Geschiedenis van de vrijmetselarij in België

De geschiedenis van de vrijmetselarij in België kan in vier formeel afgelijnde en inhoudelijk samenhangende periodes worden opgedeeld, die samenvallen met de invloed van vier verschillende maçonnieke obediënties of grootmachten.

Oostenrijkse periode

1721-1794

Logegebouw La Parfaite Union in Bergen, gebouwd volgens de plannen van architect Hector Puchot in 1890

De geschiedenis van de vrijmetselarij in de Zuidelijke Nederlanden is de geschiedenis van de vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Deze geschiedenis is te situeren in een periode die start met de Vrede van Utrecht in 1713 en eindigt met de Franse annexatie van 1794.

In vele maçonnieke geschiedenissen wordt gesteld dat de oudste vrijmetselaarsloge op Belgische bodem reeds in 1721 in het Henegouwse Bergen werd gesticht onder de naam Parfaite Union. Tevens wordt gesteld dat in 1730 in het Vlaamse Gent en het Henegouwse Doornik twee verdere loges zijn ontstaan. Historische documenten die deze beweringen onomstotelijk bewijzen bestaan echter niet.

In 1738 verschijnt een Franse vertaling van een Engels vrijmetselaarsgeschrift van de hand van Samuel Pritchard (Masonry Dissected) in de Belgische contreien. Dit werd heruitgegeven in 1743 te Gent.

Historische bronnen bevestigen dat in het jaar 1743 een eerste loge wordt opgericht in Brussel onder de naam L'Égalité. De Fransman Joseph Uriot, een toneelacteur, was er lid van. Hij schreef in 1744 een boekje getiteld Le secret des franc-maçons mis en évidence. Hiernaast bestond zeer kortstondig een tweede loge. Beiden werden in 1743 gesloten in opdracht van keizerin Maria Theresia.

Vanaf 1740 werden er verschillende loges opgericht door buitenlandse militairen of burgers, die in België vertoefden en voornamelijk afkomstig waren uit Engeland en Frankrijk. Zo waren bijvoorbeeld Britse troepen aanwezig in de Zuidelijke Nederlanden van 1742 tot 1748 ten tijde van de Spaanse Successieoorlog en van 1755 tot 1762 ten tijde van de Zevenjarige oorlog. De vrijmetselarij verspreidde zich gestaag. Er bestonden loges in Philippeville (1744), in Namen (1747), in Antwerpen (1749), in Luik (ca. 1749), in Bergen (1748), in Ieper (ca. 1756) in Kortenberg (1756) en wellicht ook in Oostende (ca. 1746).

De personen die tijdens deze periode loges oprichtten hier ten lande deden dit op eigen initiatief en zonder mandaat van een buitenlandse obediëntie. Voorbeelden hiervan zijn Jean Rousset de Missy, Nicolas Louchier de Jericot en Thomas Chambers Cecil. Het staat historisch vast dat vele van deze loges voor korte, of langere tijd bestonden. Maar deze organisatorische anarchie kon niet blijven duren, en er werden voorzichtige pogingen ondernomen om tot organisatorische en structurele samenwerking te komen.

In 1763 werd te Gent voor het eerst een loge opgericht, Le Candeur, die erkend werd door de Grootloge van Holland uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze obediëntie was reeds in 1756 opgericht. In 1765 werd een tweede Gentse loge, La Bienfaisante, eveneens erkend door het Grootloge van Holland.

In 1764/1765 werd de Aalsterse loge La Discrète Impériale erkend met nummer 278/341 door de Premier Grand Lodge of England. In 1768 werd een Gentse loge, La Constante Union, erkend onder het nummer 427 en in 1770 werd een Doornikse loge, Les Frères Réunis, erkend onder nummer 394. De aanvraag van de Gentse loge La Discrète Imperiale et Royale richting de Premier Grand Lodge of England werd niet aanvaard.

In het Prinsbisdom Luik ontstond de eerste vrijmetselaarsloge in 1749 onder de naam La Nymphe. In 1760 werd de vrijmetselarij verboden door de toenmalige prins-bisschop. Zijn opvolger, Franciscus Karel van Velbrück, beschermde de orde (men heeft zelfs lang gedacht dat hij vrijmetselaar was). Andere loges werden gesticht in 1770 en 1775.

