De groet moi(n) dient binnen de toeristenbranche als regionale merknaam. Embleem te Fehndorf, Haren (Ems), 2019Moin-embleem te Norderhastedt, Kreis Nordfriesland, 2018De groet moi(n) speelt tevens een rol in de jongerentaal in Noord-Nederland en Noord-Duitsland. Muurschildering in Groningen, 2020
Moi, ook moj,moin, mojn of moien, soms verdubbeld tot moin moin, is een alledaagse groet, die vooral in Noordwest-Duitsland en Noordoost-Nederland wordt gebruikt. Het is een populaire begroeting in de streken waar Nedersaksische en Nederduitse dialecten worden of werden gesproken, maar ook in Luxemburg en delen van Denemarken, Finland, Polen en Zwitserland.
In dialectwoordenboeken uit de 19e eeuw komt het woord moi in deze betekenis nog niet voor. De eerste schriftelijke vermeldingen in Oost-Groningen en de Achterhoek dateren uit 1921 (môje en moin), in Drenthe uit 1930 (mojje) en in Oost-Friesland uit 1912 (moj'n). Vooral in Berlijn, maar ook in Hamburg, Bremen, Oldenburg en het Baltische gebied was de groet moin al rond 1890 gangbaar.
Waarschijnlijk betreft het een groet die zich vooral verbreid heeft via de jongerentaal; hij werd (aanvankelijk) vooral door mannen onder elkaar gebezigd. De oudste voorbeelden zijn afkomstig uit het Berlijnse stadsdialect en uit de groepstaal van jonge officieren en studenten. Het militaire begroetingsritueel in het Pruissische leger was hierbij mogelijk richtinggevend. De betekenis van de groet is al vroegtijdig verschoven van "goedemorgen" naar "goedendag" en zelfs "tot ziens".
Het gaat – net als bij de Nederlandse tegenhangers hoi, hallo en doei – vooral om een informele groet die zich van de oudere en meer formele aanspreekvormen onderscheidt. Het moi-zeggen gold – volgens de taalkundige Siemon Reker – in sommige delen van de provincie Groningen nog rond 1980 als familiair. Ook in Drenthe gold het lange tijd als ongepast om deze groet tegenover ouderen te gebruiken.[1] Ook in Duitsland was het tot ver na de Tweede Wereldoorlog ongebruikelijk om meerderen op deze manier te begroeten.[2][3] Dat is sindsdien snel veranderd.[4] In Duitsland wordt de groet tevens in het publieke domein gebruikt.
De groet wordt sinds de jaren zeventig in verschillende streken opgevat als uiting van regionale identiteit en verbonden met begrippen als gelijkwaardigheid, kameraadschap, nabuurschap en gemeenschapszin.[5] Het is bij uitstek een democratische groet. De uitroep moin moin speelt daarnaast een belangrijke rol bij de toeristische marketing en in het merkmanagement, met name langs de Duitse Noordzeekust en in Hamburg. De groet wordt verder gebruikt in de stereotiepe beeldvorming over Noord-Nederlanders en Noord-Duitsers. In detectiveverhalen (de zogenaamde Nordsee- of Friesland Krimis) wordt de groet veelvuldig gebruikt om couleur locale te creëren.
Het woord moi wordt in Nederland en in de Oost-Friese grensstreek uitgesproken als [mɔi̯]. De Noord-Duitse variant moin wordt uitgesproken als [mɔːi̯n] of [mɔːi̯ŋ], Saterfries[mɔʏ̯n], het Deense mojn als [mɔjn]. De Duitse vorm wordt soms verdubbeld tot moin moin[ˈmɔɪ̯n mɔɪ̯n], met de nadruk op de eerste lettergreep. Luxemburg heeft moien[ˈmɔɪ̯ən], Zwitserland de regionale vorm moin[mɔɪ̯n], Finland moi[ˈmo̞i̯], Polen mòjn[ˈmɔjn]. Het verschil met de (rhotische) vormen van de groet (goede)morgen! (met een hoorbare r) is echter gradueel.
Het woord moet niet verward worden met het identiek gespelde moi, het Franse woord voor "mij", wat incidenteel ook in het Nederlands wordt gebruikt.
Etymologie
De herkomst van moi(n) is niet helemaal zeker. Naar alle waarschijnlijkheid is het afgeleid van de wijd verbreide groet "goedemorgen", waarvan verkorte vormen zich sinds het midden van de 19e eeuw in Duitsland, Nederland, Scandinavië en naburige regio's hebben verbreid. Vermoedelijk is het een leenwoord uit het Berlijnse stadsdialect, dat zich zowel via het Hoog- als het Nederduits heeft verbreid. De wijd verbreide stelling dat het woord moi(n) de (Nederlandse) wortel mooi ("aangenaam, goed") zou bevatten, geldt als onbewezen (zie de paragraaf alternatieve verklaringen).
Vormen
Moin moin uithangbord in Hamburg, 2015Installatie met de moien-groet in het Justus-Lipsius gebouw te Brussel tijdens het EU-voorzitterschap van Luxemburg, 2005
De groet moi(n) wordt gewoonlijk met hetzelfde woord beantwoord, waarmee een zekere gelijkwaardigheid tussen de sprekers wordt gesuggereerd. Taalsociologen noemen dit een "gekopieerde" of "reciproke" begroetingsformule (een echo-groet), die gebaseerd is op een symmetrische sociale relatie.[6] Ook toonhoogte en intonatie zijn belangrijk: wie een groet beantwoordt, doet dat gewoonlijk op een iets lagere toonhoogte. De groet wordt uitdrukkelijk uitgesproken; de spreker heft zijn hoofd en zoekt oogcontact met degene die hij aanspreekt. Dat kan als confronterend worden ervaren en is soms ook zo bedoeld: de toevallige passant wordt nadrukkelijk begroet en er wordt een passende reactie verwacht. Bekenden worden vaak aangesproken met voor- of achternaam (moi, Derk! – moin, Koort! – Mojn, Blumann!). Bij goede bekenden kan dat worden weggelaten.
De dubbele vorm moin moin is iets minder direct; de persoonlijke uitroep wordt hier genuanceerd, de spreker neemt als het ware een voorschot op het antwoord van de ander. Moin moin kan echter ook dienen als antwoord op een eerdere groet moin, met name om te bevestigen dat men deze groet wel degelijk heeft gehoord.[7] Het gaat in alle gevallen om een spel van aanspreken en antwoorden, waarbij de verhouding tussen beide sprekers (vertrouwelijk, gedistantieerd, competitief of juist hiërarchisch) ter discussie staat. Er is geen moi(n) dat hetzelfde klinkt.
In Nederland is de groet moi vooral in Groningen en Drenthe gebruikelijk, en vanouds ook in de Achterhoek (moj(n)).[8] Sinds het midden van de 20e eeuw is hij tevens in grote delen van Overijssel, met name in Twente (moi(n)) populair.[9][10][11] Verder wordt de groet in een deel van de Stellingwerven (moj)[12] en in oostelijk Brabant (moi(n))[13] gebruikt. In Oost-Groningen wordt de uitspraak vaak uitgerekt tot moie (uitgesproken als mojje). De korte vorm moi (1931) lijkt aanvankelijk typerend voor Noord-Groningen te zijn geweest.[14]
In Noord-Duitsland klinkt de groet meestal als moin (vroeger ook als mojen, meun of moign geschreven), of wordt hij verdubbeld tot moin moin, hetzij als groet dan wel als antwoord.[15][16] In Zuid-Jutland (Denemarken) gebruikt men de groet mojn, doorgaans één keer achter elkaar, aan de westkust voornamelijk als afscheidsgroet. Ten zuiden van de Deense grens dient moin alleen als begroeting.[17] De dubbele vorm wordt in Noord- en Oost-Friesland veel gebruikt, deels onder invloed van het kusttoerisme. In andere streken is het dubbele moin moin als dagelijkse groet minder gebruikelijk, zeker wanneer het om vreemden gaat.[18] In de regel wordt hij als te familiair ervaren. In Oldenburg zou deze vorm volgens sommige auteurs alleen 's middags worden gebruikt.[19] Wijd verbreid zijn de humoristische anekdotes over zwijgzame kustbewoners die iemand die moin moin zegt voor kletsmajoor uitmaken.[20]
Morgen!
