Prehistorie van Zuidwest-Azië
De prehistorie van Zuidwest-Azië omvat de geschiedenis van Zuidwest-Azië vanaf de vroegste menselijke migraties vanuit Afrika tot de historische periode van het Oude Nabije Oosten.
Zuidwest-Azie wordt al ongeveer 2 miljoen jaar bewoond door mensachtigen. Neanderthalers bevolkten bijvoorbeeld het gebied rond de berg Karmel in de Levant, de Shanidargrot in Irak en de Behistungrot in Iran. Tot ongeveer 12.000 jaar geleden leefden de mensen uitsluitend als mobiele groepen jager-verzamelaarss. Na het einde van de laatste ijstijd begonnen ze echter geleidelijk over te stappen op een sedentaire levensstijl met landbouw en veeteelt als basis voor hun levensonderhoud. Volgens de huidige kennis vond dit proces wereldwijd voor het eerst plaats in de zogenaamde Vruchtbare Sikkel, het centrale gunstige gebied van het oude Zuidwest-Azië.
Paleolithicum
Vroegpaleolithicum
Oldowan
De pre-Acheuléen-industrie van de gelaagde grotsite van Al-Guza in Jemen wordt gekenmerkt door een inventaris die typisch is voor Oldowan-sites. Stenen werktuigen gevonden in Aïn al Fil in Syrië werden met behulp van paleomagnetisme betrouwbaar gedateerd op ouder dan 1,77 miljoen BP. In Jordanië werden Oldowangereedschappen gevonden in afzettingen van de Dawqara-site in de Zarqa-vallei, gedateerd op 1,95-2,48 miljoen BP.
De oudste menselijke fossielen buiten Afrika zijn de in Georgië gevonden Dmanisi-mensen, gedateerd op 1,8 miljoen BP. Oorspronkelijk ingedeeld bij de Afrikaanse Homo ergaster, werden ze in 2002 herbenoemd als een aparte Homo georgicus die evolutionair tussen Homo habilis en Homo erectus zou staan. In 2013 werd Homo georgicus door zijn naamgevers herroepen, die nu spraken van een Homo erectus ergaster georgicus.
Acheuléen
In Israël is de micro-industrie op de Evron-steengroeve-site gedateerd op 1,5 tot 2,4 miljoen BP. De microlithische industrie op de Israëlische site van Bizat Ruhama is gedateerd op ca. 1 miljoen BP. De artefacten in Bizat Ruhama waren gemiddeld ca. 25 mm lang. Overblijfselen uit Ubeidiya (Israël) zijn gedateerd op ca. 1,4 miljoen BP. Artefacten van het Libanese Joub Jannine en de Syrische vindplaatsen Al-Lataminah in Hama en El-Meirah in El Kowm worden onderscheiden als een speciaal type Levantijns Acheuléen, ook bekend als "Lataminah-facies". Ongeveer 0,7 miljoen BP oude overblijfselen van Homo erectus zijn bekend van de vindplaats Gesher Benot Ya’aqov in Israël, en 0,45-0,5 miljoen BP oude resten van de site Nadaouiyeh Aïn Askar in Syrië.
Middenpaleolithicum
Nesher Ramla-mens
In 2010 werden bewijzen van een lithische industrie ontdekt tijdens archeologische opgravingen op de Nesher Ramla-site. In 2021 werden de eerste resten van de Nesher Ramla-mens ontdekt en geïdentificeerd. Ze werden beschreven als een uitgestorven populatie van archaïsche mensen die tussen 420.000 en 120.000 jaar geleden in West-Azië leefde. De fossielen vertonen overeenkomsten met andere moeilijk te classificeren vondsten, zoals die uit Qesem, Mugharet el-Zuttiyeh en Tabun.
Vroege aanwezigheid van moderne mensen?
De botten van een vermeende moderne mens uit de Misliyagrot (Misliya 1) in het Karmelgebergte zijn gedateerd op 194.000 tot 177.000 BP, en zouden daarmee de oudste fossielen van anatomisch moderne mensen (homo sapiens) buiten Afrika zijn. Deze vroege menselijke migratie lijkt echter geen aantoonbare blijvende sporen in de latere bevolking van Eurazië achtergelaten te hebben.
Neanderthaler-expansie
Tijdens het middenpaleolithicum, aan het begin van het mariene isotopenstadium MIS 4, ongeveer 71.000 BP. vond een neanderthaler-expansie vanuit Zuidoost-Europa of het Anatolische plateau naar de Levant plaats. In het middenpaleolithicum werd de Levant bewoond door neanderthalers van een ander antropologisch type dan die in Europa. Er zijn sporen gevonden van de steenwerktuigindustrie uit het Moustérien, en in de Kebaragrot in het Karmelgebergte werden neanderthalerresten van ongeveer 60.000 BP gevonden.