In Bergen stonden sedert 1763 twee loges met elkaar in concurrentie, La Parfaite Union en La Vraie et Parfaite Harmonie. In 1765 werd de Zuidelijke Nederlander François Bonaventure Joseph du Mont, Markies de Gages ingewijd in de Bergense loge La Vraie et Parfaite Harmonie. Als intimus van de Franse prins Louis de Bourbon-Condé, grootmeester van de historische Grande Loge de France, werd hij in 1776 benoemd tot Grand maître provincial et inspecteur général des loges rouges et bleues pour les provinces de Flandres, de Brabant et de Hainaut . Op deze wijze trachtte ook hij de onafhankelijke loges onder een centraal gezag te groeperen en te doen aansluiten bij de Grande Loge de France. Loge La Vraie et Parfaite Harmonie zou een belangrijke rol spelen bij dit proces, maar vanuit de landelijke loges bestond er weinig animo voor het Franse project en slechts La Parfaite Égalité Bruges sloot zich aan. Verder introduceerde de Gages de hogere gradenvrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden.

Zegel en Grootzegel van de Provinciale Grootloge van de Oostenrijkse Nederlanden.

Daarnaast was de Grand Lodge of Scotland als maçonnieke grootmacht aanwezig in de Belgische contreien, erkend door de Naamse loge La Parfaite Union.

In 1770, werd de Gages tot grootmeester van de Grande Loge Provinciale des Pays-Bas Autrichiens benoemd, een provinciale grootloge van de Premier Grand Lodge of England. In 1779 waren reeds negen loges lid geworden en in 1786 waren er 26 loges lid van deze provinciale grootloge.

De Luikse loges verkozen in groten getale hun onafhankelijkheid te bewaren, en weigerden zich aan te sluiten bij de Grande Loge Provinciale des Pays-Bas Autrichiens. Enkele loges sloten zich aan bij de Grand Orient de France, die ondertussen de Grande Loge de France was opgevolgd..

Toen keizer Jozef II in 1780 alleenheerser werd hervormde hij dramatisch de vrijmetselarij. Vanuit een verlicht rationalisme verbood hij in 1783 alle confrérieën en godvruchtige genootschappen en verving deze door één centrale Confrérie van de universele liefdadigheid.

De loges werden in een eerste fase geherstructureerd door de oprichting van een uniforme Grande Loge Provinciale Unie pour les Pays-Bays Autrichiens. In 1785 telde ze twintig loges. Deze provinciale grootloge stelde echter – in tegenstelling tot haar zusterobediënties uit Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Lombardije, Galicië en Zevenburgen – het besluit om zich aan te sluiten bij de Nationale Grossloge von Österreich steeds uit.

Jozef II verbood in 1785-86 vervolgens het lidmaatschap van een loge bij een buitenlandse obediëntie en beperkte het aantal vrijmetselaarsloges tot drie loges te Brussel. Het moet dan ook niet verbazen dat de heersende mentaliteit in de plaatselijke loges uitgesproken anti-Oostenrijks was en pro-Zuidelijke Nederlanden.

Evaluatie

Van de ongeveer negentig verschillende loges die bestaan hebben gedurende de 18e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik bestond meer dan de helft maar voor zeer korte tijd. Slechts 38 loges konden langer dan drie jaar ononderbroken werken.

Deze 18e-eeuwse vrijmetselaars behoorden hoofdzakelijk tot de gegoede middenklasse, de kleine adel en de burgerij. Loges die voornamelijk rekruteerden uit andere sociale klassen werden niet erkend door de Provinciale Grootloge voor de Oostenrijkse Nederlanden. Zo werd de Gentse loge La Constante Union in 1781 heropgericht als De Stantvastige Eendracht en hanteerde de volkstaal. Zij werd niet opgenomen en verdween opnieuw in 1786. Ook de in 1784 opgerichte Gentse loge La Félicité Bienfaisante, de Antwerpse loge La Parfaite Union, de Brusselse loge L'Union Fraternelle en de Oostendse loge Les Trois Niveaux hadden gelijkaardige problemen.

Loges met vele adellijken en leden van de hogere burgerij kenden dergelijke problemen niet. Voorbeelden daarvan waren La Parfaite Intelligence in Luik, Les Frères Réunis in Doornik en Les Amis Thérésiens in Bergen. Deze laatste was een loge die uitsluitend uit katholieke geestelijken bestond. Een loge aan de Universiteit Leuven bestaande uit studenten, geestelijken en adellijken werd verboden door de autoriteiten.

Alhoewel de moederobediëntie lange tijd Engels was, stonden de loges in de Zuidelijke Nederlanden toch bloot aan Franse invloed. Na de oorspronkelijke erkenning en oprichting door de Engelse grootloge, werd vooral naar Frankrijk gekeken voor verdere inspiratie en ontwikkeling. De contacten met de continentale, Franse loges, waren frequent. Zo werd ook de hoge gradenvrijmetselarij zeer populair in de Oostenrijkse Nederlanden.

Na een volgend edict van keizer Jozef II uit 1785-86 bleef er in de Belgische contreien zo goed als niets meer over van de in de loop van de 18e eeuw gegroeide vrijmetselarij. Op het einde van de 18e eeuw begon aldus onder Frans, Nederlands en Belgisch bewind de totale heropbouw van de vrijmetselarij gedurende de ganse 19e eeuw.