Verwante groetvormen zijn bekend uit omliggende regio's. De neiging om de beleefdheidsformule "goedemorgen" af te korten bestond in de meeste Germaanse talen. De korte groet morgen! ontstond doorgaans in de informele sfeer en werd tot ver in de 20e eeuw als onbeschaafd, autoritair of ongeïnteresseerd ervaren. Ook werden er grappen over gemaakt; in het (hedendaagse) Duits wordt wel gesproken over een Morgenmuffel ("brompot").[21] De groet morgen! wordt in Duitsland voor het eerst (spottend) beschreven in 1823.[22] Hij gold in 1846 als typerend voor het studentenmilieu, waar hij op ieder tijdstip van de dag werd gebruikt.[23] Uit Mecklenburg stamt een spookverhaal – gepubliceerd in 1857– over een overledene die geen rust kon vinden, omdat hij tijdens zijn leven uitsluitend op onvriendelijke toon Morgen!Morgen! en Tag! had gezegd.[24] Zelfingenomen mannen zeggen de hele dag kortaf Morjen!, met name tegen hun ondergeschikten, zo heet het in 1890.[25]
De verkorte Nederlandse groetvorm morgen! is gedocumenteerd in 1789,[26] maar werd − in tegenstelling tot de korte groet dag! − pas gangbaar vanaf het midden van de 19e eeuw.[27][28] Hieruit zijn weer informele vormen môgge (1893), mòrge (1894), môje (1904), mòjje (1927) en morrie (1931) afgeleid, die aanvankelijk vaak tot de straattaal werden gerekend.[29] Het gebruik van deze informele vormen nam vooral sinds de jaren dertig sterk toe. De neerlandicus Coenraad van Haeringen stelde in 1956 vast dat het Nederlands benoorden de Grote Rivieren inmiddels twee verschillende uitspraakvormen kende: het formele (lexikale) morge(n) (met een tong-r) voor de betiteling van de ochtend, en het informele (performatieve) moʁge! (met een keel-r) als ochtendgroet. Deze ochtengroet verbreidde zich vooral vanuit de steden en sleet en langzaam af naar kortere vormen.[30]
De provincie Friesland was er vroeg bij: de Friese variant moarn!, een verkorte vorm van goemoarn, was al in 1829 gangbaar (moarn sizze = groeten).[38] Maar ook daar gold het gebruik van deze groet nog rond 1900 als ongepast.[39] De Engelse groet morning! dateert ten minste uit 1838, maar gold als platte volkstaal.[40]
Ook de Scandinavische talen kennen de verkorte groet morgen! of morgon!, Noors morron! (1908) of morn!, Zweeds morjens! (1862). Maar deze werd aanvankelijk verdubbeld tot morjensmorjens (1847), morn morn (1912), morron morron (1916) en mors mors (1941). Deze groet wordt gebruikt bij het komen en het gaan, in Noorwegen ook 's middags.[41] In het Fins kent men – naast de Zweedse leenwoorden morje(n)s (1887) en moro(n) (1909) – tevens de korte vorm moi(n) (c. 1900) als begroeting, terwijl de dubbele vorm moi moi als afscheidsgroet dient. Hieruit zijn weer de populaire Finse begroeting moikka (c. 1925) en de afscheidsgroet moido (c. 1900) gevormd. De korte groet moi(n) gold aanvankelijk als stadse jongerentaal die op het platteland niet werd gewaardeerd. Het Finland-Zweeds heeft moj(n). Moi(n) is in deze gevallen waarschijnlijk een leenwoord uit het verdwenen Baltische Duits.[42] In het Lets werd tot 1945 de groet moins,moin of mojn gebezigd (met name als informele groet tussen mannelijke bekenden); in het Estisch de dialectvorm moi(n).
In het Kasjoebisch van Noordwest-Polen wordt de groet mòjn gebruikt. Hier gaat het om leenwoorden uit het Oost-Pommerse Nederduits. In het Luxemburgs kan moien (moije, moin, moiën) op ieder tijdstip van de dag worden gebezigd.[43] Hetzelfde geldt voor het Zwitserduitsemoin of moinz.[44]
Varianten van de ochtendgroet (guten) Morgen! zijn uit het hele Duitse taalgebied bekend. Verder naar het zuiden domineren echter – naast Guten Tag en Hallo – andere groetvormen: het Franse bonjour!, het Zuid-Duitse servus!, het Beiers-Oostenrijkse grüß Gott!, en verder oostwaarts de Slavische goedendag-vormen zoals het Tsjechische dobrý den! en het Poolse dzień dobry! De Baltische talen hebben weer eigen vormen van ‘goedemorgen’ – zoals het Letse labrīt, het Litouwse labas rytas en het Estische tere hommikust.
Meerduidigheid
De meerduidigheid van het woord 'morgen' heeft aanleiding gegeven tot woordspelingen, grappige anekdotes en practical jokes, zoals het ironische Schöner Morgen heute morgen![45] De aangesprokene die ten onrechte dacht begroet te worden en deze groet meende te moeten beantwoorden, kon gemakkelijk het mikpunt van spot worden. Een komisch bedoelde anekdote gaat over een barbier die een van zijn klanten begroet met Morgen!, waarna deze weer vertrekt in de verwachting pas de volgende dag geholpen te worden.[22][46] In een Oost-Pruisisch rijmpje uit 1846 wordt de vertelling in een boerenmilieu gesitueerd, waarbij verwarring ontstaat over het gemeenschappelijke gebruik van een broodoven. De klank mo'in mo'in wordt hier vergeleken met kikkergekwaak.[47] Impliciet is de kritiek op stedelijke omgangsvormen die de beleefde ochtendgroet achterwege laten.
Er was bovendien verwarring mogelijk met de oudere afscheidsgroet Bis morgen! of Auf Morgen! (onder andere in Westfalen en aan de Nederrijn) of in het Nederlands Totmorgen! Deze vormen waren kennelijk een verkorting van de oudere formules als Also bis morgen! (1799) of uitvoeriger: "ik groet u (dan) tot morgen" (1800).[48]
Verbreiding
Het Nederduitse taalgebied tot 1945. De groet moi(n) was aanvankelijk vooral verbreid in de noordelijke en oostelijke delen van het gebied.
Het groetwoord moi(n) heeft zich vanuit het Nederduits verbreid, in wisselwerking met andere talen en dialecten. Ook de Hoogduitse schrijftaal heeft hierbij vermoedelijk een rol gespeeld. Het zwaartepunt lag aanvankelijk in Berlijn en enkele andere steden. Via romans, feuilletons en toneelstukken raakte de groet in heel Duitsland en daarna ook in de buurlanden bekend.
Opvallend is dat de groet rond 1900 ook her en der in het Middelduits is doorgedrongen – mogelijk via het Hoogduits als daktaal. Andere varianten zijn bekend uit het Zwitserduits en het Moezelfrankisch (Westduits). De groet moin wordt in het Bündner- en Bernduits nog sporadisch gebruikt. Hij is echter wijd verbreid in delen van Rijnland-Palts en Saarland (mojen). Het Luxemburgs, sinds 1984 de officiële taal van het groothertogdom Luxemburg, beschouwt moien als nationale groet.
Sinds de jaren tachtig is het noordelijke verbreidingsgebied stabiel.[49][50] Taalwetenschapper Eva Mertens stelde in 2012 vast dat er – ondanks de toenemende concurrentie van hallo!, hoi! en hej! – voor deze regionale variant in Duitsland "geen terreinwinst, maar ook geen verlies te constateren valt".[51] De groet heeft bovendien een plek gekregen in de standaardtaal en wordt veelvuldig gebruikt door sprekers die het dialect niet meer beheersen.
Als modewoord uit de jongerentaal is de kreet moin moin in de laatste decennia van de 20e eeuw in heel Duitsland bekend geworden, onder andere via de cabaretier Otto Waalkes en de stripfiguur Werner, die steevast de groet moin gebruikt.[52] Onder bepaalde groepen jongeren kreeg de groet een cultstatus.[53] Binnen de Duitse Bundeswehr is de begroetingsvorm sinds 1987 bij het begroeten van een meerdere toegestaan, naar verluidt aanvankelijk alleen voor Oost-Friezen.[54] Bij sommige Noord-Duitse legeronderdelen zouden officieren en manschappen elkaar bij het appel met moin begroeten en ook binnen de marine zou de kameraadschappelijke groet gewaardeerd worden.[55] In Sleeswijk-Holstein geldt moin tevens als toost. Tegenover meerdere mensen wordt door jongeren in Hamburg tevens de vorm moinsen gebruikt (1997, afgekort van moin tosammen).[56]
In het Duits-Deense grensgebied (met name in het Zuidjutlands, Sleeswijks en Noord-Fries) is moin of mojn de gemeenschappelijke groet geworden en dient hij tevens als identiteitsmarker. Migranten uit Zuidwest-Jutland namen de uitdrukking mee naar Kopenhagen.[57] In Denemarken werd de groet vooral populair door de misdaadfilm Frygtelig lykkelig uit 2008, naar een roman van Erling Jepsen, waarin de hoofdpersoon vertrekt naar een dorp aan de Waddenkust en daar het woord mojn goed leert uitspreken.[58]
Jongere generaties in de stad Groningen bezigen de uitroep moi eem! (c. 2007), hun leeftijdsgenoten in Drenthe amoi! (c. 1990).[59] Typerend voor Groningen is verder de invloed op de groet hoi, die hier sinds de jaren zeventig – net als moi – tevens als afscheidsgroet wordt gebruikt, hetgeen elders in Nederland minder gangbaar is.[9] Bekend uit Oost-Groningen zijn de uitroepen moien dokter! en moijeuh!, die – net als het Nederlandse goeie morgen! – als uiting van verbazing en het laatste geval ook van afschuw kunnen gelden.[60] Zowel in Nederland als in Duitsland en Denemarken heeft de groet een plek gekregen in de standaardtaal en wordt hij veelvuldig gebruikt door groepen die het dialect niet meer spreken.