Laatpaleolithicum
De definitieve migratie van de moderne mens uit Afrika lijkt plaatsgevonden te hebben via de Bab el Mandeb aan het zuideinde van de Rode Zee. In de betreffende periode was het zeeniveau lager en de oversteek smaller. Vondsten van op sommige Afrikaanse vondsten lijkende stenen werktuigen suggereren de aankomst van de moderne mens in het zuiden van het Arabisch Schiereiland vanaf 125.000 jaar geleden (Jebel Faya, Verenigde Arabische Emiraten), en in Oman (106.000 BP). Vanuit hier kon de moderne mens via de eilandjes in de Straat van Hormuz Zuid-Iran en daarmee Eurazië bereiken. Vondsten van 75.000 jaar oude werktuigen bij Jwalapuram in Zuid-India lijken sterk op genoemde vondsten in Zuid-Arabië en Afrika. Opmerkelijk genoeg lijkt de moderne mens zich relatief snel richting Zuid- en Zuidoost-Azië te hebben verspreid, en al vóór 65.000 BP Australië had bereikt, terwijl de Levant nog door neanderthalers bewoond werd.
Er zijn menselijke voetafdrukken uit 120.000 BP gevonden rond een uitgedroogd paleomeer in Saoedi-Arabië. De site is Alathar genoemd, Arabisch voor 'het spoor'. In 2020 kwamen door erosie 376 afdrukken van mensen en dieren bloot te liggen in de afzettingen van een verdwenen meer.[1] Het ging om olifanten, kamelen en reuzenbuffels, naast spiesbokken zoals aangetroffen onder 233 fossielen. De dieren leefden er in het Eemien (120.000 BP), in een weelderig grasland aan een meer dat ook werd opgezocht door de mens.
In 2016 werd bij Al Wusta in de Nefud-woestijn van Saoedi-Arabië een 85.000 jaar oud fossiel van een menselijke vinger opgegraven.[2]
Omdat buiten Afrika slechts dragers van mitochondriaal DNA haplogroep L3 voorkomen, wordt vermoed dat deze allen afstammen van een kleine groep L3-dragers die vanuit Oost-Afrika de Rode Zee overstak en wiens nakomelingen uiteindelijk de rest van de wereld zouden koloniseren.
Levant
In de Manotgrot in Galilea is de schedel van een moderne mens gevonden, gedateerd op 54.700 BP. Het Emiran was de oudst bekende laatpaleolithische cultuur in Israël, Palestina, Libanon en Syrië, daterend van 60.000 tot 40.000 BP. Ze is opmerkelijk omdat ze niet lijkt te zijn afgeleid van een bekende oudere cultuur in Eurazië of Afrika, en daarmee inheems is in de Levant. Ze werd opgevolgd door het Ahmarian en het Levantijns Aurignacien. Vanaf dit stadium migreerden de eerste moderne mensen waarschijnlijk naar Europa en ontstond het Europese laatpaleolithicum, inclusief het Proto-Aurignacien en het vroege Aurignacien. De relatie tussen het Levantijnse Aurignacien en het Europese Aurignacien is echter nog onzeker.
Epipaleolithicum
De eerste permanente nederzettingen van mensen die nog steeds in hun voedselbehoeften voorzagen door middel van jagen en verzamelen, dateren uit de periode van de Kebaracultuur. Deze werd gevolgd door de Natufische cultuur, welke wijdverspreid was in Palestina en Syrië. Voor deze mensen waren granen zeer belangrijk als voedsel, dus kan worden aangenomen dat ze begonnen met het domesticeren van wilde grassen. Vondsten uit Tell Abu Hureyra en Baydha suggereren dat op bepaalde diersoorten bij voorkeur werd gejaagd. De jacht op dieren vond niet langer willekeurig plaats: men wilde de populatieomvang op peil houden. Het wild werd kleiner: in plaats van de uitgestorven megafauna waren er gazellen in de Levant, schapen in het Zagrosgebergte en geiten in het hele Zuidwest-Azië.
Het verzamelen van kruiden en bonen, maar ook zaden en wilde granen, breidde zich uit.
De steenindustrie was gericht op microlithisme. De eerste stampers verschijnen, waarmee de schil van het wilde graan kon worden verwijderd. Rond 10.000 v.Chr. wordt de hond gedomesticeerd.