Franse periode

Zie Vrijmetselarij in België onder het Frans bewind voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

1794-1815

Deze periode begint formeel met het de annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden door de Franse Republiek in 1794. Ze eindigt met de nederlaag van keizer Napoleon Bonaparte te Waterloo in 1815, gevolgd door het Congres van Wenen. Deze periode staat ook wel bekend als de Franse tijd.

In 1789 brak het gewapende verzet uit tegen het bewind van keizer Jozef II van Oostenrijk in de provincies Brabant, Vlaanderen en Henegouwen, en een jaar later ook in Antwerpen, Namen, Limburg en Luxemburg. Deze opstand - ook wel de Brabantse Omwenteling genaamd - onder leiding van Hendrik van der Noot, lid van loge Les Vrais Amis de l'Union, mislukte.

Bij het begin van de Franse annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden en Luik in 1794 stond de vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden op een zeer laag pitje. Veel loges hadden noodgedwongen elke activiteit moeten staken. Onder het Franse revolutionaire regime kende zij een eerste grote bloei. Dit kwam mede doordat er vele Franse militairen verbleven in de Belgische contreien. Slapende loges werden heropgericht, zoals de Gentse loge La Constante Union in 1809, of nieuwe loges werden opgericht. Ook militaire loges schoten als paddenstoelen uit de grond. In 1798 werd door een groep Franse militairen en ambtenaren de Brusselse loge Les Amis Philanthropes opgericht. Deze loge zou zich later ontwikkelen tot spil in de verdere ontwikkeling van vrijmetselarij in België.

Eind 1813 telden de negen Verenigde Departementen opnieuw 34 vrijmetselaarsloges. 6 hiervan waren reeds opgericht onder de Grande Loge Provinciale Unie pour les Pays-Bays Autrichiens en overgegaan naar het Grand Orient de France, 28 loges werden opgericht vanuit het Grand Orient de France.

Evaluatie

In tegenstelling tot de Britse en Oostenrijkse pogingen om tot eenheid te komen, werd er vanuit Franse hoek nooit een provinciale grootloge opgericht: de incorporatie van de Zuidelijke Nederlanden in Frankrijk was steeds de bedoeling. Van 1795 tot 1814 maakt de geschiedenis van de Belgische vrijmetselarij dan ook integrerend deel uit van die van het Grand Orient de France. In deze tijd werd de Franse invloed op de Belgische vrijmetselarij geconsolideerd en werd de trend richting uitgesproken vrijzinnigheid ingezet.

Nederlandse periode

1815-1830

Prins Frederik als Grootmeester, ca. 1870. Schilderij B. de Poorter, collectie Vrijmetselarijmuseum

Het Noorden en het Zuiden werden in 1815 samengesmolten tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op het Congres van Wenen. Koning Willem I der Nederlanden was vorst van de eenheidsstaat. Aldus was de rol van de Grand Orient de France structureel uitgespeeld. Maar inhoudelijk bleef ze de trendsetter, niet alleen tot het uitbreken van de Belgische Revolutie, maar ook daarna.

Op dat moment telden de Zuidelijke Nederlanden 37 loges. Vlak nadien werden nog volgende loges opgericht: te Les Enfants de la Concorde Fortifiée te Luxemburg-stad, L'Aménité te Sint-Niklaas, Aurore te Oudenaarde, L'Accord Parfait te Lokeren, Les Amis Français te Vlissingen, La Constance en La Parfaite Réunion te Maastricht en La Liberté Constante te Roermond.

De Brusselse loge Les Amis Philanthropes probeerde tevergeefs een Grande Loge de Belgique op te richten. Dit mislukte, het Grootoosten der Nederlanden verving haar en speelde tot 1830 een centrale rol.

Het Grootoosten der Nederlanden, onder grootmeester Prins Frederik der Nederlanden, werd geherstructureerd en opgedeeld in twee provinciale grootloges. De loges van de Zuidelijke Nederlanden werden in 1817 verenigd in de Grande Loge d'Administration des Provinces Méridionales des Pays-Bas. Prins Charles de Gavre, laatste directe afstammeling van de Graven van Hoorn, werd tot provinciaal grootmeester benoemd. Voor het Noorden was Anton Reinhard Falck provinciaal grootmeester.

Evaluatie

In de praktijk bleef een wezenlijke integratie achterwege. Dit is te wijten aan de verschillende historische, godsdienstige, taal- en cultuurinvloeden die heersten in Noord en Zuid.