Tot 1920
Berlijn
De oudste vermelding stamt uit Berlijn, waar in 1828 wordt bericht dat officieren elkaar begroetten met moin! en moin moin! in de betekenis van "goedemorgen".[61] Deze woorden zullen in de plaatselijke tongval als morjen[ˈmɔʁʝən], moorjen[ˈmɔːʴʝn] of mojen[ˈmoːʴʝn] zijn uitgesproken.[62] De regionale uitspraak van de groet juten Morjen in het Mark-Brandenburgse Nederduits is al in de 18e eeuw gedocumenteerd.[63] Hij onderscheidde zich sterk van de Hoogduitse standaardvorm [ˈmɔrɡn̩] en bleef in het Berlijnse stadsdialect en in de Hoogduitse omgangstaal behouden.[64][65] Vermoedelijk was het een duidelijke identiteitsmarker, waaraan de inwoners van de hoofdstad status ontleenden, en die elders werd overgenomen.[66] In de 19e eeuw werd dit ju(te)n Morjen de Berlijnse standaardgroet. In afgezwakte vorm – als [ˈɡuːtn̩ ˈmɔʁʝən], [ˈmɔːɐ̯n] of [ˈmoːʁʝn] – gold de Berlijnse uitspraak bovendien als voorbeeldig Duits, afwijkend van de huidige standaard [ˈɡuːtn̩ ˈmɔʁɡn̩] of [ˈmɔʁŋ̍].[67] Ook aan het Pruisische hof was deze vorm gebruikelijk. De beide keizers Willem I en Willem II spraken met een Berlijns accent en beheersten ook het stadsdialect.
Het Pruisische leger liep bij dit alles voorop.[68] Al ten tijde van koning Frederik de Grote (1712-1786) was het de gewoonte om de manschappen bij het appel met Guten Morjen, Kinder!, of later ook wel met Morjen, Jungens! te begroeten.[69] Volgens overleveringen zou de koning zelf al de simpele groet Morjen! hebben gebruikt.[70] De uitspraak wordt ook toegeschreven aan de veldmaarschalken Blücher en Wrangel.[71] De tijd van de dag maakte daarbij niet uit. Met een luidkeels juten Morjen! begroette Koning Willem I in augustus 1866 de aangetreden soldaten, zo heette het bij een bezoek aan de fronttroepen in Bohemen, waarna de mannen hem als afscheid Hurrah! toeriepen.[72][73] Ook andere militaire leiders gebruikten deze vormen.[74] Enkele Zuidwest-Duitse regimenten zouden de formele groet 'n morjen als verkorte vorm van guten Morgen in 1867 hebben overgenomen.[75] Op bouwplaatsen werden deze vormen al snel nagevolgd.[76]
Het was tevens een politieke kreet die de revolutiesfeer van 1848 kenmerkte. Ju'n Nacht, Despotie, schlafen Se wohl! Ju'n Morjen, Freiheit!, stelt volksschrijver Adolf Glaßbrenner in één van zijn pamfletten. De opstandige jongerengeneratie weigerde de hoed af te nemen en wenste in plaats daarvan goede bekenden de hand te schudden. Welke groetformule er werd gebruikt, was standsafhankelijk. In burgerlijke kringen begroette men elkaar gewoonlijk met ju(te)n morjen. Rond 1840 raakte tevens de verkorte vorm n'moorjen of morjen! in zwang. Dit was bij uitstek de groet voor het werkvolk, en van jonge intellectuelen en scholieren, maar hij werd later min of meer de norm.[77] De spellingswijzen moin, moi'n, mojn of mojen werden in Berlijn pas rond 1890 gebruikelijk.[78] In Noord-Duitsland begroet men elkaar door het noemen van de tijd van de dag, zo heet het in 1929: in Berlijn zeggen de mensen mojn![79] De huidige vorm [ˈmo:jən] wordt tegenwoordig niet meer als typerend voor deze stad gezien.[80]
In grote delen van Noord-Duitsland – en ook in Nederland – ging (guten) Morgen in de 19e eeuw tevens als afscheidsgroet dienen, in tegenstelling tot guten Tag, dat in Zuid-Duitsland en Oostenrijk gangbaar was.[81][82] De Noord-Duitser zegt – net als de Middelduitser – de hele dag guten Morgen!, zowel bij het komen als bij het gaan – vooral in het leger en de marine, zo heet het in 1917.[83] Berlijn was ook in dit opzicht toonaangevend. In een populair voordrachtstuk uit 1847 wordt deze nieuwe gewoonte geschetst:
In Pommern spricht man herzlich "Guten Tag!" Und sieht dem Weggegang’nen nickend nach. […] Und die Berliner, leicht und ohne Sorgen, Die grüßen früh und Abends: "Ju'n Morjen!"[84]
Behalve door militairen werd de groet vooral door studenten gebruikt. De Bremense predikant Waldemar Sonntag, die in Berlijn had gestudeerd, noemt de informele groet moi'n nog in 1884 een typische studentengroet en moi'n moi'n (in 1889) een voorrecht dat jonge officieren en studenten zich zouden hebben aangemeten.[85] Dit wordt ook bericht uit andere Duitstalige studentensteden.[86][87] "Moin was onze groet in Bern, los van de tijd van de dag", schrijft de Zwitserse taalkundige Louis Gauchat over de jaren 1890.[88] Zijn collega John Meier suggeert dat de studentengroet uit het Berlijns is overgenomen.[89]
De groet moin werd soms verbonden met de studentikoze toostProsit, guten Morgen (een wijd verbreide Nieuwjaarswens), die tevens als begroeting voor langslapers werd gebruikt.[90] In studentenkringen was het rond 1900 gebruikelijk om mojn! te roepen bij het proosten. Dit als antwoord op de uitroep Prosit![89][91] In een jubileumuitvoering ter gelegenheid van het 350-jarige bestaan van de Universiteit van Jena in 1908 gebruiken de auteurs Arno Holz en Oskar Jerschke bijna vijftig keer de uitroep Moin! en even zo vaak Prost![92]
Verdubbeld
Naast de enkelvoudige korte groet kwamen ook herhaalde of verdubbelde vormen voor, zoals als ju'n morjen ju’n morjen(Berlijn 1840), mo'in mo'in (Oost-Pruisen 1846, maar in een rijmpje),[47]n'moorjen n'moorjen (Berlijn 1850),[93]morrn morrn (Mecklenburg 1857),[94]morjen morjen (Sleeswijk 1864),[95]morgn morgn (Oldenburg 1867),[96]'n morgen'n morgen (Achter-Pommeren 1869),[97]moen moen (Zuid-Oekraïne 1886),[98]mojen mojen (Berlijn 1893)[99], moigen moigen (Sleeswijk 1895)[100] en moi'n moi'n (Hamburg 1899).[101] Tegelijkertijd duikt de verdubbelde (korte) groet morgen morgen! in het Hoogduits op, eerst te Berlijn (1822),[102] daarna te Leipzig in een populair marslied uit 1840 (n'Morgn n'Morgn n'Morgn liebe Maid).[103] Latere vermeldingen stammen uit Mecklenburg (1855), Braunschweig (1870) en na de Frans-Duitse oorlog ook elders uit het Duitse Rijk.[104][105] Dit overigens naast het oudere guten Morgen, Morgen! (1786) en de daarvan afgeleide dialectvormen die eveneens in de 19e eeuw populair bleven.[106]
De verdubbelde ochtendgroet is bekend sinds de 16e eeuw en gedocumenteerd in meerdere Europese talen en dialecten.[107] De stijlfiguur van de herhaling (repetitio) heeft gewoonlijk een sociale functie en wordt door taalkundigen gezien als een vorm van fatische communicatie.[108] Deze beleefdheidsvorm kan tot doel hebben het gesprek gaande te houden als een middel tot wederzijdse bevestiging en erkenning, maar ook om sociale afstand te benadrukken, of juist als tegendeel, om de gelijkheid tussen de gesprekspartners te onderstrepen. Daarnaast kan er – zoals bij het Franse Bonjour bonjour! – ook sprake zijn van ironie, bijvoorbeeld wanneer gespot wordt met overdreven beleefdheidsvormen,[109] of wanneer de spreker hiermee vermijdt de aangesprokene bij naam te noemen. Dat laatste kan dan weer als onbeleefd gelden.
Het negeren van een (nadrukkelijk bedoelde) dubbele groet werd als onvriendelijk ervaren, zoals blijkt uit een bekend toneelstuk van August Iffland uit 1804, waarin de antiheld Franz Moor wordt bekritiseerd:
Ernst: Nu dan, goeden morgen, goeden morgen mijn heer Moor! goeden morgen! Moor: Babbelaar, tijdverspiller! Eens goeden morgen is genoeg. Ernst: Nu ja – eens geknord is reeds te veel.[110]
Hoe de jongere formule moin moin door deze stijlfiguur is beïnvloed, is niet nader onderzocht.