De belangrijkste culturen uit deze periode waren de Kebaracultuur in het huidige Israël en het Zarzian in het huidige Irak.
Begin van ambachtelijke productie
De volgende fase was de periode van de eerste ambachtelijke productie (ca. 10.000-7500 v.Chr.). De domesticatie van vee, het gebruik van melk en wol, en de eerste experimenten met plantenteelt begonnen.
Mensen begonnen hun nomadische levenswijze te verlaten ten gunste van mobiele nederzettingen. Deze nederzettingen bevonden zich vrijwel uitsluitend in het laaggebergte om, rekening houdend met de ecologische regio, het hele jaar door de meest diverse voedselbronnen, van hoogland tot laagland, beschikbaar te hebben.
Rond 10.000 v.Chr. verbeterde het klimaat. Het werd gemiddeld warmer en natter, en er viel nu voldoende neerslag om een permanente grasbedekking en eiken- en pistachebomen te laten groeien.
De belangrijkste vindplaatsen uit deze periode zijn gevonden in Iran (Shanidargrot en Zawi Chemi), Koerdistan (Kamir Shahir), Lorestan (Ganj Dareh en Asiab) en Khuzestan (Bus Morde). De meest wijdverspreide culturen uit deze periode zijn het Natufian (vondsten in Israël, Jordanië en Syrië in het midden van de Eufraat) en het prekeramisch neolithicum A. De laatste twee culturen dateren van vóór die in het Zagrosgebergte.
De woningen zijn er in twee soorten: seizoensgebonden, afhankelijk van de wildbewegingen, en permanente, waarrond de landbouw begon. Deze laatste bestonden uit ronde huizen met een in de grond verzonken basis. Een belangrijke innovatie, die de duurzaamheid van de nieuwe nederzettingen aangeeft, was de bouw van kuilen voor het bewaren van voedsel, bekleed met een pleisterlaag.
De economie was nog gebaseerd op jagen en verzamelen, vissen en het verzamelen van fruit en planten. Dit type zelfvoorzienende economie bleef bestaan, zelfs na het begin van landbouw, aangezien de eerste pogingen tot akkerbouw (het verbouwen van eenkoren, emmertarwe, gerst en fruitbomen) en veeteelt (voornamelijk geiten en runderen) nog geen stabiele voedselbron opleverden. De jacht en visserij bleven bestaan dankzij de verbetering van de technologie van stenen werktuigen, aangezien er nu pijlpunten en vishaken verschenen. Tegelijkertijd verschenen er ook sikkels voor de oogst.
Hoewel geleidelijke domesticatie succesvol was voor sommige kleine herkauwers (geiten en schapen, waarmee mensen een symbiotische relatie ontwikkelden), werd in sommige gevallen de korte periode van domesticatie gevolgd door een terugkeer naar de jacht (zoals in het geval van de gazelle). Naast het gebruik van melk en huiden leidde de veranderde relatie tussen mens en dier ook tot een grote verandering in de houding ten opzichte van de jacht. Na verloop van tijd begonnen de jagers steeds vaker alleen mannetjes te doden.
Directe contacten tussen de verschillende gemeenschappen lijken gering te zijn geweest, vanwege de enorme afstanden tussen de gemeenschappen en natuurlijke barrières.
Tegen het einde van deze ontwikkelingsfase duiken er tekenen van doelgerichte cultivatie op. Het meest opvallende voorbeeld is Mureybet aan de midden-Eufraat, waar eenkoren en wilde gerst buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied werden verbouwd. Soortgelijke trends werden waargenomen bij de teelt van emmertarwe en gerst in Jericho.
Neolithicum

Prekeramisch neolithicum A
Uit het op het epipaleolithicum volgende prekeramisch neolithicum A (9500-8300 v.Chr.) zijn minder vindplaatsen bekend dan uit het Natufian. In de weinige die er zijn, zijn echter enkele fundamentele innovaties geïdentificeerd. Zo werd bijvoorbeeld in de zon gedroogde leemsteen gebruikt om ronde gebouwen te bouwen, zoals in de toren van Jericho. Nederzettingen hadden nu ook gemeenschapsgebouwen, zoals in Jerf el Ahmar. De meest spectaculaire vindplaats uit het prekeramisch neolithicum A is Göbekli Tepe, een monumentaal cultuscomplex dat waarschijnlijk werd gebouwd door een niet-sedentaire bevolking, en waarvan de oorsprong teruggaat tot het begin van het 10e millennium v.Chr.
