Evert Sickinghe (1388-1405)
Evert Sickinghe (genoemd 1388) was een telg van de adellijke familie Sickinghe en tussen 1388 en 1405 meermaals burgemeester van de stad Groningen. Hij was een tijdgenoot van Lubbert Sickinghe en Johan Sickinghe, eveneens burgemeesters van Groningen.[1]
Als burgemeester
In 1388 trad Sickinghe op als een van de scheidslieden die uitspraak deden in een geschil tussen het klooster van Aduard en de stad Groningen.[2]
In 1400 werd hij, blijkens een op Sint-Agathadag uitgevaardigde stadsbrief, genoemd als burgemeester die samen met zijn collega's de bewoners van het Heilige Geestgasthuis vrijstelde van het leveren van wagens en andere stadsdiensten.[3]
In 1405 behoorde Sickinghe tot de zes vertegenwoordigers van de stad Groningen die een vredesverdrag sloten met Frederik van Blankenheim, de toenmalige bisschop van Utrecht. Dit verdrag kwam tot stand na jarenlange conflicten, waarin de bisschop zijn gezag als landsheer over de stad probeerde te handhaven, terwijl Groningen zich in deze periode steeds zelfstandiger ontwikkelde. Het verdrag werd formeel afgekondigd op Sint-Lucasdag (18 oktober) te Coevorden. In het kader van dit verdrag stelde Sickinghe zich mede borg voor de naleving van de afspraken tussen de bisschop, de stad Groningen en de Ommelanden.[4]
Familie
Hij behoorde tot de adellijke familie Sickinghe, die in de late middeleeuwen meerdere vertegenwoordigers in het bestuur van Groningen leverde.
- Literatuur
- D.W. Sickinghe, Zeven Eeuwen. Der Sickinghe Musiefwerk, z.pl. 1958 (typoscript), Deel I-B, p. 197-203.
- Noten
- ↑ Gvers, Gietman, Kuiper en Ronnes; Mensen van Adel, Beelden, manifestaties, representaties, Hilversum 2007. p. 59-62.
- ↑ Groninger Oorkondenboek, No. 783 (10 mei 1388)
- ↑ Groninger Oorkondenboek, No. 1057 (5 februari 1400)
- ↑ Groninger Oorkondenboek, No. 1221 (28 september 1405)
| Voorganger: Wicboldus Everardi |
Burgemeester van Groningen 1388, 1393, 1395, 1397, 1399, 1401, 1403, 1405 |
Opvolger: Jarich Coppiins |