Verdere verbreiding
De vlotte Berlijnse groet leende zich – zowel klankwetmatig als sociolinguistisch – goed voor opname in het Nederduits, waar vergelijkbare fonetische reductiepatronen al bestonden. In een Hoogduitse context werkte de standaardtaal eerder remmend, zodat het informele moin en het deftigere (guten) morgen vaak naast elkaar bleven bestaan. In Hamburg werd in 1857 de verkorte groet 'n morgen gebruikt en in 1866 morjen,[111] op Helgoland al in 1846 kortweg morgen![112] (alles kennelijk uitgesproken als ['mɔrʝən][113]), in Oldenburg 1867 morgn.[96]
Vermoedelijk heeft het nieuwe groetwoord moin – met de nauw verwante schrijfvormen als moign,morjn en morjen – zich aanvankelijk vooral in kringen van militairen, studenten en rondreizende handwerkers verspreid. Met name de militaire dienstplicht en de Pruisische oorlogsmobilisatie in 1866 en 1870 waren hierbij van belang.[114] In militaire verslagen, romans en oorlogsherinneringen uit de Eerste Wereldoorlog komt de groet opvallend vaak voor. De noordelijke legercorpsen werden ingezet bij de loopgravenoorlog in Noord-Frankrijk en België. Hoge officieren begroetten hun manschappen geregeld met Moin, Kinder![115] De vroege verbreiding onder Duitse zeelieden is waarschijnlijk een mythe, in de hand gewerkt door het werk van de populaire marineschrijver Gorch Fock (1880-1916).[116][117] Desondanks was de groet – getuige zijn romans – al voor de Eerste Wereldoorlog gangbaar in de Duitse koopvaardij.[117]
De vorm moin als afkorting van guten Morgen wordt in Noordoost-Duitsland voor het eerst genoemd door een taalkundige uit Leszno (dan nog Pruisisch) in 1860.[118] In Oost-Pruisen, Letland en de Baltische steden was de groet moign, môjen of mo'en kennelijk al rond 1870 wijd verbreid, zowel bij het komen als het gaan.[119][87] Hij kwam later ook voor in Pommeren, Mecklenburg en de Uckermark (moen), maar vermoedelijk niet in de rest van de Mark Brandenburg, waar conservatievere (rhotische) vormen in zwang bleven. Hij wordt in 1903 vermeld in Mecklenburg[120] en Achter-Pommeren,[121] 1904 te Riga.[122] De groet moin (mune) is eveneens vroegtijdig in het Silezisch-Duits gedocumenteerd.[123][124] De woorden 'moin' en 'gudak' golden hier als Poolse scheldwoorden voor de Duitstaligen.[125] Zelfs uit het Hoogsaksische dialect van Leipzig en Halle (Saale) werd in 1906 bericht dat moin inmiddels de favoriete groet van mannen onder elkaar was.[126][127][128] Het (conservatievere) Plautdietsch van de doopsgezinden uit West-Pruisen en de Krim kent daarentegen uitsluitend de (rhotische) vormen morjen en morjes.[129]
De verbreiding in Noordwest-Duitsland begon iets later. De vormen moin, moign, mô'jn en moj'n worden omstreeks 1885 gedocumenteerd bij scholieren in Wilhelmshaven,[130] in 1888 in het Oldenburgse Ammerland,[131] 1892 in Glückstadt (aan de Elbe),[132] 1895 in Hamburg,[133] 1901 in Tönning,[134] 1908 in Bremen,[135] 1909 op Helgoland[113] en omstreeks dezelfde tijd ook in de omgeving van Aabenraa (Zuidoost-Jutland).[136]
Volgens de Berlijnse taalkundige Richard Löwe hoorde de begroeting moin in 1891 al bij de platte omgangstaal ("Vulgärdeutsch") en was het de meest voorkomende variant van guten Morgen.[137] "De spreker denkt dat hij goedemorgen heeft gezegd en de luisteraar meent hetzelfde te horen", maar in werkelijkheid gaat het om een "ongearticuleerd gegrom", aldus de Zweedse geleerde Erik Wellander in 1923.[138] In het dagelijkse spraakgebruik gold de korte groet 'n morgen echter nog in 1874 als onbeleefd, behalve als het ging om goede bekenden.[139] Moraalridders beklaagden zich rond 1900 over de vluchtigheid waarmee stadsbewoners elkaar met moin begroetten.[140] Niemand die het werkelijk meent, zal zijn geliefde met "het onbeschofte moin" tegemoet treden, stelt een auteur uit Berlijn in 1932.[141] Maar anderen noemden de korte groet juist gemoedelijker dan de plechtige ochtendgroet.[142]
Het betreft kennelijk het topje van een ijsberg. Karl Prause's woordenlijsten uit het begin van de 20e eeuw laten in het hele Duitse taalgebied vergelijkbare korte ochtendgroetformules zien, van morjn, morn, mórjә, moәn, en moin in noordoosten, mōrijen, morjen, morje en moije in het westen, tot morng, moagŋ en moiŋ in het zuidoosten (hier weergegeven in de oorspronkelijke fonetische spelling).[143]
De West-Duitse vormen ontwikkelden zich vermoedelijk op eigen kracht, als het resultaat van regionale klankwetmatigheden, los van het Berlijnse voorbeeld. In het Moezelgebied was 'n mojen in 1912 algemeen bekend.[144] De vorm mòje(n) raakte tevens in Noord-Limburg en oostelijk Brabant in zwang; hij wordt in 1921 vermeld te Venlo als mòje mòje.[13][145] Slechts enkele van deze vormen zijn gangbaar gebleven, zoals mojen, moije en morje in delen van Rijnland-Palts en Saarland en moi(n) in Oost-Brabant. In Zürich duikt de begroeting moin omstreeks 1875 op bij scholieren, later ook bij arbeiders en studenten in andere steden, hier kennelijk als navolging van het Berlijnse stadsdialect.[146]
Het lijkt erop dat het Berlijnse stadsdialect veel invloed heeft gehad op de blijvende populariteit van de groet, onder andere via feuilletons in dagbladen. De groet komt onder andere voor in het literaire werk van Arno Holz (sinds 1889), Gerhart Hauptmann, Carl Sternheim, Margarete Michaelson) en Max Kretzer, later ook bij Kurt Tucholsky, Walther Mehring, Ernst Lissauer en Irmgard Keun.[78] In het spraakmakende gedicht Der Preußenhimmel uit 1920 laat Tucholsky God – als het evenbeeld van de Duitse keizer – Mojn, Leute! zeggen. Alle deze auteurs behoorden tot stromingen die veel aandacht besteedden aan realistisch taalgebruik.
Rond 1900 werd de groet ook in het noorden bekender, zoals blijkt uit het werk van auteurs als Hermann Heiberg (1840-1910), Otto Ernst (1862-1926) en Gorch Fock, later ook de romanciers Hans Fallada (1893-1947), Hans Leip (1893-1983) en Manfed Hausmann (1898-1986), en anderen uit de regio rond Hamburg en Bremen. Het was blijkbaar aanvankelijk geen standaardgroet, en de spelling verschilde van persoon tot persoon.[147] De bekende kustdichter Wilhelm Lobsien, afkomstig uit Tønder, gebruikte bijvoorbeeld in 1919 mojn mojn, een vorm die in Zuidwest-Jutland populair zou worden.[148] Vergelijkbare vormen vinden we eveneens bij auteurs uit Oost- en West-Pruisen als Richard Skowronnek (1862-1932), Ernst Wiechert (1887-1950) en Horst Biernath (1905-1978); en al eerder bij Korfiz Holm (1872-1942) uit Riga.[149] Ook naoorlogse, uit oostelijk Duitsland stammende schrijvers als Siegfried Lenz (1926-2014), Herbert Nachbar (1930-1980) en Uwe Johnson (1934-1984) gebruikten de groet moin in hun debuutwerk.[150]
De groet komt tevens voor in het werk van schrijvers uit andere landsdelen en zelfs in andere talen. De Joodse polyglot Simon Frug citeert de groet moen moen in 1886 in zijn schets van het leven in een Joodse landbouwkolonie in Zuid-Oekraïne.[98] De Poolse taalkundige Wacław Berent vermeldt de groet mojen, mojen in zijn roman Rottend hout uit 1901, die zich afspeelt in Berlijnse bohemienkringen.[124] De kritische schrijver Władysław Buchner (1907) legt de groet mojen! in de mond van een Pruissische gendarme die een hekel heeft aan het Poolse nationalisme.[151] De Letse toneelschrijver Rūdolfs Blaumanis gebruikt moin moin! in zijn klassieke stuk Kleermakersdagen in Silmači uit 1901, dat speelt op een landgoed in Lijfland. Het toneelstuk wordt jaarlijks in Riga opgevoerd.[152] Zijn landgenote Anna Brigadere gebruikt mojn, mojn in haar roman In een stenen kooi uit 1933, gesitueerd in een dorp in Semgallen bij Riga.[153] De studentikoze Berlijnse toostmojn ook komt voor in De ketenen van Kasjtsej van Michail Prisjvin uit 1927.[91]Ivan Sjmeljov vertelt in 1923 over een Russische krijgsgevangene in Mazurië, die daar de groet mojen mojen leerde kennen.[154]
In het westen van Oost-Friesland was de moin rond 1900 de gebruikelijk groet voor de gewone man; voor mensen van stand gebruikte men andere bewoordingen en werd bovendien de pet of hoed afgenomen.[155][156] Rond Aurich gold de groet als brutaal en ongepast, meer iets voor schippers en turfgravers.[157] De eerste schriftelijke vermeldingen dateren uit 1912 (moj'n), 1921 (moin), 1924 (mojn), 1926 (möjen) en c. 1930 (moien, moi'n).[158] "Wanneer twee Oost-Friezen elkaar ontmoeten, zeggen ze moin tegen elkaar, egaal of het nu ochtend of avond is", zo heet het in 1924.[159] De groet werd ook gebruikt door dialectschrijvers als Arend Dreesen (1924), Moritz Jahn (c. 1930), Johann Friedrich Dirks (1938) en Wilhelmine Siefkes (1940).[160]
De eerste schriftelijke vermelding uit Noord-Friesland is van 1927 (mâin); hij betreft het Friese dialect van de Wiedingharde.[161] Maar in het nabijgelegen Galmsbüll zou moin al vóór de Eerste Wereldoorlog de gangbare ochtendgroet zijn geweest.[162] Ook op de Noord-Friese eilanden had gut moin vermoedelijk al eerder de oudere groetformulies verdrongen.[163] Het Mooring kent de vorm moi, Fering-Öömrangmuai of mui, Sölringmoin, Helgolandsmooin.[164] Een mogelijke overgangsvorm op Sylt was de reciproke groet mêern guṙ! als antwoord op guṙ mêern![165] Het Westerlauwers Fries kent de groet moi(n) niet; het Stadsfries gebruikte eerder wel vormen als mòije (1907) en môje (1925), die mogelijk aan het Hollands waren ontleend.[166]
De meeste bronnen laten in het midden of ook vrouwen met moin werden aangesproken en of zij deze groet zelf gebruikten.