Prins Frederik was zeer kritisch tegenover de hogere gradenvrijmetselarij, en ook kritisch aangaande de christelijke symboliek die veelvuldig gebruikt werd binnen de vrijmetselarij. Vooral in het Zuiden werd dit niet gewaardeerd. Onder het grootmeesterschap van Frederik der Nederlanden zijn de landmerken steeds in ere gehouden in Noord en Zuid en vonden er, bijvoorbeeld, geen discussies plaats over politieke en religieuze onderwerpen. Wel trachtte de Prins de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden op maçonniek gebied te verenigen, onder meer door de oprichting van de Afdeling van de Meestergraad.

De hoofdbekommernis van de Grootloge der Nederlanden was de invloed van de Franse vrijmetselarij terug te dringen in het Zuiden. In 1830 brak echter de Belgische Revolutie uit.

Belgische periode

1830-1884: Belgische onafhankelijkheid en unionisme

Na de Belgische Revolutie werd op 23 februari 1833 het Grootoosten van België (G.O.B.) opgericht onder de bescherming van koning Leopold I van Saksen-Coburg-Gotha. De obediëntie werd als regulier erkend door de United Grand Lodge of England.

Leopold I, zelf ingewijd in het Zwitserse Bern in de loge Zur Hoffnung, vertrouwde het grootmeesterschap toe aan baron Goswin de Stassart.

Tempel Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion

Sommige loges zoals de Gentse loge Septentrion en Les Vrais Amis, de Lokerse loge L'Accord Parfait en de Sint-Niklaase loge L'Aménité bleven nog lange tijd trouw aan het Grootoosten der Nederlanden. In 1835 werd de Gentse loge La Félicité Bienfaisante heropgericht onder het Grootoosten der Nederlanden. Het Gentse en Oost-Vlaamse orangisme bleef tot 1882 nawerken.

Op 20 november 1834 ontstond onder impuls van de loge Les Amis Philanthropes de Université Libre de Bruxelles. De latere grootmeester Pierre-Théodore Verhaegen was de grote promotor.

In 1837 verscheen er van de hand van Kardinaal Engelbert Sterckx een schrijven gericht aan alle katholieken dat in navolging van de encycliek Mirari Vos uit 1832 het onverenigbaar was lid te zijn van vrijmetselaarsloges. Vele katholieken verlieten de loges, waaronder Félix de Mérode die in 1830 was ingewijd in de Brusselse loge L'Union des Peuples. In 1841 diende ook Goswin de Stassart, de eerste grootmeester, zijn ontslag in (maar bleef wel vrijmetselaar)

Er ontstond in 1837 een tegenhanger voor het Grootoosten van België, door de oprichting van de Fédération Maçonnique Belge in het Luikse. Reden was interne tegenstand tegen het grootmeesterschap van Pierre-Théodore Verhaegen, die geen kans onbenut liet om het liberalisme verder te verspreiden. De loges werden kernen van antiklerikaal verzet. Tussen 1834 en 1842 richtte het Grootoosten van België veertien nieuwe loges op. De Fédération Maçonnique Belge werd in 1854 weer opgeheven, de resterende loges traden toe tot het Grootoosten.

Onder impuls van de vrijmetselarij werd in 1841 de Société de l’Alliance opgericht, die in 1846 zou uitgroeien tot de liberale partij. Eugène Defacqz werd de eerste voorzitter, hij was tevens grootmeester van het Grootoosten van België. In 1847 won de Association Libérale et Constitutionelle de parlementsverkiezingen en werd voor het eerst een homogeen liberaal kabinet gevormd, onder leiding van Charles Rogier, een vrijmetselaar.

In 1854 werden de statuten gewijzigd en werd artikel 135, dat de behandeling van politieke en religieuze vraagstukken verbood, geschrapt. Van een goedmoedige en filantropische instelling was de Belgische vrijmetselarij geëvolueerd tot een strijdende liberale actiegroep. Het toelaten van politieke en religieuze discussies in de tempels, was in strijd met een van de fundamentele principes, de landmerken van de vrijmetselarij. Dit leidde tot de afsplitsing van een aantal loges, zoals Les Vrais Amis de l'Union, die zich onder de Opperraad van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus voor België (Suprême Counseil de Rite Écossais Ancien et Accepté) schaarden. De erkenning door reguliere obediënties van het Grootoosten van België werd ingetrokken.

De vrijmetselarij was de doorslaggevende factor en initiatiefnemer van wat nu paramaçonnieke organisaties kunnen worden genoemd. In 1863 werd de onder impuls van de vrijmetselarij de vereniging La Libre Pensée opgericht, die instrumenteel was in de strijd voor burgerlijke begrafenissen. De Ligue de l’Enseignement, die niet alleen opkwam voor de verdediging van het rijksonderwijs maar de volledige laïcisering wilde doorvoeren, werd in 1864 door vrijmetselaars gesticht.

