Struiklaag
Vegetatiestructuur en -textuur |
|---|
|
De struiklaag is de vegetatielaag van 1,35–8 m hoogte. Gewoonlijk wordt deze laag gedomineerd door struiken. Daaronder wordt van de kruidlaag en daarboven van de boomlaag gesproken. Ook voor struiken geldt, dat de aanwezigheid van licht cruciaal is. Vaak komen struiken voor in de mantelvegetatie langs een bos en op plaatsen waar een gat in het bladerdek ontstaan is, bijvoorbeeld na windworp.
De aan- of afwezigheid en de mate van ontwikkeling van een struiklaag verschilt per formatie. Zo is de struiklaag in een struweel (afgezien van dwergstruwelen) altijd aanwezig en vormt daar de dominante vegetatielaag. Ook in een bos is (onder de boomlaag) vaak een struiklaag aanwezig, maar dat hoeft niet het geval te zijn.
Veel struiken zijn voorzien van stekels of doorns waarmee ze zich beschermen tegen vraat door grote grazers. Vaak kunnen zaailingen van bomen beschermd door die naalden hier tot wasdom komen en het begin vormen van een nieuw bos.
Fauna

Verscheidene diersoorten zijn gebonden aan vegetatie met een (goed ontwikkelde) struiklaag. Onder de zoogdieren bijvoorbeeld is de hazelmuis een soort die veruit het grootste deel van zijn leven in de struiklaag doorbrengt, en deze dus nodig heeft in zijn habitat. Onder de vogels bijvoorbeeld zijn de fitis en heggenmus aangewezen op de struiklaag.[1]
Fotogalerij
Braamstruweel waarin dijkviltbraam de struiklaag domineert.
Een loofbos met Pontische rododendron in de struiklaag.
Zie ook
- ↑ Stortelder, A.H.F., Schaminée, J.H.J. & Westhoff, V. (1995). Vegetatiestructuur. In: Schaminée, J.H.J., Stortelder, A.H.F. & Westhoff, V. De vegetatie van Nederland. (pp. 169–170). Opulus Press, Uppsala/Leiden.