Over de verdere verbreiding van de groet is weinig bekend. Mogelijk is hij in Nederland beland via Duitse seizoensarbeiders of via Nederlanders die op Duitse bouwprojecten werkten.[170] De eerste die het woord in een publicatie gebruikte, was de Winschoter sportjournalist Max Adriani Engels (1901-1976). In april 1921 beschrijft hij een gesprek met een scout van de Nijmeegse voetbalclub N.E.C., die in Oost-Groningen naar voetbaltalent zoekt:
Tegelijkertijd werd de korte groet vaak als ongepast ervaren. Tegen je kameraden zeg je moije, bericht journalist Wiert Eelssema in 1928 uit het Oldambt, maar een oudere huismoeder hoor je met gouie mörg'n te begroeten.[172] "Tegen meester mag je geen mojje zeggen", heet het nog in 1948 uit de Groninger Veenkoloniën.[173] Desondanks werd al in 1938 uit Noordbroek bericht dat de meeste mensen elkaar met moije of een handgebaar begroetten. Bij hoger geplaatsten werd de arm hoger opgeheven en volgde soms nog een beleefde tik tegen de pet.[174] Streekromanschrijver Rein Brouwer verwerkte de groet moi(e) in een bekroond boek uit 1941.[175] Dat deed ook de journalist Simon van Wattum in zijn veelgelezen bijdragen in de Winschoter Courant vanaf 1951.[176]
In Oost-Groningen en de stad Groningen gebruikte men aanvankelijk de vormen mojje, moije of môje (vanaf 1922),[177][178] in de Veenkoloniën (misschien al voor de Eerste Wereldoorlog) ook moij'n of moi'n,[179] in Noord-Groningen mòj (1926), mô-je (1927) of moi (1931).[14] De bekende schrijver en dichter Jan Boer noemt moj al in 1928 "de traditionele groet".[180] In het meer behoudende Noord-Groningen – en met name in kerkelijke kring – zette moi zich vermoedelijk wat langzamer door.[181] In Bedum was de groet ten minste in 1954 gebruikelijk.[182] De huidige spelling werd halverwege de jaren vijftig gangbaar, al werd de vorm moj tot in de jaren zeventig nog regelmatig gebruikt, onder andere in de columns van Jan Boer.[183]
De eerste auteur die het woord mojje in Drenthe gebruikte, was de romanschrijver Anne de Vries in 1930.[184] Vóór 1920 was de groet in het midden van de provincie nog onbekend.[185] Volgens een bericht uit Emmen gold het toeroepen van moj of môje in 1951 als een "stereotiepe Drentse groet" die door buitenstaanders soms verkeerd werd opgevat, zeker als dat 's avonds gebeurde.[186] Bij een beleefde groet hoorde - zowel in Groningen als in Drenthe - tevens een tikje tegen de pet.[187] Mogelijk is dit groetgebaar – afgeleid van de militaire groet – samen met de gesproken groet moi uit Duitsland overgewaaid, waar het rond 1900 vooral bij de gewone man populair werd.[188] Ook de Duitse schipperspet werd in Noord-Nederland veel gedragen.
In 1938 was de groet mojje vermoedelijk ook gangbaar in Zwolle, in 1945 in Ootmarsum (moj'n) en 1946 in de omgeving van Hardenberg (moj).[189] De Achterhoek was er al eerder bij; de groet mojn wordt vermeld in 1921.[190] "Onveranderlijk klinkt het op elk uur van de dag of nacht uit de mond van iedereen: moj'n," zo heet het in 1954. Volgens tijdgenoten was de groet hier overgewaaid uit Duitsland.[191] Over de verbreiding van de groet in naburig Westfalen is echter weinig bekend; de sporadische vermeldingen zijn van 1911 (morrn morrn) en 1932 (meun meun).[192]
In Friesland zette zich daarentegen vanaf de jaren dertig de groet goeie! door, die al in 1932 "de Friesche groet" werd genoemd.[193] Het zal moeilijk zijn dat 'Hollandse' woord weer kwijt te raken, klaagt de Leeuwarder onderwijzer Johannes Dykstra in 1940.[194] Maar op het platteland bleef ook het oudere moarn in zwang. "Als je hier een arbeider tegenkomt, dan zeg je: Moarn Piter, tegen een boer: Moarn Jansma, en als meneer Dinges eraan komt, dan moet de vinger aan de pet", stelde in 1945 een jonge emigrant die het Friese platteland was ontvlucht.[195]Moarn is bovendien een taalkundig robuuste vorm die niet gemakkelijk afslijt tot kortere varianten. Pas in de jaren zestig werden de oude gezagsverhoudingen op het Friese platteland definitief doorbroken. Tegelijkertijd werd vooral het Hollandse groetwoord hoi populair – een groet die net als moi in de buurprovincies vooral kameraadschappelijkheid en gelijkwaardigheid uitdrukte, alleen op een meer vrijblijvende toon.[196]
In Nazi-Duitsland werden regionale groetformules na 1933 verdrongen door de verplichte Hitlergroet.[197] Het negeren van dit voorschrift kon ook gelden als vorm van passief verzet.[198] In Bremen waren hele fabriekscomplexen waar alleen met guten Tag of moin werd gegroet.[199] Ook in de koopvaardij, ja zelfs in leger en marine werd het verbod soms genegeerd (met name bij het salueren).[200] Typerend is de houding van de Oost-Duitse generaal Fedor von Bock, die zich voorafgaand aan de Slag om Duinkerke in 1940 achter op een motor langs de troepen liet rijden en zijn manschappen als vanouds begroette met Mojn, Kinder![201]
De groeiende populariteit van de groet moin (moin) in de jaren na de Tweede Wereldoorlog staat met de voorafgaande periode in contrast. Toch kon taalkundige Christian Winkler uit Marburg de groet 'n moin moin nog in 1969 kenschetsen als vulgaire straattaal ("Gossensprache"), die zijns inziens de grenzen van de begrijpelijke taal gevaarlijk dicht naderde.[202]
Opvallend is vooral de verschuiving in betekenis van "goedemorgen" naar "goedendag" of zelfs "tot ziens". Die moet zich in Oost-Friesland, Oldenburg, het noorden van Sleeswijk-Holstein en in de Baltische steden al vroegtijdig hebben voltrokken.[49][203] "In Mecklenburg gaat de zon pas om vier uur 's middags op", heette het al in 1866 spottend.[74] Deze verschuiving ging vooral ten koste van het formelere "goedendag". In andere regio's - zoals rond Hamburg en in het achterland van Bremen - bleef guten Tag nog een tijdlang gangbaar, temeer omdat de deftige Franse afscheidsgroet adieu (atschüs) tijdens de Eerste Wereldoorlog voor ongewenst werd verklaard.[204] In Oost-Friesland was de dagelijkse groet moin (moin) al rond 1970 overal te horen, zodat men ging spreken over de kenmerkende "Friezengroet" als uiting van regionaal zelfbewustzijn.[205] In Noord-Friesland duurde het langer voordat de groet doorbrak. De taalkundige Alastair Walker klaagde nog in 1979 dat de groet moin uit de Friese dialecten dreigde te verdwijnen, om te worden vervangen door Hoogduitse formuleringen.[206] Dertig jaar later kon hij vaststellen dat de begroeting moin een gemeenschappelijke deler was gaan vormen die de communicatie tussen verschillende taalgemeenschappen in de regio vergemakkelijkte.[207] Het succes van de groet moin (moin) in Hamburg - nu ook als middaggroet - schijnt uit het begin van de jaren tachtig te dateren.[208][209] Het informele tschüs ("tot ziens") had hier al eerder een comeback gemaakt.
