 Nederlandse kampioenschappen marathonschaatsen op kunstijs 2026 |
| Mannen |
| Gehouden in |
Heerenveen |
| Editie |
53 |
| Jaar |
2026 |
| Data |
1 januari |
| Sport |
Marathonschaatsen |
| Accommodatie(s) |
Thialf |
| Medailles |
|
|
|
Vorige: 2025 | | | | Volgende: 2027 |
|
Portaal |
Schaatsen |
|
De wedstrijd voor mannen tijdens de Nederlandse kampioenschappen marathonschaatsen op kunstijs 2026 werd op 1 januari 2026 verreden op Thialf in Heerenveen, Friesland. Daan Gelling werd kampioen. Het zilver werd gewonnen door Casper de Gier en het brons door Jordy Harink.
De wedstrijd kende een gefragmenteerd verloop, met verspreid over de baan meerdere groepen schaatsers. Uiteindelijk bleek een groep van dertien rijders de leidende groep, die gaandeweg andere groepen inhaalde en uit de wedstrijd reed. Vanuit een later aangegroeide kopgroep van eenentwintig rijders wist een viertal zich los te maken en een beslissend gat te slaan. De groene mannen van Team Reggeborgh schaduwde de rijders van Royal A-ware. Er was een groote afval race. Nog voordat de wedstrijd op de helft was waren er van de zestig gestarte rijders nog twintig over.[1]
Vanuit het peloton lieten verschillende schaatsers zich bewust dubbelen. Zij hielpen de kopgroep van vier aan een ronde voorsprong op de rest van het veld. In de sprint van vier leek De Gier Gelling te verrassen, maar na de laatste bocht pakte Gelling toch de leiding terug waarna hij won.[2]
Deze kopgroep bestond uit Mats Stoltenborg, Casper de Gier, Jordy Harink en Daan Gelling. Zij wisten het achtervolgende peloton op een ronde achterstand te zetten, waarmee duidelijk werd dat de nieuwe kampioen uit dit viertal zou komen. In de groep achtervolgers zaten onder andere Marcel Bosker, Jorrit Bergsma en Chris Huizinga, langebaanschaatsers die ook in actie komen op de Olympische Winterspelen.[3]
In de finale bleef een beslissende aanval uit en werd de titel beslist in een sprint. De Gier leek zich na de laatste bocht in een gunstige positie te bevinden, maar op het rechte eind was Gelling de snelste. De Gier eindigde als tweede, Harink werd derde. Stoltenborg bleef als enige van de vier rijders met een ronde voorsprong buiten de medailles.[4]