Onno Sickinghe

Niet te verwarren met de politicus Onno Joost Sickinghe (1782-185) of de gemeenteontvanger Onno Joost Sickinghe (1858-1948)
Onno Sickinghe
Portret van Onno Sickinghe en zijn gezin rond 1725, geschilderd door Jan Abel Wassenbergh
Portret van Onno Sickinghe en zijn gezin rond 1725, geschilderd door Jan Abel Wassenbergh
Algemeen
Geboortedatum 24 februari 1688
Geboorteplaats Groningen
Overlijdensdatum 25 augustus 1756
Overlijdensplaats Groningen
Functies
1714-1751 rentmeester der venen van de stad Groningen
1718-1721 ambtman van het Goorecht
1718-1727 lid stadsrekenkamer
1721-1753 raadsheer van Groningen
1721 lid provinciale rekenkamer
1723-1729 ordinaris Admiraliteit van Friesland te Harlingen
1732 afgevaardigde der Staten Generaal
1732,1733 lid Raad van State
1736-1749 Drost der beide Oldambten
1742, 1755 lid gedeputeerde staten Stad en Lande
1747 curator van de Groningse Universiteit
1744-1749 schepper en kerkvoogd van 't Zand
1750 schepper van Scharmer
1752 lid Generaliteitsrekenkamer
1754-1756 Burgemeester van Groningen
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Onno I Sickinghe (Groningen, 24 februari 1688 - Groningen, 25 augustus 1756) was een Nederlands politicus en burgemeester van Groningen. Hij maakte snel carrière binnen de lokale en nationale politiek. Zo vervulde Sickinghe functies voor het Goorecht, de provinciale rekenkamer, de stadsrekenkamer, de Admiraliteit van Friesland te Harlingen, de Staten Generaal, de Raad van State, het Oldambt, de gedeputeerde staten van Stad en Lande en de Generaliteitsrekenkamer. Hij was daarnaast schepper van ’t Zandt en Scharmer, curator van de Groningse Universiteit en kerkvoogd.

Hij was de vader van Feijo Sickinghe (1718-1748), majoor der cavalerie en commandant van de vesting Langakkerschans en mr. Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726-1807), politicus en burgemeester van de stad Groningen. Van Feijo's tak stammen alle (anno 21e eeuw) nog levende telgen en generaties van het geslacht Sickinghe.

Leven

Sickinghe, telg uit het oud adellijke geslacht Sickinghe was een zoon van Feio Sickinghe (1654-1696), luitenant-kolonel der infanterie en premier collator te Usquert en Elisabeth Tamminga (ca.1655-1694), telg uit het adellijke geslacht Tamminga. Feio schreef over de geboorte van Onno, op het schutblad van een bijbel die inmiddels in handen is van de hervormde gemeente Aduard, het volgende:[1]

Den 23 feb. 1688 's naedemiddaegs ongeveer vyv uyr is mijn vrouw verlost van een jonge soon, deselve is den 24 dito tot Groningen in Mart. kerke gedoopt Onno. Die Heer wil hem regieren door synen giest en geven hem syne Zegen en Genade.

Hij was een kleinzoon van de jonker en hoofdeling Feio Sickinghe (1610-166) tot Warffumborg en een jongere halfbroer van Evert-Joost Lewe (1677-1753).

Sickinghe stond vanaf 11 augustus 1706 ingeschreven bij de Rijksuniversiteit Groningen in het Album Studiosorum. Hier studeerde hij rechten.

Op 17 juni 1713 trouwde hij met Johanna Willemina Tamminga (1687-ca.1729), dochter van Burgemeester Eijlko Tamminga en Allegonda Eeck, dochter van burgemeester Sicco. Samen kregen zij een dochter en twee zoons te weten Feijo Sickinghe (1718-1748), majoor der cavalerie en commandant van de vesting Langakkerschans en Eilko Eger Tamminga Sickinghe (1726-1807), burgemeester van Groningen.

Sickinghe was de grootvader van jhr. mr. Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821), baljuw van Hunsingo en president van de Ridderschap der Provincie Groningen en de overgrootvader van jhr. mr. Onno Joost Sickinghe (1782-1845), rechter te Winschoten en ontvanger te Bedum.