Sinds de jaren tachtig wordt de groet moin - in tegenstelling tot de oudere vorm morgen! - in West-Duitsland ook in het publieke domein gebruikt, zowel in de media als in maatschappelijke organisaties en de politiek.[210] Dat gebeurde onder andere door vooraanstaande SPD-politici als Helmut Schmidt, Björn Engholm, Gerhard Schröder en Olaf Scholz. Ook voormalig bondspresidentChristian Wulff (CDU) zette zich in voor erkenning van de groet. De publieke status wordt gedeeld met het Zuid-Duitse Grüß Gott. In Nederland bleef het publieke gebruik beperkt tot het regionale vlak.
In Berlijn is de moin-groet min of meer in vergetelheid geraakt.[211] In Mecklenburg-Vorpommern is het groeten op straat in de DDR-tijd minder gebruikelijk geworden.[212] Dit zou het teruglopen van het gebruik van de groet na 1945 in deze regio kunnen verklaren. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Sleeswijk-Holstein, waar in het voorbijgaan veelvuldig gegroet wordt.[213] Op Helgoland geeft men na de Tweede Wereldoorlog de voorkeur aan het neutrale hallo, gecombineerd met meer formele aanspreekvormen.[214]
Het Deense of Sønderjyskemojn (ook møjn) is volgens de gangbare opvatting eveneens ontleend aan het Nederduits, dat tevens in Noord-Friesland als omgangstaal dient. Het zou rond 1910 vanuit Berlijn naar het noorden zijn gekomen, eerst naar Tønder, later ook naar andere plaatsen in de grensstreek. In Zuid-Jutland gold het nog in de jaren dertig als een modewoord onder de jeugd, maar het werd door critici als ongewenst ervaren omdat het een Duits leenwoord was (mojn er forbojn, "mojn is verboden"). De begroeting wordt sinds de jaren zeventig juist als uiting van regionale identiteit gezien, die Duits- en Deenstaligen verbindt. Dit werd door de stad Sønderborg in 1975 middels een reclamecampagne ondersteund.[215] Marketingcampagnes die zich van de kreet moin (moin) bedienden zijn tevens bekend uit Oost-Friesland (vanaf 1976) en Oldenburg (1981).[216] Uit onderzoek sinds 2001 blijkt dat moj in Denemarken terrein verliest aan de begroeting hej, en dat vooral bij vrouwen. Als afscheidsgroet blijft het woord populair.[217]
Herkomst en betekenis
De groet moi(n) wordt vaak opgevat als teken van gastvrijheid. Spandoek op het ministerie van milieu van de deelstaat Nedersaksen te Hannover, 2015
Goedemorgen?
De herkomst van het woord moi(n) is niet onomstreden. Volgens de meeste taalkundigen betreft het een verkorting van morgen, zoals gebruikt in de begroetingsformule goedemorgen of guten Morgen. Deze elliptische vorm zou vervolgens verdubbeld zijn tot moin moin.[19][218] De romanistHugo Schuchart bracht deze stelling voor het eerst naar voren in 1885. Hij verwees naar de fonetisch ingekorte vorm g’moin, die volgens hem inmiddels tot de (platte) omgangstaal behoorde.[219][220] Wie kortweg moin zegt, denkt de rest er gewoon bij, benadrukte de taalkundige Georg von Gabelentz.[221] Kritiek kwam van de germanist Richard Löwe, die meende dat dit alleen maar bij begroetingsformules en aanspreekvormen kon gebeuren.[137] Maar niemand twijfelt aan het principe, schreef Schuchart in een reactie.[222] Hun Zwitserse collega Louis Gauchat noemde in 1893 de ontwikkeling van guten Morgen naar mojn "een lange weg, die zich in een korte periode heeft voltrokken".[223]
De germanist Karl Prause documenteerde in 1930 een groot aantal regionale varianten. Naast de ontwikkeling van [ˈɡuːt ˈmɔrjən] > [mɔːrjən] > [mɔːjən]>[mɔɪ̯n], die kennelijk typerend was voor het kerngebied in Noord-Duitsland, zag hij een andere – en minder opvallende– reeks in de omliggende streken, namelijk: [ˈɡuːtən ˈmɔrɡən] > [ˈɡuːtn ˈmɔrɡŋ] > [n̩ ˈmɔrɡŋ] > [ˈmɔɡŋ] (alles weergegeven in de hedendaagse fonetische spelling).[224] Voor Noord-Friesland gaan de taalkundigen Nils Århammer en Jarich Hoekstra uit van een ontwikkeling van (gu)morgen > morn (maaren, miaren, mjarn) > moin.[225]
De Groningse dialectvoormal Kornelis ter Laan was eveneens van mening dat de groet mòi of mòiden (vermoedelijk bedoelde hij moi'n[226]) een variant was van het Nederlandse "goeiemorgen". In zijn beleving – hij woonde lange tijd in Zaandam – ging het echter om een Hollands modewoord.[227] De betekenis "goede morgen" strookt verder met meldingen uit streken waar de groet moi(n) alleen 's ochtends werd gebruikt. Dat gold bjivoorbeeld nog in 1985 voor grote delen van Drenthe.[185]
De oorspronkelijke vorm is volgens deze opvatting gou'n mörgen (Groningen), goe mörgen (Drenthe), good(en)mörgen (Oost-Friesland), go'n morgen, gun moign, gumorgen of go'morn (Nederduits), gooden meen (Wangerooge), guṛ miaren (Sylt), gudmaaren (Föhr) of gomårn (Sønderjysk). Deze beleefdheidsvorm is weer afgeleid van (protestantse) zegenwensen als Ick wensch u goeden morgen (1621),[228] naar het oudere God geve u goeden dach (1544)[229] en Gude morgen geve ju Got (1498),[230] bij Maarten Luther: Gott gebe euch einen guten tag, guten morgen, guten abent (1527).[231] De Franse tegenhanger is Dieu vous donne le bon jour, afgekort tot bon jour! (1534).[232] De oudste vormen verwijzen op hun beurt naar het katholieke ochtendgebed (ave matutinum).[233] De ellipitische groetformule guoten morgen is sinds de 13e eeuw uit Hoogduits bekend[234] en sinds de 14e eeuw uit het Engels.[235]
Het groetwoord moi(n) wordt tegenwoordig in de meeste streken op elk tijdstip van de dag gebruikt, meestal zowel bij het komen als bij het gaan.[236] Dat zou te maken kunnen hebben met de onherkenbaarheid van de oorspronkelijke vorm: als een woord verbasterd wordt, herkent de taalgebruiker het woord niet meer, en is hij eerder geneigd er een ruimere betekenis aan toe te kennen. Alleen de bedoeling om te groeten blijft bewaard in de vorm van een uitroep.[237] Dit proces staat bekend als semantische verbleking of pragmatische generalisatie. Opvallend genoeg heeft deze ontwikkeling zich eerder in de grensgebieden voltrokken, wellicht omdat de oorspronkelijke vorm "(goede)morgen" onder invloed van verwante talen (Nederland, Fries, Deens) hier sneller is afgesleten.[238]
Democratisering
De verkorting van groetformules – van goedemorgen naar moi(n) – is volgens Hugo Schuchart en anderen niet alleen fonetisch te verklaren.[219][220] De ontwikkeling van -g- naar een tweeklank[ɔɪ̯] is kenmerkend voor de groet moi(n).[239] Hij trotseert de gebruikelijke klankwetten, maar kan wel tot andere processen herleid worden – typerend voor performatieve uitingen. Naast de neiging tot functionele inkorting (pragmatische reductie) speelde ook de sociale aantrekkingskracht van de nieuwe vorm (sociolinguïstische imitatie) een rol. Bovendien bestonden in het Nederduits al verwante klankstructuren en spellingsconventies, waardoor de vorm moi(n) zich sneller kon verankeren (orthografische fixatie). Daarentegen bleven de overgangsvormen uit de omliggende streken fonologisch complexer, minder herkenbaar, schriftelijk niet gestandaardiseerd en sterker lokaal gebonden.
De groeiende populariteit van de korte groet moi(n) maakte bovendien deel uit van een informaliserings- en democratiseringsproces dat weer samenhangt met groeiende sociale mobiliteit en het afbrokkelen van traditionele vormen van hiërarchie sinds de 19e eeuw.[240] Hij paste in de ontwikkeling van de aanspreek- en beleefdheidsvormen van afstandelijke formuleringen (doorgaans in de derde persoon) via formele zegenwensen naar meer informele groetformules. In het Duits kende men nog lange tijd het subtiele onderscheid tussen het "goedemorgen bieden", "goedemorgen wensen" en "goedemorgen zeggen".[241]
Die ontwikkeling heeft zich het eerst voltrokken bij de stedelijke burgerij. Op het Noord-Duitse platteland waren indirecte aanspraakvormen (in de derde persoon (er en Sie) nog in de 19e eeuw gebruikelijk. Minderen dienden bovendien te wachten tot ze door hun meerdere werden gegroet of alleen stilzwijgend een groet uit te brengen.[242] Degene die werd gegroet, dankte daarvoor. In regio's waar de sociale verhoudingen minder star waren, werd van de meerderen verwacht dat ze een belangstellend gesprek aangingen in plaats van in het voorbijgaan te groeten.