Prekeramisch neolithicum B
In de daaropvolgende periode van het prekeramisch neolithicum B (9100-8000 v.Chr.) begonnen mensen rechthoekige huizen met meerdere kamers te bouwen, bijvoorbeeld in Çayönü. Vergeleken met ronde woningen konden rechthoekige woningen worden uitgebreid, op elkaar gebouwd of aan elkaar vastgemaakt. Huizen konden rond een binnenplaats of in een schaakbordpatroon worden geplaatst. Dit laatste type is typisch voor nederzettingen in Can Hasan III in Anatolië of in Buqros aan de midden-Eufraat).
Samenwerking tussen families speelde een belangrijke rol in nederzettingen, die plaats boden aan 250-500 mensen. Een voorbeeld van samenwerking tussen families in die tijd was de bouw van de vestingwerken van het neolithische Jericho: om deze reden wordt Jericho doorgaans beschouwd als de eerste stad in de geschiedenis, hoewel dit chronologisch en methodologisch onjuist is. Ook in Jericho werden duidelijke sporen van het patriarchaat gevonden: schedels van voorouders werden bewaard en er werden afbeeldingen van gezichten van klei op geplakt.
Dorpen met vierkante huizen, de teelt van kruiden en groenten, het fokken van geiten, schapen en varkens (en later ook rundvee) zijn kenmerkend voor het prekeramisch neolithicum B in Syrië en Palestina, maar ook voor Çayönü en Cafer Höyük in de uitlopers van het Taurusgebergte, Jarmo in Koerdistan, Tepe Guran in Lorestan en Ali Kosh in Khuzestan.
Groeiende nederzettingen met tot 1000 inwoners en een gelijktijdige toename van het aantal nederzettingen duiden op een sterke bevolkingsgroei, die nu ook landbouw en veeteelt beoefende. De eerste belangrijke kunstwerken, zoals de beelden van 'Ain Ghazal en Nevalı Çori, dateren ook uit deze periode. De overledenen van deze gemeenschappen werden gewoonlijk begraven onder de vloer van hun huizen en voorzien van grafgiften. Deze bestonden vaak uit luxe goederen die voortkwamen uit vroege handel over lange afstanden.
Tegelijkertijd waren er ook relatief achtergebleven centra: Baydha in Jordanië is een nederzetting van mensen die, hoewel ze een sedentaire levensstijl leidden, nog grotendeels afhankelijk waren van de jacht. In de Negev en Woestijn van Judea bestonden er nog steeds seizoensgebonden nederzettingen van jagers. De nederzettingen waren volledig autonoom, maar de contacten tussen hen breidden zich uit en overbrugden soms grote afstanden bij de export van materialen zoals bouwsteen, metalen en schelpen. De handel in obsidiaan uit Anatolië en Armenië, schelpen uit de Middellandse Zee, de Rode Zee en de Perzische Golf ontwikkelde zich.
Keramisch neolithicum

Het meest opvallende kenmerk van de volgende periode, het keramisch neolithicum (8000-5500 v.Chr.), was het doelgericht gebruik van aardewerk, hoewel dit in eerdere perioden ook sporadisch werd aangetroffen. Aardewerk begon een belangrijke rol te spelen, vooral na de uitbreiding van de graanteelt. De methode om granen te bewaren in grote aardewerken vaten, pithoi, zal echter pas later verschijnen: voorlopig werd graan bewaard in kuilen die verlaten werden zodra er insecten verschenen. Aardewerk wordt meer gebruikt om te koken en als vat, minder vaak voor vloeistoffen. Stenen vaten zijn vrij zeldzaam. Vaatwerk van hout en riet (en rieten matten) waren blijkbaar ook gebruikelijk, maar vanwege de vergankelijkheid van het materiaal is het bewijs van hun bestaan schaars.
De belangrijkste vindplaats uit deze periode is Çatalhöyük, waarvan de huizen gepleisterd en versierd waren met muurschilderingen of beschilderde reliëfs. Net als in de voorgaande periode werden mensen voornamelijk begraven onder woonvertrekken, maar niet onder opslagruimten of openbare ruimtes. Grafgiften werden beperkt tot individuele graven, mogelijk van de toen opkomende lokale elite.
De volledige overgang van de economie naar zelfvoorzienende landbouw en veeteelt ging gepaard met nieuwe ambachtelijke technologieën: textiel (hoewel niet bewaard gebleven, bewezen door afdrukken op aardewerk en de aanwezigheid van specifieke gereedschappen voor de vervaardiging ervan, zoals spindels), aardewerk (begon met name te verschijnen in de buurt van het Zagrosgebergte: aangetoond in Ganj Dareh en Tepe Guran), en gedegen koper (in Çayönü, vlak bij de grote afzettingen in Ergani-Maden).
