe, de vijfde en laatste Sickinghe-heer van de borg, kwam de lijn ten einde; hij liet geen kinderen na. De borg en de bijbehorende heerlijkheden gingen daarop over in handen van het geslacht Trip.

Enkele telgen

Sickinghe tot Breede tot Thedema (splitsing)

Geschiedenis

De Breedenborg te Breede

Deze splitsing vond plaats bij het verkrijgen van de Breedenborg in 1678. Hindrik Sickinghe, zoon van jonckheer Feio III Sickinghe (1610–1666), kocht de borg samen met zijn vrouw Anna Tjarda van Starkenborgh.

Enkele telgen

  • jonker Hindrik Sickinghe (1650-1682), majoor der cavalerie, onderbevelhebber bij het Gronings Ontzet en ruiter bij het Beleg van Coevorden, trouwde in 1672 met Anna Tjarda van Starkenborgh (†ca. 1730)
    • Feijo Johan Sickinghe (1673-1702), ritmeester in het regiment van Frederik III van Hessen-Homburg, heer van de Breedenborg en bouwde de borg Thedema, trouwde in 1697 te Warffum met Thecla Elizabeth van Berum (1674-1727)
      • Hindrik Ludolph Sickinghe (1698), kapitein der infanterie, woonde op de Breedenborg
      • hoog welgeboren Feije Johanna Sickinghe (1702- † vóór 1739), lidmaat van de Kerkelijke gemeente Noordwolde in 1723[48], was getrouwd met Allardt Phillip Tjarda van Starkenborgh (1698-1768)
    • Sophia Henriëtte Sickinghe (1680-†vóór 1721), trouwde in 1702 met jr. Onno Berents Gruijs (1675-1740), ritmeester, hoofdeling te Loppersum, lid van de admiraliteit te Harlingen

Tamminga-Sickinghe tak

Geschiedenis

Borg Vliethoven te Delfzijl

Deze tak splitste zich af na Onno Sickinghe. De jongste zoon van Onno en zijn vrouw Johanna was mr. Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726-1807). Aan zijn achternaam voegde Eilko Eger Sickinghe de naam van zijn moeder; Tamminga toe. In 1902 werden twee telgen van zijn tak erkend tot de Nederlandse adel met het predicaat jonkheer/jonkvrouw. De tak van Eilko Eger Tamminga Sickinghe stierf met het overlijden van Jhr. drs. Feyo Willem Joost Sickinghe (1881-1944) in mannelijke lijn uit.

Enkele telgen

  • mr. Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726-1807), raadsheer, burgemeester van Groningen, lid van de Raad van Staaten, afgevaardigde Raad ter Admiraliteit te Harlingen
    • dr. Hendrik George Sickinghe (1754-1818), lid der Staten-Generaal, monstercommissaris te Groningen, raadslid van de Admiraliteit van Friesland in 1794, trouwde op 16 juli 1789 met Margaretha Bouwina Van Lintelo.
      • Willem Frederik George Lodewijk Sickinghe (1813-1894), kapitein bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, uitgezonden naar de Belgische Revolutie, kocht in 1884 landerijen, een herenhuis, stalling, koetshuis en een tuinmanswoning van het landgoed 's Heeren Loo[49], trouwde in 1854 met Anna Josina Petronella van Broeckhuisen[50]
        Heerenhuus ('s HeerenLoo) te Ermelo
        • Jhr. dr. Eilko Eger Sickinghe (1855-1924), advocaat, pianoleraar, muziekcriticus, journalist, koopman te Hamburg, vrijmetselaar, trouwde in 1880 met Albertine Françoise Frederique Baud (1857-1925), werd in 1902 erkend tot de Nederlandse adel
          • Jhr. drs. Feyo Willem Joost Sickinghe (1881-1944), arts en assistent van professor Karel Frederik Wenckebach (1864-1940) te Wenen, internist en huisdokter te 's-Gravenhage, fiscus van de Medische Faculteit van de Universiteit Utrecht in 1918[51], administrateur van de thee-onderneming Tagokok te Sakabumi (Indonesië), was vanaf 1921 verantwoordelijk voor de medische controle van de Hongaarse 'kindertreinen', werd in 1902 erkend tot de Nederlandse adel, met zijn overlijden in 1944 stierf deze tak in mannelijke lijn uit.
          • Jkvr. Ottelina Charlotte Emilie Sickinghe (1883-1952), zangeres (soliste), trouwde in 1883 met Dr. Jur. Max Theodor Hagemann (1883-1968), anti-nazi, hoge administratieve rechter en voorzitter van de Duitse federale recherchedienst; het Bundeskriminalamt.
        • Jkvr. Emma Nicoline Constance Adèle Sickinghe (26 maart 1885), was getrouwd met de advocaat Cornelis Johannes Prins[52]
    • Johanna Wilhelmina Sickinghe (1759-1805), trouwde in 1792 met dr. jur. Henricus Joannes Arntzenius (1763-1830); advocaat en notaris te Groningen, auditeur militair van Leeuwarden

