Cultuurvolger

Zie Cultuurvolger (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Cultuurvolger.
Merel
Grote weegbree

Een cultuurvolger is een organisme dat bij zijn verspreiding gebruikmaakt van de mogelijkheden die de mens het biedt. In het geval van dieren hoort hier ook bij dat ze weinig angst voor de mens hebben.

Vogels

Een voorbeeld is de merel (Turdus merula), die tot aan het einde van de 19e eeuw een schuwe bosvogel was. In de twintigste eeuw trok deze soort steeds meer naar bewoond gebied, het werd een aan de menselijke omgeving gewende algemeen voorkomende vogel in tuinen en parken.

De blauwe reiger (Ardea cinerea) kan, net als de fuut (Podiceps cristatus), sinds het einde van de twintigste eeuw met regelmaat als broedvogel in steden worden aangetroffen. Ook de aalscholver (Phalacrocorax carbo) en de kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) voelen zich steeds meer thuis in een onnatuurlijke versteende omgeving.

De Turkse tortel (Streptopelia decaocto) komt sinds de jaren 1950 voor in Nederland en België. In 1950 was bij Oldebroek het eerste broedgeval.[1] In België dateert het eerste vastgestelde broedgeval van 1955, bij Knokke. Rond 2015 werd in Nederland een stabiel aantal van zo'n 60.000 broedparen geteld. Ze kwamen vooral voor in stedelijk gebied.[2]

Planten

Vestiging of inburgering is een belangrijk criterium bij de statusaanduiding van plantensoorten in een gebied. Hierbij zijn zowel het tijdstip als de wijze van vestiging (inburgering) van belang. Tot de cultuurvolgers behoren de archeofyten en de neofyten (exoten).[3]

Planten die zich reeds in de prehistorie hebben gevestigd ten gevolge van menselijke activiteit worden archeofyten genoemd. Dit zijn 'oude' cultuurvolgers, ze worden gewoonlijk tot de inheemse flora gerekend. Archeofyten volgden de ontwikkeling van de landbouw. Ze zijn vanuit andere streken naar een gebied waar zij niet inheems waren gemigreerd. Het betreft een aantal akkeronkruiden, zoals bolderik, wilde haver en oot, korrelganzenvoet, klein streepzaad, kroontjeskruid, groene naaldaar, ringelwikke, smalle weegbree. Ook gewone vlier en brandnetel zijn cultuurvolgers. Ze vestigen zich bij voorkeur op plaatsen waar de bodem door de activiteiten van de mens betrekkelijk voedselrijk is geworden. Tredplanten zijn meestal ook cultuurvolgers. Een goed voorbeeld zijn sommige weegbreesoorten, deze vestigen zich graag op plaatsen waar andere planten niet kunnen groeien omdat er te veel gelopen wordt. Ook veel grassen, zoals straatgras, vestigen zich graag tussen straatstenen.

Planten die zich pas in historisch tijd in door de mens beïnvloede plantengemeenschappen hebben gevestigd, heten exoten, ook wel neofyten genoemd. Voorbeelden van exoten zijn kalmoes, Canadese fijnstraal, harig knopkruid, kaal knopkruid, zonnebloem, klein springzaad, schijfkamille, tomaat, cranberry, draadereprijs en grote ereprijs.

Amerikaanse vogelkers is vanaf de jaren 1920 als 'vulhout' in productiebossen aangeplant. De soort bleek zich als zaailing in grote aantallen op te slaan, ook op plaatsen waar dat ongewenst was. De spontane groei werd daardoor al snel gezien als een plaag die bestreden diende te worden. Dit geldt vooral in verstoringssituaties, zoals op kapvlaktes, waar door versnelde mineralisatie van het strooisel stikstofverbindingen in de bodem versneld vrijkomen. Door de verhoogde stikstofdepositie vanuit de lucht komt de struik, die tot boom kan uitgroeien, ook in meer natuurlijke bossen en duingebieden steeds vaker voor.

Plantengemeenschappen

Ook plantengemeenschappen kunnen cultuurvolgend optreden. Uitgesproken cultuurvolgende associaties in Nederland zijn bijvoorbeeld de kruipertje-associatie, de associatie van vetmuur en zilvermos, de muurbloem-associatie en de kribbenmos-associatie.

Zie ook