Er is een duidelijke verbetering en specialisatie van bestaande technologieën (pijlpunten, sikkels, gereedschappen voor leerbewerking, het slachten van dieren). Macrolieten, bekend sinds het paleolithicum, als de latere microlieten, die in het epipaleolithicum in gebruik kwamen, verdwenen. In dit stadium zijn pijlpunten, schrabbers en priemen voor de leerbewerking, sikkels voor het verzamelen van kruidachtige planten, messen voor het slachten van vee en het versnijden van karkassen bewaard gebleven en nog steeds wijdverspreid. Talrijke houten gereedschappen (of handvatten), die zeker in de landbouw werden gebruikt, zijn niet bewaard gebleven.
De economie was vrijwel uitsluitend gebaseerd op landbouw en veeteelt. Kunstmatige irrigatie maakte de landbouw aanzienlijk productiever. Het malen van granen werd geïntroduceerd en methoden voor langdurige voedselopslag werden verbeterd: het roosteren van granen verminderde de kiemkracht en maakte het gemakkelijker om het kaf te verwijderen. Naast de teelt van gedomesticeerde planten bleven echter ook het verzamelen (inclusief weekdieren en schaaldieren) en de jacht behouden. De veeteelt was vooral gericht op het fokken van honden (voor zowel de verdediging van het huis als voor de jacht), geiten en schapen (die vlees en melk produceerden, maar seizoensgebonden transhumance nodig hadden), varkens (die vrij snel groeiden), runderen (die melk produceerden en waarvoor geen transhumance nodig was) en ezels (die nog steeds in kuddes graasden, maar al wel als trekdier werden gebruikt).
De nederzettingen waren nog steeds autonoom, maar er begon zich een complexer regionaal systeem te vormen. Door nieuwe landbouwtechnieken werd het mogelijk om nederzettingen dichter bij elkaar te leggen. Hierdoor nam de opbrengst sterk toe en nam het oppervlak van de individuele nederzettingen af.
De woningen uit deze periode waren vierkant, gebouwd van een mengsel van klei en stro; op sommige plaatsen waren er structuren van steen, hout of baksteen. De nederzettingen waren vrij verspreid en beslaan een iets groter oppervlak dan de voorgaande. In de regel woonden er meerdere clans (families met een grote omvang) of zelfs maar één in elke nederzetting.
Bij de opgravingen van nederzettingen uit die periode werden geen duidelijke tekenen van sociale stratificatie gevonden, of in ieder geval was dat in de betreffende periode niet merkbaar. Bijna alle woningen waren van dezelfde grootte en indeling, en de gevonden verschillen waren minimaal. Aangenomen mag worden dat het beheer van de economie in handen was van het hoofd van de clan of de ouderen.
In de eerste helft van het 6e millennium v.Chr. trad een periode van stagnatie of crisis in, zoals blijkt uit een merkbare afname van archeologisch materiaal. De crisis hield mogelijk verband met een periode van droogte als gevolg van klimaatverandering.
Vanaf het 6e millennium v.Chr. werden ook de Mesopotamische alluviale vlakten bewoond. De oudste vondsten hier vertegenwoordigen de zogenaamde Umm Dabaghiyah-Sottocultuur (6000-5750 v.Chr.). De mensen leefden waarschijnlijk in gezinnen in rechthoekige huizen van aangestampte leem met twee tot drie kamers. Er is weinig bekend over de begrafenispraktijken, behalve dat sommige ontlede lijken in hun eigen ossuaria werden bewaard, terwijl andere skeletten, vooral die van kinderen, onder de vloer begraven bleven, soms in een aardewerken vat. Gedomesticeerde granen en dieren dienden als belangrijkste voedselbron, terwijl slechts 20 % van de botvondsten duiden op jachtactiviteiten.
Dit gebied, dat moerassig en vrijwel onbewoonbaar was tot de geleidelijke drainage- en kanalisatiewerkzaamheden (die in deze periode begonnen), begon geleidelijk bevolkt te raken. De belangrijke Eridu-cultuur (ook bekend als oude Obeidcultuur) ontstond, die uiteindelijk de gebieden zou bestrijken waar later Sumer, Akkad en Elam zouden ontstaan. Deze cultuur kenmerkt zich voornamelijk door de productie van ardewerk, maar pas in de lagen 15-17 (rond 5000 v.Chr.) ontdekten archeologen voor het eerst sporen van wat later de "stedelijke revolutie" werd genoemd: gebouwen (nog steeds klein) uitsluitend voor religieuze doeleinden.