Jongste tak

Geschiedenis

Janskerkhof 2 te Utrecht

De oudste zoon van Onno Sickinghe was Feijo Sickinghe (1718-1748), majoor der cavalerie. Feyo's zoon, mr. Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821), werd op 28 augustus als een van de 29 leden door de koning in de Ridderschap der Provincie Groningen benoemd en geadmitteerd tot de Adelstand. In 1815 werd ook de zoon van Pieter Rembt Sickinghe, mr. Onno Joost Sickinghe (1782-1845), benoemd tot de Ridderschap. Van deze tak stammen alle (anno 21e eeuw) nog levende telgen en generaties van het geslacht Sickinghe.

Enkele telgen

Adellijke allianties

Friese splitsing (Sickinga/Sickingha)

Geschiedenis

Het Sikkingahuis te Sneek

De tak Sickingha/Sickinga/Sikkinga is afgesplitst van de vroege generaties Sickinghe (mogelijk vanaf ridder Otto Sickinghe). Delen van de huidige provincie Friesland waren vroeger afwisselend onderdeel van de Groningse Ommelanden en veel leden van het geslacht Sickinghe waren woonachtig in de Friese gebieden. Telgen van de tak Sickinga kwamen al in 13e eeuw voor in Friesland.[57] Ook werd in 1383 melding gemaakt van een 'Sickinga state' te Goënga en in 1560 werd het Sikkingahuis gebouwd. Dit was een state in de binnenstad van Sneek.

Vanaf Otto Sickinga:

Van een nog onbekende stamvader

Landhuis landgoed Oranjewoud

Doordat niet duidelijk is van wie Ydske, de vader van Abbe, een zoon was, is het onzeker of deze tak direct verbonden is met de nog bestaande Groningse tak of zelfs wel een band heeft met de familie Sickinghe. Het familiewapen van de Sickingha's vertoont enige gelijkenis met dat van de Sickinghe's, en leden uit beide geslachten droegen rond de 16e eeuw de titel jonker. Leden van de familie Sickinghe trokken regelmatig richting de Friese regio, waar hun achternaam de vorm Sickinga aannam. Wat echter niet overeenkomt, zijn de voornamen binnen beide families, wat in die tijd juist vrij gebruikelijk was. Dit kan ook wijzen op een vroegtijdige splitsing binnen het geslacht.

