Lubbert Sickinghe

Lubbert Sickinghe
Werk
Beroep burgemeesterBewerken op Wikidata
Werkplaats Groningen
Familie
Familie Sickinghe
Kinderen Johan Sickinghe
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.

Lubbert Sickinghe (ca. 1320 - 1383 of 1384) was een Gronings edelman, tiendheer van de Postinghe- en Tamminga-tienden, en meerdere periodes burgemeester van Groningen tussen 1354 en 1383. Hij wordt beschouwd als stamvader van de Groningse tak van het adellijke regentengeslacht Sickinghe en was mogelijk een afstammeling van ridder Otto Sickinghe, een van de eerste burgemeesters van de stad. Lubbert speelde een actieve rol in het stadsbestuur en regionale geschillen, waaronder een vredescontract met het klooster van Aduard in 1378 en een conflict met bisschop Floris van Wevelinkhoven van Utrecht. Na zijn overlijden gingen zijn tiendrechten over op zijn zoon Johan en later op zijn kleinzoon Evert Sickinghe.

Biografie

Het wapen van de familie Sickinghe

Van wie Lubbert (ook; Lubbertus) Sickinghe, telg uit het oud adellijke geslacht Sickinghe, een zoon was is nog onduidelijk. Mogelijk stamt hij achtereenvolgens via de burgemeester(s) Gerard Sickinghe en Ludolf Sickinghe (1284-1292) af van ridder Otto Sickinghe. Deze Otto was eveneens burgemeester van Groningen. Otto komt, samen met drie anderen, op een akte uit 1257 voor als een van de vier rekenmeesters van de stad en is daarmee ook een van de eerst bekende burgemeesters van Groningen. Hij werd tot 1951 door het Nederland's Adelsboek erkend stamvader van het geslacht te zijn; waarna Lubbert deze titel overnam.

Akte van verlening van de Tamminga-tienden in 1376 door Reinoud IV van Coevorden aan Lubbert Sickinghe

Lubbert was zeer waarschijnlijk getrouwd met een vrouw genaamd Aleid. Met haar kreeg hij een zoon:

  • Johan Sickinghe (†1421/1445). Johan was burgemeester van Groningen tussen 1407-1411 en lid van het brouwersgilde te Groningen.

Lubbert was grootvader van onder andere:

In 1360 verpachtten Deken en Kapittel van de Dom van Utrecht Sickinghe de Postinghe-tienden bij Helpen[1]. In 1376 beleent burggraaf Reinoud IV van Coevorden Lubbert Sickinghe met de Tamminga-tienden in Gelkingeland. Het tiendrecht was het recht van een heer om als belasting een tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen. Later verklaart de officiaal te Utrecht dat Lubbert Sickinghe enige verplichtingen op zich neemt.[2] Lubbert overleed waarschijnlijk tussen 4 juli 1383 en 9 augustus 1384.

In 1383 worden de tienden door burggraaf Reinoud IV beleend aan zijn zoon Johan I Sickinghe. In 1463 beleent de bisschop David van Bourgondië (1427-1496) de kleinzoon van Lubbert, Evert Sickinghe, met de Tamminga-tiende.[3][4]

Als burgemeester van Groningen

De naam van Sickinghe onderaan de overeenkomst tussen het klooster van Aduard en de stad Groningen in 1378

Sickinghe was een der quatuor burgimagistri (vier burgemeesters) van de stad Groningen in 1354, 1363, 1364, 1365-1368, 1369, 1370 en van 1371 tot 1383.[5][6] Sickinghe was tijdens zijn periode als burgemeester betrokken bij nagenoeg alle verkopen en geschillen in en rondom de stad.

In 1364 deden de burgemeesters van Groningen, waaronder Sickinghe, een uitspraak in het geschil tussen de Abdij van Aduard en de ingezetenen van Osterwolt en Go en de Acht Zijlvesten, betreffende de verschillende waterstaatsbelangen. Ook staat zijn naam op een gedateerd stuk uit 1373 (14 februari) bij de verkoop van het huis van Johan ter Venne aan Rolf Husinghe.[7] Eveneens verschijnt hij op een document van 25 januari 1374, waarin de burgemeesters en raad van Groningen verklaren dat de heer Tyese, vicaris der Akerk te Groningen, aan de voogden van die kerk een jaarlijkse rente heeft verkocht en overgedragen.[8]

In 1378 staat zijn naam onder vredes- en veiligheidscontract tussen de stad Groningen en het klooster van Aduard. In deze brief spreken het convent en de stad af hoe ze de veiligheid van de streek Hunsingo zullen handhaven. Bij overtreding wordt een militie namens zowel de stad als het convent ingezet.[9]

Conflict met de bisschop van Utrecht

In 1380 lag Floris van Wevelinkhoven (1330-1393), bisschop van Utrecht, verwikkeld in conflict met het stadsbestuur van Groningen. Hij vond dat de stad zijn gezag niet erkende en zijn bisschoppelijke rechten ondermijnde.