In 1817 was de Opperraad voor België van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus opgericht om de hogere graden van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus te verlenen. Ook binnen het Grootoosten van België waren deze hogere graden populair. Dit is een problematisch gegeven gebleven tot 1870 toen beide obediënties tot een vergelijk kwamen. Het Grootoosten van België ging exclusief de drie symbolische graden verlenen, terwijl de Opperraad exclusief de dertig hogere graden van de A.A.S.R. ging verlenen. Deze overeenkomst bleef bestaan tot 1959.

De oprukkende vrijzinnigheid ging verder. In 1872 schrapte het Grootoosten van België, tien jaar voor het Grand Orient de France, artikel 12 van de statuten elke verwijzing naar de Opperbouwmeester van het Heelal. Niet veel later werd de aanwezigheid van de Bijbel uit de loges gebannen. Een aantal andere buitenlandse Grootloges verbrak dan ook de vriendschappelijke relaties met het Belgisch Grootoosten, terwijl de meeste andere de contacten tot een minimum beperkten. Op het einde van de 19e eeuw verloor het Grootoosten van België definitief zijn erkenning als reguliere obediëntie.

Prominente liberale politici, bijvoorbeeld Pierre Van Humbeeck en Jules Bara, bereidden binnen de loges en de Ligue d'Enseignement de onderwijswet voor, die in 1879 in het parlement werd goedgekeurd (zie Eerste schoolstrijd (1878-1884)). In 1880 verbrak de liberale regering de diplomatieke betrekkingen met de Heilige Stoel en werden een aantal fnuikende maatregelen tegen de geestelijkheid genomen.

Onder de radicaal liberale regering Frére-Van Humbeeck (1878-1884) bereikte de politieke invloed van de loge een eerste hoogtepunt. De wet Van Humbeeck op het lager onderwijs werkte sterk polariserend. Bij de verkiezingen van 1884 leden de liberalen een verpletterende nederlaag en kon de katholieke oppositie de meerderheid verwerven, en deze behouden tot de Eerste Wereldoorlog.

Van antiklerikaal werd de Belgische vrijmetselarij daarna gaandeweg antigodsdienstig. Deze evolutie liep parallel met het versterkt dogmatisme van de Katholieke Kerk, waarvan de pauselijke encycliek Quanta Cura uit 1864, en de hierbij horende Syllabus Errorum een illustratie zijn.

1884-1917: Katholieke meerderheid

Nu de Belgische vrijmetselarij geen directe regeringsmacht meer had, was er belangstelling voor interne zaken. Een actieve minderheid van de vrijmetselaars waren niet liberaal, en behoorden tot een meer radicale groep. De onbetwiste leider van de radicalen was Paul Janson, die grote belangstelling had voor sociale vraagstukken en voorstander was van het algemeen stemrecht.

In 1887 kwam het tot een open breuk met de gematigde liberalen en Janson richtte een progressieve partij op, die opkwam voor stemrecht voor alle burgers die lezen en schrijven konden, verplicht lager onderwijs, regeling van de kinderarbeid, wettelijk statuut voor de vakbonden, afschaffing van het lotingsysteem, gelijkheid van de twee nationale talen en volledige scheiding tussen Kerk en Staat. Dit programma sloot nauw aan bij dat van de in 1885 opgerichte Belgische Werkliedenpartij. Na de electorale doorbraak van de socialisten sloten vele radicalen zich dan ook aan de BWP.

De politieke en ideologische tegenstellingen hielden een grote bedreiging in voor het Grootoosten. Dankzij de modererende invloed van Goblet d’Alviella en van de militaire auditeur en maçonniek auteur Pierre Tempels kon een definitieve breuk worden vermeden. Na 1894 werden de gemoederen bedaard door bindende stemmingen over politieke en religieuze thema's in loges te verbieden. Er groeiden in de grote steden ook een veelheid aan loges, die een thuishaven werden voor diverse filosofische stromingen en aldus de interne discussies verminderden. Zo splitste in 1894 de Brusselse loge Les Amis Philanthropes Bruxelles in twee, de loge Les Amis Philanthropes nº 1 voor socialisten en Les Amis Philanthropes nº 2 Bruxelles. Deze afgesplitste loge nº 2 zou later opnieuw splitsen in een nº 2 alpha en nº 2 omega.

In 1881 werd te Brugge de loge La Flandre opgericht. In 1883 telde het Belgische Grootoosten 2.789 leden. In 1887 publiceerde de Brusselse uitgeverij Tillot een boek getiteld La Belgique maçonnique met daarin een lijst van 5.500 vrijmetselaars tussen 1830 en 1885.

In 1910 werd er een Belgische Ligue Antimaçonnique Belge opgericht, in navolging van gelijkaardige Franse initiatieven. Die waren er in Frankrijk gekomen omdat een groot schandaal was ontstaan toen bekend werd dat er een geheime dienst binnen het Grand Orient de France actief was, die lijsten maakte van 'goede' en 'slechte' republikeinen. Deze lijsten werden aan de regering en het gerecht bezorgd voor toekomstige benoemingen.

