Oejezd Bortsjalo

Борчалинский уезд
Oejezd Bortsjalo
Oejezd in Keizerrijk Rusland
1880  1930
Kaart
Locatie in het gouvernement Tiflis in het onderkoninkrijk van de Kaukasus (1874-1917).
Locatie in het gouvernement Tiflis in het onderkoninkrijk van de Kaukasus (1874-1917).
Algemene gegevens
Hoofdstad Sjoelaveri
Oppervlakte 6.870 km²
6.037 werst²
Bevolking 155.900 (1912)
Religie(s) Armeens-Apostolisch, Islam, Oosters-orthodox
Uitsnede van Bortsjalo van bestuurlijke en etnografische kaart van het gouvernement Tiflis uit 1902 (census 1886).
Uitsnede van Bortsjalo van bestuurlijke en etnografische kaart van het gouvernement Tiflis uit 1902 (census 1886).
Portaal  Portaalicoon   Rusland

Het oejezd Bortsjalo (Russisch: Борчалинский уезд, Bortsjalinski oejezd; Georgisch: ბორჩალოს მაზრა, Bortsjalos mazra) was een bestuurlijke eenheid en provincie (oejezd) in het gouvernement Tiflis van het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk.

Geschiedenis

Op 6 mei 1880 (O.S.) werd het oejezd Bortsjalo als zelfstandige provincie afgesplitst van het oejezd Tiflis, waar het gebied sinds de Russische annexatie van het Georgische koninkrijk Kartli-Kachetië in 1801 bestuurlijk toe behoorde. Bortsjalo was in 1880 de negende provincie in het gouvernement Tiflis.[1] Het bestuurlijk centrum werd het dorp Sjoelaveri.[2]

Bortsjalo werd tot het begin van de 19e eeuw voornamelijk door Tataren (Azerbeidzjanen) bewoond, maar zij werden langzamerhand verdrongen door Russisch bevolkingsbeleid om andere volkeren in het gebied te hervestigen en de Tataren te onderdrukken en onder dwang te migreren naar Ottomaanse of Perzische gebieden.[3] Na de Russisch-Turkse Oorlog van 1828-1929 vestigden zich grote groepen Pontische Grieken vanuit het Ottomaanse Rijk in Bortsjalo, met name in het district Trialeti (Tsalka). Dat begon in 1830 in het dorp Besjtasjeni, waarna verschillende andere dorpen volgden.[4]

Na de val van het tsaristische bewind in 1917 hielden de gouvernementen op te bestaan, maar de provincie bleef tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930 bestaan, ook tijdens de republiek Georgië (1918-1921). Na de opheffing van het gouvernement Tiflis in 1917 en de Georgische onafhankelijkheid in 1918 werd de provincie kleiner. Tussen 1922 en de opheffing van de provincie in 1930 in de Sovjet-Unie, was het territorium verder gereduceerd door onder andere de toekenning van het zuidelijke Lori aan de Armeense sovjetrepubliek.[5]

Doechobors, Molokans en Kaukasusduitsers

In Bortsjalo vestigden verschillende kolonistengroepen die in hun thuisgebied verketterd werden. Zij kregen van het tsaristisch regime toestemming om naar Bortsjalo en andere delen van Transkaukasië te verhuizen. Vanaf 1818 vestigden families uit de Duitse streek Zwaben in het gouvernement Tiflis. Deze Kaukasusduitsers stichtten verschillende koloniën, nadat tsaar Alexander I daar toestemming voor verleende. De Duitsers emigreerden onder meer om economische redenen, maar ook vanwege hun Lutherse geloof.[6] Een van deze Duitse koloniën was (Neu-)Katharinenfeld (Bolnisi) in Bortsjalo, dat districtscentrum werd. De naam was afgeleid van koningin Catharina van Württemberg, een zus van tsaar Alexander.

Rond 1840 vestigde een Russische religieuze groepering, de Doechobors ("Geestworstelaars"), zich in zuidelijk Georgië. Zij kwamen van oorsprong uit de omgeving van Melitopol (gouvernement Taurida, Oekraïne) en werden verbannen naar Transkaukasië. Honderden families vestigden zich in Achalkalaki en Bortsjalo en stichtten een reeks dorpen. In het district Trialeti van Bortsjalo werden een viertal dorpen opgericht, waaronder het districtscentrum Basjkitsjeti (Dmanisi). Het dorp werd in meerderheid door de Doechobors bewoond. In latere jaren verdunde de gemeenschap, door deportatie en verhuizing naar onder andere Canada en later Rusland.[7] In dezelfde periode vestigden zich in met name het district Lori de Molokans, een "spritueel christelijke" groep van etnisch Russen, die ook verketterd werd en naar de Kaukasus en andere afgelegen gebieden van het Rijk gestuurd werd.