  • Abbe Idsekes Sickingha[58] (geboren voor 1490, overleden 28 december 1555), rechter te Ouwsterhaule, kocht in 1515 het inwonerschap van Sneek, was getrouwd met Oegje Roukes van Albada
    • jonker mr. Idzard van Sickingha (±1518-1575), raadsheer in het Hof van Friesland (1558), protesteerde hevig tegen de landvoogd Fernando Álvarez de Toledo (Alva) en de stadhouder Caspar de Robles, bezat het zwanenrecht te Parrega[59], trouwde met Maria van den Tympel, zus van Olivier van den Tympel (1540-1603); politicus uit België, heer van Korbeek, officier in het leger van Willem van Oranje en militair gouverneur van de Brusselse republiek.
      • dr. Wigle Idserts van Sickingha, doctor in beide rechten, trouwde met jfr. Gerlant van Aylva[60]
      • Abbe van Sickingha, adelborst en later kapitein (1580-1597) onder de Spaanse hopman (Tiete) Cammingha, hij lag in 1597 in garnizoen in Groenlo en vertrok vandaar na de overgave.[61]
      • Clara van Sickingha, (geb. circa 1545 - †1606), trouwde voor 1583 met Broer Reyns van Paytema/Hoytema (†1602), volmacht en dijksgedeputeerde van Wymbritseradeel[62]
      • Viglius Sickinga
    • mr. Oeghe (van) Sickingha (geb. voor 1527, overleden tussen 25 maart en 16 oktober 1571), advocaat, kocht in 1552 het burgerschap van Sneek
      Albuminscriptie van Tzalingus van Sickingha voor Poppe van Feytsma (1583)
      • jonker Tjalke/Tyalcko (Idzerts) van Sickingha († ca.1616), vaandrig en kapitein, was omstreeks 1575 van de Spaanse zijde tot grietman van Wymbritseradeel en tot dijkgraaf benoemd[63][64], was een van de compagnons van de in Heerenveen opgerichte Schoterlandse Veencompagnie, kocht in 1616 het recht van zwanenjacht in de dorpen Ouwsterhaule, Broek, en Goengarijp van Idzard van Sickingha, trouwde met jfr. Mayke van Siercksma, vestigde zich in 1602 in het Wold en bezat daar een stuk grond met daarop het huis dat in 1664 op de kaart van de Schotanusatlas wordt aangegeven als de 'Sickingastate', een edele state.[65] Dit huis werd in 1676 van de nazaten van de Van Sickinga's gekocht door Albertine Agnes van Nassau, de weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau. Zij gaf het een nieuwe naam en liet het omvormen tot het nog steeds bestaande zomerverblijf Landgoed Oranjewoud.
        • Tjalcke Sickinga[66]
        • jonker Gerrit van Sickinga (ook wel Johan Baptista Sickinga van Worfenburg), woonde te Heerenveen, was aandeelhouder en secretaris van de Schoterlandse Veencompagnie, heer te Moerborgh in 1617 en 1632,[67] tenaamgestelde van de Broekster Jacht, bezat op de huidige locatie van Hotel Tjaarda, een tweede huis (vakantiewoning), zijn goed vererfde omstreeks 1656 op de nazaten van zijn zuster, gehuwd met Hendric Thibault, te Amsterdam. Zij gaan in de jaren zeventig over tot verkoop van het Sickingavermogen (o.a. vier belendende zaten te Oudeschoot onder Heerenveen aan Albertine Agnes van Nassau (1634-1696), Prinses van Oranje en vorstin tot Nassau).
        • Maria van Sickinga, was gehuwd met Hendrick Thibault.

Straatnamen

Straatnaambord van de Sickinghestraat te Zuidwolde

Tussen 1255 en 1794 leverde de familie Sickinghe ten minste 92 keer een burgemeester aan de stad Groningen. Daarmee is zij het geslacht dat over de langste periode in deze functie vertegenwoordigd was. Alleen het geslacht Lewe komt enigszins in de buurt, met in totaal 73 jaren burgemeesterschap. Telgen zoals Gerard Sickinghe (ca. 1280), Peter Sickinghe (1455-1532), Johan Sickinghe (1495-1572), Johan Sickinghe (1649-1673) en Rudolph Sickinghe (1643-1688) speelden een belangrijke rol in het behoud van de autonomie van de stad.

Hoewel het geslacht Sickinghe, met twaalf burgemeesters en in totaal 92 jaren in functie, van alle invloedrijke families zowel het grootste aantal burgemeesters als het grootste aantal jaren burgemeesterschap in de stad Groningen heeft geleverd, is er in de stad geen straat naar deze familie vernoemd.[68]

Wél bestaat er in het nabijgelegen Groningse dorp Zuidwolde een Sickinghestraat, aangelegd rond 1960. Deze straat verwijst naar de jonkers Johan, Peter en Harmen Sickinghe, allen bewoners van borg Beyum (ook wel Sickingheborg genoemd).

In de Friese stad Leeuwarden is daarnaast een straat te vinden die Sickingastate heet en waarschijnlijk is vernoemd naar de Friese tak van de familie. De naam verwijst naar een Sickingastate met twee mogelijke historische herkomsten: de middeleeuwse state te Goënga, bewoond door Feicke Sickinga of de Sickingastate te Oranjewoud, gebouwd door Tjalke van Sickinga, die grietman van Wymbritseradeel was. Deze Sickingastate was een van de eerste landhuizen in wat nu landgoed Oranjewoud is en werd voor het eerst genoemd in 1552. Later kwam de state in bezit van prinses Albertine Agnes van Oranje-Nassau.

Galerij