Tegelijkertijd met de opkomst van Eridu zette zich in Khuzestan een lokale culturele traditie voort, met name vertegenwoordigd door sites zoals Mohammad Jafar en Tepe Sabz (erfgenamen van Ali Kosh). Het ontstaansproces van de Eridu-cultuur is nog steeds onduidelijk: misschien liggen de sporen ervan begraven onder de alluviale laag, of kwam deze cultuur van elders, bijvoorbeeld uit Khuzestan. In Eridu was de zelfvoorzienende landbouw gebaseerd op irrigatielandbouw en visserij.
Een verdere ontwikkeling van de Eridu-cultuur is de vindplaats van Hajji Muhammad nabij Uruk: deze cultuur ontwikkelde zich in het gebied van Eridu in het zuiden tot aan Kish (preciezer: Ras al-Amiya), stak de Tigris over en ontmoette nabij Choga Mami de laatste fase van de Halafcultuur. De Khazine-fase in Khuzestan is eveneens een variant van de Hajji Muhammad-cultuur. Vergeleken met de gelijktijdige Halafcultuur was Neder-Mesopotamië afhankelijk van geïrrigeerde graanteelt en veeteelt (in Ras al-Amiya maken hun botten 45% uit van alle gevonden dierlijke botten), wat overeenkomt met een ecologische context die sterk verschilt van die van de Halaf.
Uit de Umm Dabaghiyah-Sottocultuur ontwikkelde zich de Hassunacultuur (5750-5250 v.Chr.), die wijdverspreid was in Noord-Mesopotamië. Deze cultuur deelt veel kenmerken met haar voorganger, maar beschikte over geavanceerder aardewerk. De latere lagen vertonen vaak een vermenging met de Samarracultuur (5500-5000 v.Chr.), die iets later in Zuid-Mesopotamië ontstond. Deze cultuur kende, naast geavanceerder aardewerk, ook zorgvuldiger gebouwde huizen, bijvoorbeeld in Tell es-Sawwan. Deze gebouwen waren opgetrokken uit kubusvormige leemstenen, waarvan het basisprincipe tot op de dag van vandaag als bouwmateriaal in Zuidwest-Azië bewaard is gebleven.
De Hassunacultuur werd in Noord-Mesopotamië opgevolgd door de Halafcultuur (5500-5000 v.Chr.), die zich vervolgens uitbreidde naar de Middellandse Zeekust en het Zagrosgebergte. De Halafcultuur beoefende droge landbouw, en men leefde waarschijnlijk als kerngezinnen in ronde hutten met een diameter tot zeven meter. Het meest opvallende kenmerk van de Halafcultuur is het typische beschilderde aardewerk, dat in moffelovens met twee kamers werd gebakken. Tijdens haar zuidwaartse expansie stuitte de Halafcultuur op de kopertijd-Obeidcultuur, die uiteindelijk de overhand kreeg.
Op deze basis ontwikkelde zich de Obeidcultuur, die de motor wordt van de culturele eenwording van het Zuidwest-Azië en een soort pauze vormt in de overgang van het neolithicum naar het kopertijd (dat wil zeggen, over het algemeen was het neolithisch qua levenswijze en technologie, maar geleidelijk verschijnen metalen producten in het dagelijks leven, meer vervaardigd door het smeden met een stenen hamer dan door het gebruik van echte metallurgische technologieën). De Halafcultuur daarentegen beleefde een crisis en verdween om nog onduidelijke redenen.
Levant
In het centrale deel van het huidige Syrië lag Byblos, dat een belangrijke rol speelde van het neolithicum tot de bronstijd. Israël liep, vanwege zijn marginale positie ten opzichte van de Mesopotamische beschavingen, achter in zijn ontwikkeling (zo waren de huizen nog rond, met uitzondering van Jericho in Noord-Israël), hoewel schapen zich in die tijd al verspreidden in Syrië en Israël. Aan de andere kant, terwijl de Mesopotamische culturen in het 6e millennium v.Chr. een crisis doormaakten, was er in Israël en Syrië een opleving.
Tijdens het keramisch neolithicum leefden er in Syrië en Israël een aantal lokale culturen:
- Ugarit aan de kust van Opper-Syrië (waarvan de aardewerkresten overeenkomen met de kenmerken van de cultuurlagen A, B en C van de Amuqcultuur; deze cultuur maakte dezelfde crisisfasen door als de Halafcultuur)
- Het gebied rond Byblos (Bekavallei, Damascus)
- Het gebied van de Israëlische hooglanden (Munhata in de Jordaanvallei); het zuiden van Israël (de Negev en de woestijn van Judea) was in die tijd vrijwel verlaten.
