Oejezd Senaki

Сенакский уезд
Oejezd Senaki
Oejezd in Keizerrijk Rusland
1867  1930
Kaart
Locatie in het gouvernement Koetais in het onderkoninkrijk van de Kaukasus.
Locatie in het gouvernement Koetais in het onderkoninkrijk van de Kaukasus.
Algemene gegevens
Hoofdstad Senaki
Oppervlakte 2.127 km²
1.869 werst²
Bevolking 130.591 (1912)
Religie(s) Oosters-Orthodox
Uitsnede van Senaki van bestuurlijke en etnografische kaart van het gouvernement Koetais uit 1902 (census 1886).
Uitsnede van Senaki van bestuurlijke en etnografische kaart van het gouvernement Koetais uit 1902 (census 1886).
Portaal  Portaalicoon   Rusland

Het oejezd Senaki (Russisch: Сенакский уезд, Senakski oejezd; Georgisch: სენაკის მაზრა, Senakis mazra) was een bestuurlijke eenheid en provincie (oejezd) in het gouvernement Koetais van het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk. De provincie lag in het westen van het moderne Georgië in het cultuur-historische gebied Mingrelië.

Geschiedenis

Het Russische Rijk annexeerde vanaf 1810 het westen van Georgië, maar vond weerstand in met name de berggebieden maar ook het vorstendom Mingrelië. Deze gebieden waren in de eerste helft van de 19e eeuw Russische protectoraten met vergaande autonomie. Na de Krimoorlog werd onder andere in Mingrelië het lokaal verzet tegen het Russische gezag verslagen en werd het vorstendom afgeschaft.[1]

Met het einde van de Kaukasusoorlog in 1864 werd Mingrelië omgevormd naar het Russische bestuursmodel en geheel ondergeschikt gemaakt aan het gouvernement Koetais, waar het al nominaal bij hoorde. Het voormalige vorstendom werd op 16 april 1867 (O.S.) verdeeld in een aantal nieuwe provincies: Zoegdidi, Letsjchoemi en Senaki.[2]

Na de val van het tsaristische bewind in 1917 hield het gouvernement Koetais op te bestaan, maar de provincies bleven tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930 bestaan, ook tijdens de republiek Georgië (1918-1921). In 1930 werd de provincie Senaki opgeheven toen de nieuwe Sovjet-districten werden opgericht.[3]

Economie

De belangrijkste economische activiteit in Senaki was destijds agrarisch van aard, met name landbouw. Het totale bebouwde areaal in Senaki besloeg eind 19e eeuw ongeveer 12,5% van de provincie. De veeteelt was slecht ontwikkeld door een tekort aan voer en natuurlijke weiden. Het belangrijkste gewas was maïs, dat verhandeld werd op de stations Abasja en Senaki voor verder transport. Tarwe, gomi (trosgierst), rogge, erwten, bonen, hennep en katoen werden voor eigen gebruik verbouwd.[4]

De ooit belangrijke wijnbouw in de streek was eind van de 19e eeuw in verval geraakt door schimmelziekten. Daarentegen was de zijderupsenteelt vrij belangrijk en wijdverspreid onder de plattelandsbevolking, dat uitsluitend door vrouwen werd uitgevoerd. De fabrieksindustrie was slecht ontwikkeld. De eerste Transkaukasische spoorlijn Tbilisi - Poti liep vanaf haar opening in 1872 door het zuiden van de provincie, wat bijdroeg aan de economische ontwikkeling.

In Nokalakevi was aan de linkeroever van de Techoeri een minerale bron met verschillende baden die bekendheid genoot. Het water was zout-alkalisch, met een temperatuur van 25 graden celsius en was goed tegen aandoeningen van het lymfestelsel, de longen en de urinewegen.

Geografie

De haven van Poti medio 1886.