Betwist met Turkije en Armenië

Het zuiden van Bortsjalo (Lori) werd geclaimd door Armenië en was inzet van de Armeens-Georgische Oorlog in 1918.
Zie Democratische Republiek Georgië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Kort na de oprichting van de Democratische Republiek Georgië in mei 1918 probeerden Ottomaanse troepen de provincie Bortsjalo in te nemen. Dit mislukte door Duitse interventie, een bondgenoot van de Ottomanen in de Eerste Wereldoorlog. Het Duitse Keizerrijk had een alliantie met Georgië en garandeerde de soevereiniteit en territoriale aanspraken van het land middels het verdrag van Poti en de stationering van troepen.

De kortstondige Republiek Armenië maakte ook aanspraken op het zuidelijke deel van Bortsjalo. Het gebied was inzet van de Armeens-Georgische Oorlog, die in december 1918 uitbrak. De Britten, die na de Duitse capitulatie in de Eerste Wereldoorlog het mandaat hadden gekregen over een deel van Georgië, bemiddelden in het conflict en legden een bufferzone op in het zuiden van Bortsjalo. Dit gebied kwam grofweg overeen met de latere Armeense provincie Lori. Na de verovering van Georgië door het Rode Leger in 1921 werd deze bufferzone door de Sovjet-autoriteiten definitief aan Armenië toegekend.

Economie

Een Molokan in Vorontsovka (Tasjir) in Lori rond 1907.

De belangrijkste economische activiteit in de provincie bestond uit landbouw en veeteelt. De belangrijkste gewassen waren tarwe, gerst en aardappelen. De beste oogsten werden in het lager gelegen oostelijke deel van Bortsjalo behaald. Met name de tarwe uit de Bortsjalo-vlakte ten zuiden van Tbilisi had in de 19e eeuw een goede reputatie in Transkaukasië. Ook werd er in de lagere delen sesam, rijst en katoen geteeld en waren er wijngaarden. Het klimaat op de hogere plateaus van Tsalka en Lori was slecht voor de landbouw. De grote hoeveelheid aan zomer- en winterweiden, in met name het Tsalka-plateau, bepaalde de ontwikkeling van de veeteelt.[8]

Bijenteelt werd beoefend door Russen, Grieken, Georgiërs en Armeniërs op de Tsalka- en Lori-plateaus en in geringere mate in de Bortsjalo-vlakte, in de dorpen aan de rand van de rivierkloven. De bijenteelt werd niet commercieel beoefend en raakte aan het eind van de 19e eeuw in Lori in verval, ondanks de goede reputatie ervan. De oorzaak was een toenemende bevolking en afnemende landbouwgrond. In de bergen van de provincie werden koper-, zilver-, ijzer- en loodertsen gevonden. Langs sommige rivieren kwamen goudhoudende afzettingen voor. De provincie werd over het algemeen beschouwd als een van de beste in het gouvernement Tiflis, wat productiviteit en welzijn van de bevolking betreft.[8]

Geografie

De provincie Bortsjalo lag in het uiterste zuiden van het gouvernement Tiflis en was het grootste oejezd in het gouvernement. In 1912 was het gebied 6.037 vierkante werst groot (6.870 km²).[9] De provincie grensde in het gouvernement Tiflis in het westen aan Achalkalaki, in het noordwesten aan Gori en in het noordoosten aan Tiflis. Daarnaast grensde Bortsjalo in het zuiden aan de gouvernementen jerevan en Jelizavetpol. Het gebied omvatte grotendeels de hedendaagse Georgische regio Kvemo Kartli (gemeentes Bolnisi, Dmanisi, Marneoeli en Tsalka) en het noordelijke deel van de Armeense provincie Lori.

Dzjelal-ogli (Stepanavan) was het bestuurlijk centrum van het district Lori (foto 1907).