Anatolië
Over het algemeen was tijdens de periode van opkomende productie alleen het gebied van de zuidelijke uitlopers van het Taurusgebergte betrokken bij het proces van technologische en sociale ontwikkeling. Later, in het tijdperk van het volledige neolithicum, staken de neolithische culturen de bergpassen over in noordelijke richting, maar het noordelijke deel van het Anatolische schiereiland bleef onbewoond en bedekt met bossen.
De meest bekende site uit het ontwikkelde neolithicum is de protostad Çatalhöyük (ca. 6.500-5.500 v.Chr.), bestaande uit 14 cultuurlagen, waar stenen werktuigen, aardewerk (inclusief onbeschilderde) en een groot cultusplein werden gevonden. Ongeveer een derde van de woongebouwen van Çatalhöyük, dat een oppervlakte van 600 x 350 m beslaat, is opgegraven. Onder andere beroemde Anatolische monumenten uit dezelfde periode dienen Hacılar Höyük en Can Hasan (4.900-4.500) genoemd te worden. De lagen van laatstgenoemde komen overeen met laag I van Hacılar. In Can Hasan werden naast elkaar gelegen gebouwen met één kamer ontdekt: interne kolommen versterken de muren en nemen een groot deel van de woonruimte in beslag. Aardewerk had een rode decoratie op een crème ondergrond. Later begonnen experimenten met polychroom aardewerk, mogelijk onder invloed van de Halafcultuur uit het oosten. Een andere vindplaats die binnen de invloedssfeer van de Halafcultuur viel was Mersin. Laag XVI (4500-4300 v.Chr.) bevat gepolijst polychroom aardewerk. Er werd ook een soort "fort" gevonden, dat doet denken aan het fort van het neolithische Jericho, wat mogelijk wijst op gecoördineerde interfamilieactiviteit in plaats van één enkel controlecentrum.
Kopertijd

De kopertijd begon met de Obeidcultuur (5000-4000 v.Chr.) en kenmerkte zich door het eerste uitgebreide gebruik van metalen, met name koper en eenvoudige bronzen legeringen. Het verspreidingsgebied van de Obeidcultuur besloeg heel Mesopotamië, evenals Syrië en delen van Zuid-Anatolië. Het aardewerk is tot in Qatar, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten gevonden, een duidelijke aanwijzing voor handel over lange afstanden en over zee. Kenmerkend voor de Obeidcultuur waren de huizen met een middenhal, die in latere tijden voornamelijk als tempels fungeerden. Op een oppervlakte van maximaal 200 m² boden ze plaats aan een grootfamilie van maximaal twintig personen. Meerdere van dergelijke huizen vormden nederzettingen, die geleidelijk een stedelijk karakter kregen. Belangrijke nederzettingen waren Tell Brak in Noord-Mesopotamië en met name Uruk en Eridu in Zuid-Mesopotamië. Eridu lag destijds aan een zijloop van de Eufraat en was de centrale cultusplaats van de watergod Enki. De tempel van Eridu stond op een voetstuk, waaruit later de ziggoerats ontstonden die kenmerkend zijn voor het oude Mesopotamië.
De Obeidcultuur werd gevolgd door de Urukperiode (4000-3100 v.Chr.), soms ook wel de Vroeg-Sumerische periode genoemd. De Urukperiode markeerde de overgang van prehistorie naar de geschiedenis met de ontwikkeling van het schrift en de opkomst van steden en vroege stadstaten.
De belangrijkste vindplaats uit deze periode is de stad Uruk zelf, die aan het einde van de periode een oppervlakte van ongeveer 550 hectare had bereikt en daarmee destijds de grootste stad ter wereld was. Tegen het einde van de periode ontstonden langs de Midden-Eufraat verschillende enclaves van de Urukcultuur, waarvan Habuba Kabira Zuid de bekendste is. Deze verspreiding van de Urukcultuur, ook wel de Uruk-expansie genoemd, heeft geleid tot de veronderstelling dat de stedelijke ontwikkeling in Noord-Mesopotamië alleen werd aangewakkerd door contact met het meer ontwikkelde Zuid-Mesopotamië. Recentere bevindingen, waaronder van Tell Brak en Tell Hamoukar, suggereren echter dat stedelijke samenlevingen in Noord-Mesopotamië zich onafhankelijk in een handelscontext ontwikkelden. In de Urukperiode wordt het bestaan van een politieke leiding voor het eerst tastbaar. Deze leiding wordt uitgeoefend door de priester-vorst En, die in veel afbeeldingen verschijnt als een "man in een netrok", vooral op de recent verschenen rolzegels. Om onduidelijke redenen krimpt het verspreidingsgebied van de Urukcultuur aan het einde van het 4e millennium plotseling tot het kerngebied in Mesopotamië. Dit wordt gevolgd door de Jemdet Nasr-periode (3100-2900 v.Chr.), waarin de geavanceerde Sumerische beschaving steeds tastbaarder wordt.