Op 21 november 1910 hield Georges Martin, grootmeester van de Ordre Maçonnique Mixte International Le Droit Humain een voordracht in de loge Les Amis Philantropes (nº 1) . In de nasleep hiervan werd op 22 februari 1911 de eerste Belgische gemengde loge van Le Droit Humain opgericht, nº 45 Egalité in Brussel. Dat gebeurde in de tempel van Les Amis Philantropes (nº 1). Vele loges zonden schriftelijke steunbetuigingen. Alhoewel het Belgische Grootoosten Le Droit Humain nog niet officieel erkende werden vele vrijmetselaars dubbellid van deze gemengde obediëntie, bijvoorbeeld leden van Les Amis Philantropes (nº 1), Les Amis du Commerce et de la Perséverance Réunis te Antwerpen, La Constance te Leuven en Les Philadelphes en Le Travail te Verviers.

Maar niet iedereen binnen het Belgische Grootoosten was het hiermee eens. In sommige gevallen kwam het opnieuw tot splitsingen, zo is de loge Les Amis Philanthropes nº 3 te Brussel ontstaan als afsplitsing van Les Amis Philanthropes in deze materie.

De hele negentiende eeuw werd de Belgische vrijmetselarij structureel uitgebouwd in relatief grote eenheid binnen het Belgische Grootoosten. In de twintigste eeuw zou echter aan deze eenheid een einde komen en een toenemende verbrokkeling zou gaandeweg optreden.

1914-1918: Eerste Wereldoorlog

In 1913 telde de Belgische vrijmetselarij 4.300 leden. In dat jaar werd in Genval de wilde loge Pax et Concordia opgericht door Gustave Smets-Mondez, die tevens lid was van Les Amis Philanthropes nº 1 te Brussel. In 1914 verlegde deze loge haar werking naar Londen. In 1918 keert ze terug naar Genval, waar ze korte tijd later inslaapt.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de activiteiten in bijna alle loges stilgelegd. Onder de Duitse bezetter werden wel enkele militaire loges opgericht op Belgische bodem, bijvoorbeeld de loges Graal an der Schelde te Antwerpen (1915), Stern von Brabant te Brussel (1915) en Zum Eisernen Kreuz te Luik (1914).

Ook werden tijdelijk Belgische loges in het buitenland opgericht, bijvoorbeeld de loge Albert de Belgique, Grand Maître Charles Magnette en Grande Loge Chapitrale des Maîtres Ecossais de Saint-André te Londen, Nous Maintiendrons te Den Haag, La Belgique te Parijs, La Patrie nº 1 te De Panne en La Patrie nº 2 te Calais. Deze loges verdwenen weer kort na de Eerste Wereldoorlog, en het maçonnieke leven in België hernam zijn werking. In 1918 telde de Belgische vrijmetselarij 3.700 leden.

1918-1939: Interbellum

Vanaf 1922 werden er officiële vriendschapsverdragen gesloten tussen het Franse Grand Orient en Le Droit Humain. In België werd de tweede loge van Le Droit Humain opgericht, Vérité te Brussel in 1924, andere loges volgden daarna. Op 28 mei 1928 ontstond de Belgische federatie van Le Droit Humain.

In het Interbellum werd de vrijmetselarij zwaar gecontesteerd langs katholieke zijde. Kranten zoals De Standaard, Gazet van Antwerpen, La Libre Belgique en Le Vingtième Siècle publiceerden scherpe kritiek op de vrijmetselarij. Ook de politiek rechterzijde, waarbij Léon Degrelle en zijn partij Christus Rex een belangrijke rol speelde, gaven openlijk kritiek.

In verschillende landen werd de vrijmetselarij buiten de wet gesteld: in de Sovjet-Unie in 1917, in Hongarije in 1919, in Italië in 1925, in Portugal en het Derde Rijk in 1935, in Polen in 1938 en in Spanje in 1940. Individuele vrijmetselaars reisden naar Duitsland, Spanje en Italië en namen deel aan de strijd die daar woedde.

Vanaf 1939 viel de vrijmetselarij de Belgische neutraliteitspolitiek af en ijverde voor samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Voordien werd de neutraliteit gesteund en de hoop gesteld op de Volkenbond, waarvan een publieke verklaring van het Grootoosten van België uit 1925 stelde 'dat zij op politiek vlak hetzelfde nastreeft als de vrijmetselarij op het moreel vlak'. Het G.O.B. was dan ook medeoprichter van de Internationale Vrijmetselaarsfederatie voor de Volkenbond. Bepaalde radicale krachten binnen de Belgische vrijmetselarij stonden zelfs het algehele pacifisme voor.