Het gebied van Bortsjalo bestond voor een groot deel uit glooiend plateaulandschap. Vanaf de oostelijk grens, de Koera, oplopend naar het westen. In het noordwesten, in de historische streek Trialeti, werd de provincie begrensd door het Trialetigebergte en de vulkanische Samsari- en Dzjavachetigebergtes. Deze gebergtes waren de grens met Gori en Achalkalaki. Door de rest van de provincie lagen meerdere bergruggen die onderdeel zijn van de Kleine Kaukasus. Het zuidelijke district Lori was bergachtiger met beboste hellingen en goede weiden. De belangrijkste rivier van de provincie is de Chrami, die vrijwel geheel in de provincie ligt en in het oosten in de Koera uitmondt.[8]

De provincie had tussen de gebergtes drie grote vlaktes, Tsalka, Lori en Bortsjali, waar de meeste bevolking zich concentreerde. Het Tsalka-plateau, in het noordwesten rond Tsalka, ligt op een hoogte van ongeveer 1500 meter in de bovenloop van de Chrami en beslaat ongeveer 350 vierkante kilometer. Het Lori-plateau, rond de Armeense nederzettingen Vorontsov (Tasjir) en Dzjelal-ogli (Stepanavan) in het stroomgebied van de Kamenka, een linkerzijrivier van de Bortsjala (Debed), ligt op ongeveer 1430 meter boven zeeniveau en is ongeveer 450 vierkante kilometer groot. Deze twee plateaus zijn bedekt met oude dolomietlavastromen en hebben een gevarieerde bodem, die matig vruchtbaar is. De Bortsjali-vlakte was het laagste deel van de provincie op ongeveer 335 meter, bij Marneoeli in het stroomgebied van de Bortsjala en de benedenloop van de Chrami.[8]

Bestuurlijke indeling

Het dorp Sjoelaveri was het bestuurlijk centrum van de provincie (foto uit 1870-1875).

De provincie was ingedeeld in vier gemeentelijke districten (oetsjastok), ook wel politiedistricten genoemd te weten Bortsjalinski, Jekaterinenfeldski, Loriski en Trialetski. De nummers I-IV in de tabel verwijzen naar de nummers op de etnografische kaart in de infobox en de bijbehorende census van 1886.

Bestuurlijke onderverdeling oejezd Bortsjalo
DistrictCentrumOpp.[10]
(werst²)
Inwoners
18861912
IBortsjalinskiBortsjalo72819.10933.923
IIJekaterinenfeldskiKatharinenfeld914,613.97323.797
IIILoriskiDzjelal-ogli2.18332.77645.119
IVTrialetskiBasjkitsjeti2.21335.98953.031
Totaal6.037101.847155.900
Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886;[11] Kaukasische kalender 1913;[9]

Demografie

Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 128.587 mensen in de provincie. In de periode 1886 tot 1912 groeide de bevolking met 50 procent, van 101.847 naar 155.900.

Demografie van het oejezd Bortsjalo
JaarTotaalGeorgiërs[12]ArmeniërsTatarenGriekenDuitsersRussen
1886 101.8474.173
(4,1%)
37.832
(37,1%)
33.037
(32,4%)
18.986
(18,6%)
1.578
(1,5%)
6.024
(5,9%)
1897 128.5877.863
(6,1%)
47.423
(36,9%)
37.742
(29,4%)
21.393
(16,6%)
2.496
(1,9%)
9.330
(7,3%)[13]
Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886;[14] Russische volkstelling van 1897;[15][16] Kaukasische kalender 1913;[9]

Etniciteit en religie

Een Tataarse vrouw in Bortsjalo (1915).

De grootste etnische groepen in de provincie Bortsjalo waren de Armeniërs en Tataren (Azerbeidzjanen), die elk rond een derde aandeel in de bevolking hadden. Een twee derde deel van de Armeniërs woonde in het district Lori en was daar een meerderheid,[17] terwijl de Tataren in voornamelijk de districten Bortsjalo en Jekaterinenfeld woonden en daar een grote meerderheid was.[18] De derde grote gemeenschap waren de Pontische Grieken, die vooral in het district Trialeti woonden en daar de grootste bevolkingsgroep was (44 procent).[19] Het grootste deel van de Russen had zich in Lori gevestigd. Dit waren voornamelijk Molokans. De Georgiërs waren een kleine minderheid in de provincie. Een opvallende kleinere bevolkingsgroep waren de Kaukasusduitsers, die voornamelijk in Katharinenfeld (Bolnisi) woonden.[20]

Als gevolg van deze bevolkingssamenstelling waren de meeste inwoners van de provincie lid van de Armeens-Apostolische Kerk (34 procent), gevolgd door de islam (29 procent) en de oosters-orthodoxe kerk (28 procent). Kleinere religieuze denominaties waren de Armeens-Katholieke Kerk (vier procent) en de lutheranen (twee procent).[21]

Zie ook

Referenties