Er ontstond een nieuwe hiërarchie van nederzettingen, verdeeld over drie verschillende niveaus: enerzijds kleine dorpen die zich bezighielden met landbouw en veeteelt, en anderzijds steden waar de activiteiten van productverwerking, uitwisseling en dienstverlening geconcentreerd waren. Het derde niveau bestond uit intermediaire centra die gedecentraliseerde stedelijke functies vervulden. Het landschap waarin een van de drie typen nederzettingen te vinden was, bestond uit moerassen afgewisseld met droge steppen: dergelijke "internodale ruimten" maakten de individuele ontwikkeling van verschillende politieke centra mogelijk, terwijl ze in de economie zorgden voor het gedifferentieerde gebruik van marginale, maar nog steeds belangrijke hulpbronnen: veeteelt, verzamelen en visserij.
De concentratie van eigendommen in de steden verergerde het veiligheidsprobleem, waardoor de noodzaak om arbeid en middelen te investeren in de bouw van verdedigingsmuren onmiskenbaar werd. Eigendom kwam voort uit de handel, die destijds wijdverbreid was, en bestond uit luxegoederen, verzamelde overtollige producten, om nog maar te zwijgen van het technologische erfgoed van gespecialiseerde ambachtslieden en het politiek-ideologische erfgoed geconcentreerd in de tempelsfeer.
Er was een duidelijk statusverschil tussen gespecialiseerde ambachtslieden en boeren. Eerstgenoemden werken met de productiemiddelen van het paleis of de tempel: hun werk wordt gecompenseerd door voedselrantsoenen en stukken land. Deze specialisten vormen dus een elite, maar aan de andere kant zijn ze juridisch en economisch gezien de "slaven" van de koning of god, en tegelijkertijd de directe begunstigden van de herverdeling van goederen. Boeren zijn "vrij" in de zin dat ze de productiemiddelen bezitten waarmee ze in hun basisbehoeften voorzien, maar het surplus van hun productie gaat naar de staat (of, preciezer, naar de proto-staatsgemeenschap, het "opperhoofd", in wiens mechanisme ze eerder donor dan ontvanger zijn).
De organisatorische "sprong" bestond uit de systematisering van de functionele scheiding tussen primaire voedselproductie (landbouw) en technische specialisten (ambachtslieden) in een aantal grote proto-stedelijke centra, terwijl de meer verspreide dorpen overschakelden op puur agrarische productie. De relatie tussen de proto-stad en het dorp was theoretisch complementair, maar in feite hiërarchisch: specialisten die zich bezighielden met activiteiten die niets met voedselproductie te maken hadden, werden ondersteund door de boeren die dit voedsel produceerden: de eerstgenoemden verwierven al snel een hogere sociale status als bezitters van geavanceerdere technologieën in vergelijking met de "eenvoudige" en algemeen bekende landbouwtechnologieën (in feite bestond minstens 80% van de bevolking uit boeren).
Begin van de bronstijd
In de vroege bronstijd (2900-2000 v.Chr.) ontstonden enkele van de eerste geavanceerde beschavingen in de menselijke geschiedenis in Mesopotamië, de Indusvallei en Egypte. Dit was het begin van de historische periode.
Zie ook
- Prehistorie van Anatolië
- Prehistorie van de Levant
- Prehistorie van Armenië
- Prehistorie van Georgië
- Prehistorie van Iran
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Доисторический Ближний Восток op de Russischtalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Alter Orient op de Duitstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- ↑ VRT NWS, 120.000 jaar oude menselijke voetafdrukken in Saudische meerbedding zijn oudste ooit gevonden buiten Afrika. vrtnws.be (25 september 2020). Geraadpleegd op 20 juni 2021.
- ↑ VRT NWS, 85.000 jaar oud menselijk vingerkootje uit Saudi-Arabië stelt Out of Africa-theorie in vraag. vrtnws.be (11 april 2018). Geraadpleegd op 20 juni 2021.