Als reactie vertrouwde hij Lubbert Sickinghe een officiële oorkonde toe. Daarin hernieuwde de bisschop de belofte van zijn voorgangers aan de Groningers, Gorechters en Drenten.[10] Sickinghe kreeg strikte instructies: hij mocht de brief pas overhandigen als de stad schriftelijk erkende welke rechten de bisschop over hen mocht uitoefenen. Hij stelde zich daarbij persoonlijk garant en verbond zich aan een boete van 1.000 gouden schilden indien de stad de gevraagde erkenning niet zou verzegelen en teruggeven.

Munt van de bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinkhoven

In de Paasweek van 1383 verleende Van Wevelinkhoven hem de bevestigingsbrief, maar de Groningers weigerden de erkenning alsnog te ondertekenen. De stadsgriffier Johannes Myle reisde daarop naar Vollenhove, waar hij de bevestiging overschreef, opnieuw liet verzegelen en meenam naar Groningen — op Lubberts persoonlijke vertrouwen. Toen bleek dat de stad de erkenning niet zou leveren, eiste de bisschop de bevestiging terug. Door de in het geheim gemaakte kopie en herverzegeling beschikte het stadsbestuur echter alsnog over een versie van de bevestigingsbrief, ondanks dat de oorspronkelijke niet geldig was verklaard.

In een brief van 4 juli 1383 stelde Floris van Wevelinkhoven Lubbert Sickinghe verantwoordelijk voor het terugbezorgen van de oorkonde en gaf hij hem uitstel tot de eerstvolgende midwinter om dit alsnog te doen.[11] Bij niet-naleving zou een boete van 200 gouden schilden volgen. Hij verzocht tevens het stadsbestuur de oorkonde terug te geven, die volgens hem nog in handen van de stad was.

Toen de gevraagde stukken uitbleven, eiste Floris later dat jaar de teruggave van de bevestigingsbrief der vrijheden van Groningen, evenals de toezending van een nieuwe oorkonde waarin de rechten van de stad waren vastgelegd. Pas in 1384 werd er uiteindelijk vrede gesloten tussen de bisschop en de stad.

Stamvader van het geslacht Sickinghe

Burgemeester Lubbert Sickinghe op de akte van verkoop van Rolf Husinghe uit 14 februari 1373

Volgens het Nederland's Adelsboek geldt Lubbert Sickinghe als stamvader van de Groningse tak van het adellijke geslacht Sickinghe. Eerdere edities noemden de ridder Otto Sickinghe (?-ca.1267) en zijn zoon, de joncker Gerard Sickinghe (ca.1279 -?), als stamvaders van het geslacht. Of Lubbert een rechtstreekse zoon van Gerard was, is nog onduidelijk; wel staat vast dat Otto en Gerard tot het geslacht behoorden en burgemeester van Groningen waren: Otto in 1246, 1256 en 1257, Gerard van 1304 tot 1357.

Duidelijk is dat als Otto Sickinghe in 1257 al burgemeester was en Lubbert in 1354 voor het eerst als burgemeester voorkomt, er dus 97 'ambtelijke' jaren tussen hen te overbruggen zijn. De vermelding van een olderman Luibertus Sickinghe in 1255 en een lutbertus Sickinghe (mogelijk dezelfde) in 1264[12], wijst bovendien op eerdere naamdragers, waardoor Lubbert niet de eerste van zijn naam was.[13] In een toespraak aan de Latijnse School van Groningen in 1619 verklaarde de jonge humanist Johannes Sickinghe, afstammeling van Lubbert Sickinghe, dat zijn familie “plusminus vierhonderd jaar lang” onafgebroken hoge ambten had bekleed in “dezelfde republiek” (de stadstaat Groningen), waarmee hij de oorsprong van het geslacht terugbracht tot circa 1219.[14]

Otto tot Geert

Het Nederland's Adelsboek 44 (1951), p. 270 stelt:

