Charnockitisch gesteente
Charnockitisch gesteente of de charnockitische serie of suite is een groep grofkorrelige kristallijne gesteenten die het mineraal orthopyroxeen bevatten. De chemische samenstelling in de serie varieert, maar is altijd verzadigd in silica. Een ander kenmerk zijn veldspaten met perthitische microstructuren.
De charnockitische serie is genoemd naar charnockiet, een felsisch gesteente dat voornamelijk uit kaliveldspaat en kwarts bestaat.
Voorkomen en eigenschappen
Charnockitisch gesteente komt veel voor in Precambrische terreinen, vaak samen met noriet, anorthosiet en rapakivi. De suite van anorthosiet, mangeriet en charnockiet (AMC) komt veel voor in het Proterozoïcum. Ze is kenmerkend voor de Grenville-provincie van het oosten van Noord-Amerika (Canadees Schild).
De specifieke mineralogie kan alleen ontstaan onder hoge druk en temperatuur. Dit plaatst het ontstaan van charnockitisch gesteente in de onderste delen van de aardkorst.
De gesteentesoorten in de Charnockitische serie zijn soorten granofels. Ze hebben allen een granoblastische textuur: er zijn niet of nauwelijks foliaties of lineaties aanwezig en ze bestaan uit relatief grote, equidimensionale kristallen. Het meeste charnockitisch gesteente bevat sporen van sterke rekristallisatie en deformatie. De aanwezigheid van orthopyroxeen duidt op een hoge metamorfe graad.

Naamgeving en indeling
Het ontstaan van charnockitisch gesteente is niet eenduidig magmatisch, metamorf, of metasomatisch te noemen. Meestal is sprake van een combinatie. Charnockitisch gesteente vertoont echter veel kenmerken van stollingsgesteente. In de IUGS-classificatie wordt het daarom ingedeeld op basis van modale mineralen, zoals gebruikelijk bij magmatisch gesteente. Op grond van de metamorfe mineralen valt charnockitisch gesteente meestal onder granuliet.
Een QAPF-diagram kan bij de naamgeving als stollingsgesteente dienen als hulpmiddel. De samenstelling van charnockitisch gesteente valt altijd in de bovenste driehoek (QAP). Omdat de veldspaten vaak perthitisch zijn is de verhouding tussen kaliveldspaat (A) en plagioklaas (P) lastig vast te stellen. De IUGS raadt aan perthiet als 100% A, mesoperthiet als 50% A en P, en antiperthiet als 100% P te beschouwen.[1]
Charnokitisch gesteente met meer dan 20% kwarts en veel kaliveldspaat is charnokiet. Als meer dan 90% van de veldspaten kaliveldspaat zijn heet het Kfs-charnokiet. Dit gesteente is in feite orthopyroxeenhoudend graniet. Met meer dan 20% kwarts en tussen 65-90% plagioklaas is de correcte naam opdaliet, bij meer dan 90% plagioklaas heet het enderbiet.
De mafische varianten in de charnockitische serie zijn mangeriet en jotuniet. Beide typen bevatten minder dan 20% kwarts; mangeriet is rijker in kalivelspaat en jotuniet rijker in plagioklaas.
Als er mesoperthiet aanwezig is voegt men een letter "m" toe aan de naam, bijvoorbeeld "m-charnockiet".
Voetnoten
- ↑ Le Maitre et al. (2002)
Bronnen en literatuur
- (en) Gill, R., 2010: Igneous Rocks and Processes, A Practical Guide, Wiley-Blackwell, ISBN 978-1-4443-3065-6.
- (en) Le Maitre, R.W. (ed.); Streckeisen, A.; Zanettin, B.; Le Bas, M.J.; Bonin, B.; Bateman, P.; Bellieni, G.; Dudek, A.; Efremova, F.; Keller, J.; Lameyre, J.; Sabine, P.A.; Schmid, R.; Sørensen, H. & Woolley, A.R., 2002: Igneous Rocks, A Classification and Glossary of Terms, Recommendations of the International Union of Geological Sciences Subcommission on the Systematics of Igneous Rocks (2nd ed.), Cambridge University Press, ISBN 978-0-521-66215-4.
- (en) Shelley, D., 1993: Igneous and Metamorphic Rocks under the Microscope - Classification, Textures, Microstructures and Mineral Preferred Orientations, Chapman & Hall, ISBN 0-412 44200-0.