Enkele loges voerden terug de aanwezigheid van de Bijbel en de aanroeping van de Opperbouwmeester van het heelal in tijdens hun werking. Een voorbeeld hiervan is loge Les Amis Philanthropes nº 2 te Brussel die dit in 1939 doorvoerde. Het ging echter om een formele invoering van deze begrippen, met louter symbolische waarde.

1939-1945: Tweede Wereldoorlog

In 1939 had het Grootoosten van België zijn archief uit veiligheidsredenen overgebracht naar Londen. Wat er nog restte aan archiefmateriaal werd door de Duitse bezetter in beslag genomen en naar Duitsland overgebracht. Op het einde van de oorlog werden deze archieven door Sovjet-troepen naar Moskou overgebracht. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog telde het G.O.B. 4.500 leden.

In 1941 werden op last van de Nationaalsocialisten alle loges gesloten. Deze regel gold trouwens niet alleen voor de vrijmetselarij, ook andere broederschappen en esoterische groeperingen ondergingen hetzelfde lot. De vrijmetselaarstempels werden opengesteld voor het publiek en er werden anti-maçonnieke tentoonstellingen in georganiseerd, bijvoorbeeld in Brussel, Gent, Luik, Namen, Kortrijk, Ieper, Oostende, Brugge, Leuven en Hasselt.

Opnieuw werden Belgische loges op vreemde bodem geopend, bijvoorbeeld de loge Belgique-Luxembourg in New York en Albert de Belgique te Londen. Enkele leden van het Grootoosten van België richtten zelfs loges op in concentratiekampen: Liberté Chérie in Esterwegen en L'Obstinée in Fischbeck.

Ondanks deze moeilijke tijden bleven sommige loges in het geheim en ondergronds verder werken. Talrijke broeders werden dan ook door de Gestapo gearresteerd en enkelen stierven in de concentratiekampen. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog telde het G.O.B. nog 2.900 leden.

1945-heden: Postbellum

Na de oorlogsjaren kwam de vrijmetselarij moeilijk terug op gang. Het Grootoosten richtte slechts de eerste nieuwe loges op vanaf 1956. Onder aansturing van Herman Bekaert werd binnen het Belgische Grootoosten gekeken of een samenwerking met de reguliere Angelsaksische obediënties tot de mogelijkheden behoorde. Deze tendens zou voor onrust zorgen tot 1979 en voor afsplitsingen van loges en het vormen van nieuwe obediënties.

In 1954 hadden één derde van de loges van het Belgische Grootoosten het voorbeeld van Les Amis Philanthropes nº 2 te Brussel nagevolgd. Intern werd er volop gediscussieerd, maar er werd geen compromis gevonden. Een poging om toe te treden tot de Conventie van Luxemburg[1], afgesloten tussen vijf reguliere obediënties uit Nederland, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland in 1954, mislukte. Om aan de vernietigende discussie een einde te maken werd er een motie voorgelegd om verdere discussie te staken en alles bij het oude te laten. Deze resolutie werd op 8 maart 1954 aanvaard met 80 stemmen tegen 22.

In 1956 werd de eerste Nederlandstalige loge van het Droit Humain opgericht, Broederschap te Brussel.

Op 4 december 1959 besloten enkele loges zich af te splitsen van het Grootoosten van België en richtten twee dagen later te Luik de Grootloge van België op, in een poging de maçonnieke regulariteit opnieuw te verwerven. De letter van de statuten van de nieuwe obediëntie waren regulier, maar de geest van zeer vele vrijmetselaars was dit absoluut niet. Van de 5.000 leden van het Grootoosten van België stapten er 1.100 over naar de Grootloge.

De eerste erkenning gebeurde door de Opperraad voor België van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus in 1960. Deze opperraad voor het hogere gradensysteem van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus had in de 19e eeuw een historisch verdrag gesloten met het Belgische Grootoosten. Het G.O.B. had exclusieve bevoegdheid met betrekking tot de drie symbolische graden terwijl de opperraad exclusieve bevoegdheid kreeg voor de hogere graden. Dit verdrag werd in 1960 beëindigd met de erkenning van de G.L.B. Dit had de oprichting van een tweede, nieuwe opperraad tot gevolg die een nieuw exclusief verdrag met het Belgische Grootoosten afsloot, het Soeverein College van de Schotse Ritus voor België. De Grootloge van België werd in 1965 officieel erkend door de United Grand Lodge of England, andere reguliere obediënties volgden.

In 1961 was het Grootoosten van België een van de elf initiatiefnemers van het Centre de Liaison et d'Information des Puissances Maçonniques Signataires de l'Appel de Strasbourg (C.L.I.P.S.A.S.), een internationale koepel van adogmatische obediënties in een poging om tot grotere internationale maçonnieke eenheid te komen.