Het gebruik van de groet moin – in plaats van guten Morgen – was in eerste instantie voorbehouden aan mensen van gelijke rang, die met "gij" (ji) of "jij" werden aangesproken. Hij ging geljk op met de verbreiding van het tutoyeren en duzen, met name sinds 1970. Beide tendensen ontstonden het eerst onder collega's, bekenden en verwanten en gingen vaak samen.[243] Een derde ontwikkeling betreft de bijbehorende gebaren: bij een beleefde groet werd sinds het einde van de 19e eeuw niet langer het hoofddeksel afgenomen, maar volstond een militair tikje met twee vingers tegen de rand van de hoed of pet of een simpel handgebaar.[244][188] Ook dit werd aanvankelijk tegenover meerderen (en vrouwen) als ongepast ervaren.[245] Het was het streven van de burgerij om de hoed uit het symbolische arsenaal van de macht te verwijderen, schrijft volkskundige Hermann Bausinger.[246] In Hamburg en Bremen werd het hoed afnemen al in de 19e eeuw als ondemocratisch ervaren, maar toen de plattelandsjeugd zich rond 1900 het recht toe-eigende tegenover passanten de pet op het hoofd te houden, werd daarover schande gesproken.[247]
De informele groet moin was minder afhankelijk van de sociale hiërarchie; hij stelde grotere groepen in staat deel te nemen aan het sociale verkeer zonder het verwijt te krijgen dat men voor zijn beurt praatte of zich onttrok van de conversatie. De Zwitserse taalkundige Angelika Linke spreekt daarom over een nieuw soort vrijblijvendheid.[218] De korte groet doorbrak het patroon van sociale verplichtingen, dat eerder door het uitspreken van goede wensen en het daarvoor bedanken in stand werd gehouden. Het verdwijnen van het accusatief–n, dat de herinnering aan de oudere formule (gute)n Morgen in stand hield, weerspiegelde de semantische verbleking van de oorspronkelijke wensvorm.[248] De meegedeelde wens veranderde hierdoor in een simpele uitroep (een tussenwerpsel). Het standsonderscheid en de daarbij horende beleefdheidsvormen bleven echter in intonatie, toonhoogte, mimiek en lichaamstaal nog lang merkbaar.[249]
Het gebruik van de korte groet kon echter ook dienen als kritiek op knellende beleefdheidsvormen en sociale ongelijkheid. De succesvolle verbreiding van de informele vormen moi(n) en moin moin (en niet morgen!, hoi of hallo) wijst op het ontstaan van een nieuwe groepsnorm, gekenmerkt door meer gelijkwaardigheid en gemeenschapszin. De groet functioneerde als een uitnodiging tot contact, en het uitblijven daarvan werd al snel opgevat als teken van afwijzing of uitsluiting. Bekend is het verwijt Ku'j gien moi zeggen? (Drenthe), wanneer iemand niet groette of vergat te groeten.[250] In streng christelijke kring werden leden van andere kerkgenootschappen dikwijls op zondag niet gegroet. Jongemannen gebruikten de groet soms om passanten hun wil op te leggen: was het antwoord naar hun oordeel te vrijpostig of juist ontwijkend, dan volgden sancties.[251]
In veel streken werd sinds de tweede helft 20e eeuw een verschil ervaren tussen de inheemse bevolking en nieuwkomers die geen moi(n) zeiden. Het uitspreken van de (juiste) groet gold als bevestiging dat men deel wilde uitmaken van de lokale gemeenschap, zoals dat geschetst wordt van een dorp bij Husum (Noord-Friesland):
Ze maakten een schifting tussen alle nieuwe dorpsbewoners, en er waren precies twee soorten: Seggt moin en Seggt keen moin. Groeten was de lakmoesproef. Wie zonder te groeten door het dorp wandelde, niet zijn hand opstak als hij langsfietste, in het buitengebied zwijgend achter zijn hond aansjokte, die maakte in Brinkebüll een melaatse van zichzelf, die kon meteen een leprozenmantel omslaan.[252]
Vergelijkbaar hiermee zijn groetformules als het Nederlandse goê morgen samen (1841),[253]morgen samen (1873),[254] Gronings goun mörgen soam (1882), dagsoam (1887),[255] Fries moarn jimme en goe' moarn allegearre (1854),[256] Noord-Duits gun mörgen mitnanner (1847),[257]go'n morgen all to hoop (1869),[258] dan wel korter: moin, die Herren (1896),[259]moin, mit 'n anner,[15] Zwitserduits moi(ns) zäme of het recentere moinsen. Dit waren kennelijk – net als het verdubbelde moin moin of morrn morrn – overgangsvormen die terug grepen op oudere beleefdheidsvormen die door de sprekers als veilig werden ervaren.[260] Ze vormden een alternatief voor het noemen van de namen van de aangesprokenen, zeker waar die niet allemaal bekend waren. Niemand van de aanwezigen mocht immers door de simpele groet (goede) morgen! het idee krijgen dat hij of zij gepasseerd werd.[261] Tegelijkertijd creëerden ze een nieuwe gemeenzaamheid. Datzelfde geldt voor de vele klankvarianten en intonatievormen van moi(n), die - zoals de taalkundige Jürgen Byl stelt - vooral tot doel hebben de "militaristisch korte klank door het leggen van klemtonen muzikaal te verlengen en te verzachten".[262]
Alternatieve verklaringen
Mooie morgen?
Een alternatieve verklaring die de laatste decennia vooral in Duitsland populair is, gaat uit van het dialectwoord mōi of mooi (= "mooi, aangenaam, goed").[263] De groet moin moin zou zijn afgeleid van de (hypothetische) begroetingsformules moien dag,moien mor(ge)n en moien abend. De -n van moin is dan het restant van een accusatief, dat verwijst naar de uitgesproken wens. Deze verklaring is tevens te lezen in enkele naslagwerken, waaronder de Brockhaus Encyclopedie (19e druk, 1995),[264] het Niedersächsische Wörterbuch (sinds 2010)[265] en de Duden (23e druk, 2004), die bovendien suggereert dat het woord aan het Oost-Friese dialect zou zijn ontleend. Het woord werd opgenomen in de Duden in 2001 op verzoek van het Institut für Niederdeutsche Sprache te Bremen.[53]
Deze alternatieve hypothese werd met name geformuleerd door de Hamburgse dichter Dirks Paulun, die in 1974 veronderstelde dat moin moin een combinatie was van "mooi" en "morgen".[266] Hij werd in Sleeswijk-Holstein in 1980 uitgewerkt door Gertrud Nordmann-Stabenow, die stelde dat het om een verdubbeling van het woord "mooi" zou gaan.[267] De taalkundige Werner König nam deze verklaring in 1994 op in zijn Duitse taalatlas.[268] In Nederland heeft de neerlandicus Siemon Reker hetzelfde voorgesteld.[226] Zijn collega Jarich Hoekstra noemt de stelling aantoonbaar onjuist.[269] Johannes Kramer hanteerde deze verklaring het Luxemburgse moyen, maar ook daarop kwam kritiek.[270]
Het woord mōi ("mooi") is een leenwoord uit het Nederlands en heeft zich sinds de 17e en 18e eeuw in Noordwest-Duitsland, aan de Oostzeekust, in Scandinavië en rond Berlijn uitgebreid, onder andere in de zeemanstaal.[271][272] Het gaat terug op het Middelnederlandsemooy of *mōi, dat uitsluitend in de Zuidelijke Nederlanden en Zeeland gedocumenteerd is.[273] De alternatieve verklaring veronderstelt soms dat dit woord een tegenhanger moet hebben gehad in de vorm van een (hypothetisch) Middelnederduits*mōi(e) en een Oudfries*mōi.[274] Dit zou de verbreiding van het groetwoord in Noord-Duitsland kunnen verklaren.
Het woord mooi werd zelden in groetformules gebruikt, behalve in de vorm: et givt van Dage een'n mojen Dag! ("'t Is een mooie dag vandaag", Bremen 1850).[275] Dit weer als antwoord op gooden Dag! of gooden Morgen! Het betreft de Hoogduitse groetformule einen guten schönen Tag! (1630), die met name door een bekend gedicht uit 1803 in omloop is geraakt.[276] In het Nederlands is deze atmosferische wending (mooie dag vandaag) pas in 1881 gedocumenteerd.
De critici stellen dat het dialectwoord mōi/mooi maar in een deel van het gebied voorkomt en daar pas relatief laat – zeker niet in de middeleeuwen – is geïntroduceerd.[277] Vermoedelijk gebeurde dat door migratie en via de scheepvaart.[278] Ook lijkt het minder waarschijnlijk dat alleen het bijvoeglijke naamwoord van de groet is overgebleven. De korte groet goeie of gude in Friesland en Hessen is altijd altijd zonder -n.[279] Taalkundig kan de verkorte vorm moi(n) niet eenvoudig worden herleid op de tweeklankmōj-. Theoretisch is het echter wel mogelijk dat het woord mooi[moːj] vroeger anders werd uitgesproken, waardoor het accusatief mo(o)ien een eerdere klankstelling [mɔjən] kan hebben bewaard.[280] Ook zouden de dialectwoorden mōi(en) en moin klankmatig met elkaar vermengd kunnen zijn geraakt (ook wel stemming genoemd). De alternatieve verklaring strookt echter niet met de historische verbreidingspatroon van de groet moin.