Onno Sickinghe overleed in 1756 op 68-jarige leeftijd en werd begraven in de Martinikerk van Groningen.

Werk

Na zijn studie begon Sickinghe in 1714 als rentmeester der venen van de stad Groningen. Hij vervulde deze functie meermaals tussen 1715 en 1725[2], en later opnieuw tussen 1748 en 1751. In 1749 beheerde hij de stadsvenen van Sappemeer en Veendam.

Tussen 1718 en 1721 was hij ambtman van het Goorecht. In 1718 werd hij bovendien lid van de stadsrekenkamer[3] en vervulde daarmee de functie van rekenmeester, een rol die hij opnieuw uitoefende in 1721, 1725 en 1727.

Onno was de laatste telg van de familie Sickinghe die een actieve rol speelde in de Ommelander politiek. Voor de Ommelanden was hij in 1721 lid van de provinciale rekenkamer en namens Feerweerd trad hij tussen 1711 en 1717 op de landdag op. Daarna trok hij weer richting de stad. Een langdurig conflict tussen de familie Sickinghe en de stad had er bijna twee eeuwen lang voor gezorgd dat geen van hen tot burgemeester werd benoemd. De omwentelingen van 1747-1749 en het huwelijk van zijn zoon Feijo met Petronella van Iddekinge (1718-1805), dochter van de Groningse burgemeester Pieter Rembt van Iddekinge (1683-1758), brachten echter een herstel van de banden met de stad teweeg. Zelf verwierf Sickinghe in 1713 het groot burgerrecht en in 1716/1717 het klein burgerrecht.

Het linieschip Friso, gebouwd in de periode dat Sickinghe lid was van de Admiraliteit van Friesland (1728-1730)

Zijn loopbaan bij het gerechtshof van het gewest Groningen begon op 24 mei 1721, toen hij tot raadsheer werd benoemd, een functie die hij tot 1753 zou vervullen. Als raadsheer hield hij zich onder meer bezig met stedelijke infrastructuur en waterbeheer; in 1726 speelde hij een rol bij de aanpassing van watergangen, en in augustus 1733 werd hij naar Oudeschans gestuurd om te onderhandelen en te rapporteren aan hogere autoriteiten over beschadigde straten. Op 11 oktober 1751 maakte Sickinghe melding van een schip dat gezonken was in de Dollard, en zodanig het het vaarwater blokkeerde, dat snelle actie vereist was.

In 1718 was hij extraordinaris van de Admiraliteit van Friesland, en in 1723, 1726 en 1729 trad hij op als ordinaris.

De Mariakerk ('t Zandt)

Sickinghe bekleedde meerdere stedelijke en academische functies: hij was scholarch in 1747, curator van de Groningse Universiteit eveneens in 1747[4], schepper van ’t Zandt in 1744 en 1749[5], en schepper van Scharmer in 1750. Daarnaast was hij kerkvoogd op ’t Zandt in 1747.[6]

Op politiek niveau werd hij in 1733 lid van de Raad van State[7], en in 1742 en 1752 lid van de Gedeputeerde Staten van Stad en Lande. In 1732 werd hij door de Staten-Generaal uitgezonden naar steden en plaatsen in Vlaanderen, samen met commissarissen Goswijn Verstege, Albert Becker en Robbert Frederik van Heerdt tot Eversberg.[8] Op 16 maart 1633 introduceerde de heer Tamminga hem als gedeputeerde ter Staten-Generaal namens Stad en Lande. Tussen 1736 en 1749 vervulde hij de functie van drost der beide Oldambten.[9] In 1752 trad hij tevens toe tot de Generaliteitsrekenkamer.

Zijn carrière bereikte een hoogtepunt in 1754, toen hij benoemd werd tot burgemeester van Groningen. Dit ambt bekleedde hij tot zijn overlijden in 1756, op 68-jarige leeftijd.

Voorganger:
Scato Gockinga (1683-1759)/
Hendrik Veld(t)man
Burgemeester van Groningen
1753-1756
Opvolger:
Wicher van Swinderen