Op 20 april 1974 richtte de Grand Loge Féminine de France (G.L.F.F.) een eerste loge in Brussel op. Er volgden bijkomende stichtingen in Luik, Brussel en Charleroi. In 1981 werd onder een Frans charter de Vrouwengrootloge van België (V.G.L.B., Grande Loge Féminine de Belgique) opgericht.

In de jaren die hierop volgden ontstonden er opnieuw interne problemen met het principe van de Grote Architect van het Universum en de Opperbouwmeester van het Heelal. De kritiek kwam uit het buitenland dat enkel lippendienst aan deze beginselen werd gedaan. Bij herhaalde navraag door Angelsaksische obediënties bleek dit te kloppen. In 1979 verbrak de U.G.L.E. dan ook haar banden met het Grootloge van België, hierin snel gevolgd door vele andere obediënties.

Op 15 juni 1979 scheurden zich negen loges af van de Grootloge van België om de Reguliere Grootloge van België te vormen. Dit waren de Brusselse loges L'Union, Les Trois Anneaux en Chevalier Ramsey alsmede de loges Marquis de Gages en Les Trois Briques te Waterloo, King Leopold I te Bergen, Les Disciples de Salomon te Leuven, L'Avenir et L'Espérance te Charleroi en De Wijngaardenrank te Aarschot. Het betrof een 300 vrijmetselaars.

De eerste erkenning gebeurde opnieuw door de Opperraad voor België van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus, die het verdrag met de G.L.B. verbrak. Als gevolg hiervan kwam er een derde, nieuwe opperraad bij die een nieuw exclusief verdrag met de G.L.B. afsloot. Enige tijd later werd zelfs een vierde, nieuwe opperraad opgericht, die zowel met G.O.B. als G.L.B. een verdrag afsloot met betrekking tot de hogere graden van de A.A.S.R.

De nacht van 28 september 1986 kwam het Belgische Grootoosten in het nieuws naar aanleiding van een mysterieuze bomaanslag op zijn zetel, gevestigd aan de Lakensestraat 79 in Brussel. De avond van 29 september was een grote gemengde interobediëntiële zitting gepland vanwege Les Amis Philanthrophes (n° 1), alwaar de PS-senator en fractieleider, en logebroeder, Roger Lallemand tekst en uitleg zou geven met betrekking tot zijn wetsvoorstel tot depenalisering van abortus provocatus. Als een gevolg van de aanslag kon de geplande logezitting niet doorgaan. De aanslag werd nooit opgeëist, en de daders werden nooit gevonden. Verdachtmakingen aan het adres van de anti-abortusorganisatie Pro Vita of voormalig advocaat Jean-Michel Systermans konden nooit hard worden gemaakt.[2]

Op 11 november 2006 werd te Brussel de gemengde obediëntie Lithos Confederatie van Loges opgericht. De initiatiefnemers kwamen uit het Grootoosten van België, Droit Humain, de Groot Loge van België en het Grootoosten van Luxemburg. Sommige loges, die oorspronkelijk behoorden tot Internationale Vrijmetselaarsorde Le Droit Humain, scheurden zich van deze laatste af, in een streven naar meer transparante werking, democratie en autonomie.

Evaluatie

De situatie van de Belgische vrijmetselarij staat in sterk contrast met de situatie in de meeste andere landen van de wereld. Een kleine minderheid van de loges in België vertonen immers overeenkomsten met de meest gangbare vorm van vrijmetselarij, de reguliere vrijmetselarij die er een deïstische visie op nahoudt. De meerderheid van de Belgische obediënties van vrijmetselaarsloges behoort tot de liberale vrijmetselarij, de zogeheten vrijzinnige of adogmatische strekking. Zij bestaat in hoofdzaak uit atheïsten en agnosten die zich richten tegen het klerikale.

De invloed van de liberale vrijmetselarij op de Belgische politiek vanaf de 19e eeuw tot op heden is onloochenbaar. De oprichting, structurering en verspreiding van de liberale partij, de invoering van de burgerlijke begrafenis, het algemeen enkelvoudig stemrecht, echtscheiding, abortus, euthanasie en het homohuwelijk zijn maar enkele voorbeelden hiervan.

Diverse maatschappelijke actieve verenigingen met wortels in de vrijmetselarij hebben met hun gedachtegoed is in de afgelopen anderhalve eeuw de vrijzinnigheid in België politiek en maatschappelijk gerealiseerd. Een historisch overzicht van tientallen van dergelijke verenigingen is terug te vinden in de ‘Dictionnaire historique de la laïcité en Belgique’.[3] Hierin worden tevens de maçonnieke wortels ervan aangeduid. Enkele voorbeelden zijn:

Zie ook

Appendix