Het oejezd Senaki lag in het centrale deel van het gouvernement Koetais met in het zuidwesten de Zwarte Zee en de belangrijke havenstad Poti. Hier was moerassig laagland, bijna volledig bedekt met weelderige vegetatie dat een ongezond klimaat kende.[4] De provincie grensde binnen het gouvernement in het westen aan de provincie Zoegdidi, in het noorden aan Letsjchoemi, in het oosten aan Koetais en over het gehele zuiden aan Ozoergeti.

In het noordoosten van de provincie bevonden zich de uitlopers van de Grote Kaukasus, waar het Egrisigebergte tot 3000 meter reikt. In het gebergte ontspringen verschillende rivieren, zoals de Techoeri, die parallel aan elkaar door de lengte van de provincie stroomden naar het laagland in het zuiden en die uitmonden in de Rioni, de grootste rivier van West-Georgië. Ongeveer 40 procent van het grondoppervlak bestond destijds uit bossen van onder andere beuken, kastanjes, elzen en eiken.[4]

In 1912 was de provincie afgerond 1.869 vierkante werst groot (2.127 km²).[5] De oejezd Senaki vormde het oostelijke deel van de streek Mingrelië, een van de historische Georgische cultuurgebieden, en viel samen met de moderne Georgische gemeenten Abasja, Senaki, Martvili, de stad Poti en het zuiden van Chobi.

Bestuurlijke indeling

De provincie Senaki was initieel ingedeeld in drie gemeentelijke districten (oetsjastok), ook wel politiedistricten genoemd, namelijk Abasjski, Martvilski en Nakalakevo.[6] In latere jaren was Nakalakevo gesplitst in Bandzinski en Senakski. De nummers I tot en met III in de tabel verwijzen naar de nummers op de etnografische kaart in de infobox en de bijbehorende census van 1886.

Bestuurlijke onderverdeling oejezd Senaki
DistrictCentrumOpp.[7]
(werst²)
Inwoners
18861912
Poti (stad)4.7098.358
IAbasjski
Абашскій участокъ
Abasja-31.00940.555
IIMartvilski
Мартвильскій участокъ
Martvili-36.41338.475
IIINakalakevo
Накалакевскій участокъ
Oud-Senaki-36.154-
IIIaBandzinski
Бандзинскій участокъ
Bandza--29.152
IIIbSenakski
Сенакскій участокъ
Nieuw-Senaki--14.051
Totaal1.869108.285130.591
Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886;[8] Kaukasische kalender 1913;[5]

Demografie

Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 115.785 mensen in Senaki. In 1912 waren dat er 130.591.

Demografie van het oejezd Senaki
JaarTotaalGeorgiërs[9]ArmeniërsGriekenJodenRussenTurken
1886 108.285106.037
(97,9%)
502
(0,5%)
471
(0,4%)
521
(0,5%)
223
(0,2%)
161
(0,1%)
1897 115.785112.147
(96,9%)
448
(0,4%)
401
(0,3%)
448
(0,4%)
1.519
(1,3%)[10]
173
(0,1%)
Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886;[11] Russische volkstelling van 1897;[12][13] Kaukasische kalender 1913;[5]

Etniciteit en religie

In het oejezd Senaki woonden vrijwel alleen maar etnische Georgiërs, waarvan het grootste deel Mingreels (86 procent) en Imeretianen (13 procent). De tweede grote groep waren de Russen, die net als Armeniërs, Grieken en de kleine gemeenschap Turken vooral in havenstad Poti woonden. De Georgische Joden woonden voornamelijk in de dorpen Soedzjoena (district Abasja) en Bandza.[14]

In lijn met de bevolkingssamenstelling gaf ruim 98 procent in de volkstelling van 1897 aan tot een Oosters-orthodoxe kerk te behoren. Het merendeel van de rest was Joods (een procent), en kleinere gemeenschappen Armeens-Apostolisch (0,3%), Armeens-Katholiek (0,3%) en moslim (0,2%).[15]

Zie ook

Referenties