In oudere genealogieën worden hem resp. tot vader en grootvader gegeven Gerard Sickinghe, burgemeester van Groningen tusschen 1304 en '57, die in het Groninger Oirkondenboek wordt vermeld tusschen 1309 en '48, en Otto Sickinghe, die als burgemeester van Groningen voorkomt in 1246 en '57.[15]

Hierin werd Otto Sickinghe als stamvader van het geslacht gesteld. Een latere uitgave van het Nederland's Adelsboek, zoals het NA 93 (2008), vermeldt deze eerdere filiatie niet. Correspondentie, zoals te lezen in het 'Musiefwerk' van jhr. Duco Wilhelm Sickinghe (1888-1983), laat zien dat er weliswaar consensus bestaat over het feit dat Otto en Gerard tot het geslacht Sickinghe behoren, maar dat men de afstand tussen de geboortejaren en regeerperiodes te groot acht om over te kunnen gaan tot een directe lijn van afstamming. Voldoende bewijzen (van meerdere bronnen) voor deze rechtstreekse lijn van Otto en Geert tot Lubbert, die niet volstrekt onaannemelijk is, ontbreken echter tot dusverre, zo stelde het NA. De stamlijst opgemaakt door Peter Sickinghe (1455-1532) is een eerste gegeven, een tweede is vereist.

In 2022 volgde de suggestie dat mogelijk Ludolf Sickinghe (1284-1292), burgemeester van Groningen in 1284, 1291 en 1292, mogelijk de zoon zou van Otto was en daarmee het gat tussen Otto en Gerard zou kunnen dichten. Het is zeer onwaarschijnlijk dat Otto, Ludolfus en Gerard, net zoals Lubbert, alle drie burgemeester van Groningen waren, dezelfde naam droegen, maar geen familie van elkaar zouden zijn. Aangezien bewijsstukken uit de 13e en 14e eeuw echter zeer schaars zijn is het maar de vraag of er ooit een sluitende theorie zal worden gevonden. Een oorkonde van 7 juni 1408 vermeldt de 'gebroeders Ludelef (Ludolf Sickinghe) en Otte Sickinghe', wat de kans vergroot dat deze Otte verwant was aan Otto Sickinghe en een mogelijke link naar de hoofdstam vormt.[16]

Geert tot Lubbert

Zegel van Feyo I Sickinghe, kleinkind van Lubbert, met als wapenspreuk: 'Regier met fester hand' (ca. 1450)

Lubbert Sickinghe zou mogelijk niet de zoon van Gerard zijn geweest, maar van Feyo Sickinghe (±1275). Mogelijk kan de relatie zelfs worden bewezen in vier zoons van Johan Sickinghe, zoon van Lubbert. Onderstaand de namen van vier van zijn zoons (kleinzoons van Lubbert) met daarbij de mogelijke relatie tot eerdergenoemde Sickinghe's:

  • Lubbert (naar Lubbert Sickinghe, erkend stamvader van het geslacht)
  • Ludolf (mogelijk naar Ludolf Sickinghe, vader van Gerard)
  • Otte (mogelijk naar Otto Sickinghe, eerst bekende naamdrager van het geslacht)
  • Feije (mogelijk naar Feyo Sickinghe, vader van Lubbert)

Bovenstaand zou betekenen dat Johan Sickinghe een zoon heeft vernoemd naar zijn vader, een naar zijn grootvader, een naar een oudoom, en een naar zijn betovergrootvader. Zoals bekend vernoemde men destijds geen levende familieleden[17], dus ook met dat gegeven zou de theorie standhouden. De stamboom zou er volgens de theorie als volgt uitzien:

  • Otto Sickinghe (1220-1267), burgemeester van Groningen in 1246, 1256 en 1257
    • Lubertus Sickinghe (circa 1240), burgemeester van Groningen in 1264
    • Ludolf Sickinghe (1284-1292), burgemeester van Groningen in 1284, 1291 en 1292
      • Gerard Sickinghe (geb. circa 1279), van 1304 tot 1357 herhaaldelijk burgemeester van Groningen en een van de tegenspelers van de prefect van Groningen
      • Feyo Sickinghe (1275)
        • (Feyeszoon Sickinghe, mogelijk dezelfde als de Feyo uit 1275)
          • Lubbert Sickinghe (circa 1320 - circa 1390), burgemeester van Groningen tussen 1354 en 1383
Voorganger:
Rodolphus (Hermannusz.) Huging
Burgemeester van Groningen
1354, 1363-1383
Opvolger:
Gheert Paeschedach