Deze verklaring heeft daarom vooral het karakter van een volksetymologie, die vooral via reclamecamnagnes zou zijn verbreid.[281] Daarbij werd aangeknoopt bij gedachten over een gemeenschappelijke afstamming of een gedeelte maritieme cultuur, die terug zou gaan op de Hanzetijd. In sommige toeristische gidsen wordt intussen de geschiedenis van het woord volledig in deze zin herschreven.[282] Zo is te lezen dat de groet ontleend zou zijn aan de (fictieve) zeemanswens mojen wind.[283] Dit weer onder verwijzing naar een 19e-eeuws rommelpotliedje.[284] De marketing-deskundigen wilden de toeristen "een rad voor ogen draaien dat het er in Oost-Friesland bijzonder vrolijk toegaat", spotte de taalkundige Jürgen Byl in 1989. En kennelijk met succes, stelde hij vast: de toeristen namen de moin-groet met graagte over. Het genootschap voor Sleeswijk-Holsteinse geschiedenis noemt dergelijke verklaringen "een recent bedenksel van tv-presentatoren" en een tegenhanger van het Amerikaanse Have a nice day![285]
Een weinig gehoorde verklaring is dat moi´n van het Franse moi zou komen en in de Franse tijd werd gebruikt om soldaten te bespotten. Dit idee berust op de oppervlakkige overeenkomst tussen beide woorden en is eveneens een volksetymologie.
Anekdotisch
Klassiek is de sketch van cabaretier Otto Waalkes in zijn film Der Außerfriesische uit 1989 waarin hij tevergeefs aan Japanse toeristen vraagt hoe men elkaar in Oost-Friesland begroet, en daarbij het verkeerde antwoord krijgt:[286]
— In Russland sagt man Mahlzeit, in Skandinavien Ciao, Nas Dorowje, Servus, Grüß Di, so grüßt hier keine Sau. Doch nun seid ihr in Friesland und sollt es nicht bereuen. In Friesland grüßt man anders, in Friesland sagt man …? … in Friesland sagt man…? … in Friesland sagt man…? (Scheiße)
— Scheiße! Scheiße!
— Nein nein! Moin!
— Moin! Moin!
De groet moin moin mag niet verward worden met de scabreuze Hamburgse groet Mors! Mors! (= 'aars'). Dit als antwoord op de scheldwoorden Hummel! Hummel! (de naam van een 19e-eeuws volkstype). Het gaat om geuzenkreten waaraan Hamburgers elkaar herkennen.
Allerlei
De Moin Moin Wochenzeitung verscheen van 1977 tot 2023 in de regio Flensburg met afzonderlijke edities voor Angeln, Schleswig en SüdtondernDe gemeente Oldambt kondigde zijn oprichting in 2010 aan met een boek dat onder alle inwoners werd verspreid onder de titel Moi!
Mojn tut GoedGoan en Mojn Achterhoek zijn radiokanalen uit de Achterhoek
MoinMoin Wochenzeitung was de naam van een huis-aan-huisblad in de regio Flensburg, dat verscheen van 1977 tot 2023 met een oplage van 160.000, waarvan een deel verscheen onder de naam Nordfriesland Palette[289]
Radio Mojn was een commercieel radiostation te Aabenraa (Denemarken), dat uitzond van 1989 tot 2014
Project Moien was een overheidsprogramma in Luxemburg, dat van 1998 tot 2003 de bedoeling had de belangstelling voor het gebruik van het Lëtzebuergesch te bevorderen
Mòjn Pòmòrskô was in 2015 een regionale ontmoetingsdag voor de regio's Kasjoebië en Pommeren (Polen)
Mojn is een komisch lied van jazztrompettist Valdemar Rasmussen, in 1975 gecomponeerd in opdracht van de stad Sønderborg
Moin Moin Morgenstern is een beeldgedicht uit 1984 van de dichter Robert Gernhardt, afkomstig uit Reval (Talinn)
Moin moin ist schon gesabbel! ("Moin moin is gezwets") – een leuze die in Noord-Duitsland gebruikt wordt tegenover toeristen die te pas en onpas deze (dubbele) groet zouden gebruiken
Mojn og Moin, Virtuelt Museum / Virtuell Museum (grensregio Duitsland-Denemarken) (ook in het Duits)
Literatuur
Randi Brodersen, 'Hvad kunne der stå om "mojn" i Jysk Ordbog?', in: Inger Schoonderbeek Hansen, Kirsten Lyshøj en Viggo Sørensen (red.), Fraseologi – genveje og omveje. Festskrift til Torben Arboe, Aarhus 2018, p.33-40
Jürgen Byl, 'Moin! Die lange Erklärung eines kurzen Grußes', in: Ostfriesland – Zeitschrift für Kultur, Wirtschaft und Verkehr (1982), nr. 2, p.32-37, 48.
Jürgen Byl, 'Nochmals: "Moin-moin!". Der Ostfriesengruß greift weiter um sich', in: Ostfriesland – Zeitschrift für Kultur, Wirtschaft und Verkehr (1989), nr. 1, p.10-19 (met aanvulling: 'Das Dauerthema "Moin"', nr. 3, p.32)
Jürgen Byl, Sprachbetrachtungen, Emden 1991
Abel Darwinkel, 'Kuj gien moi zeggen? Drentse begroetingen', in: De Tier e.a., Moi, adieë en salut, p.83-101
Jarich Hoekstra. 'Grüße aus Nordfriesland. Zur Begrüßung und Verabschiedung im Nordfriesischen', in: Nordfriesisches Jahrbuch 39 (2003), p. 39-53
Peter Jørgensen, 'En sønderjysk hilsen', in: Poul Andersen (red.), Studier i Dansk Dialektologi og Sproghistorie, Kopenhagen 1971, p.151-156
Adrian Leemann e.a., Grüezi, Moin, Servus! Wie wir wo sprechen, Reinbek bei Hamburg 2018
Karen Margrethe Pedersen, 'Mojn eller moin', in: Mette Kunøe en Erik Vive Larsen (red.), 5. Møde om udforskningen af Danske sprog. Aarhus Universitet 13.-14. oktober 1994, Aarhus 1995, p.229-238
Karen Margrethe Pedersen, 'Mojn - moin', in: Mål & Mæle 20 (1997), nr. 2. p.5-12
↑"Zu Mitschülern, Freunden und Bekannten, Arbeitskollegen und Nachbarn sagt man Moin; bei Vorgesetzten ist es davon abhängig, wie vertraut man mit diesen ist". Gertrud Nordmann-Stabenow, Plattdeutsch und Plattdänisch im Grenzland Schleswig, Husum 1980, p. 6.
↑Gekopieerde groetformules zijn in het Engels bekend sinds 1563. Joachim Grzega, 'Häl. Hail, Hello, Hi: Greetings in English Language History', in: Andreas H. Jucker en Irma Taavitsainen (red.), Speech Acts in the History of English, Amsterdam en Philadelphia 2008, p. 165-194, hier p. 188.
↑"Man will durch die Verdoppelung oder oder Verdreifachung des Grußwortes das dem Grüßenden durch anfängliches Überhören des Grußes beinahe zugefügte Unrecht wieder gut machen. ... Die Ursache der Verdoppelung ist hier die Absicht der Sinnverstärkung". Prause, Grußformeln, p. 13-14. Vgl. Byl, 'Nochmals Moin-moin', p. 13.
↑Voor Drenthe: Geert H. Kocks, Woordenboek van de Drentse Dialecten, Assen 1996-1997, trefwoord: moi, moie, moin. Dez., 'Taolpraot: Moi', in: Nieuwsblad van het Noorden, 25 juli 1985.
12Jan Stroop, 'Groeten en wensen', in: Veronique De Tier, Jos Swanenberg en Ton van de Wijngaard (red.), Moi, adieë en salut Groeten in Nederland en Vlaanderen, Groesbeek 2009, p. 13-22, hier p. 19, en afb. 1 en 2. De Achterhoek wordt hier nog niet genoemd. Het kaartmateriaal betreft uitsluitend het gebruik van de afscheidsgroet moi(n) in 1973 en 2008.
↑Henk Bloemhoff, ' Vrouwluden en manluden: dagzeggen in Stellingwarf', in: Veronique De Tier, Jos Swanenberg en Ton van de Wijngaard (red.), Moi, adieë en salut Groeten in Nederland en Vlaanderen, Groesbeek 2009, p. 103-116, hier p. 109.
12A.P.C. Swanenberg, Brabants-Nederlands - Nederlands-Brabants. Handwoordenboek, Someren 2011, trefwoord: morgen, mèèr, moin ("goedemorgen", Helmond en Peelland). Chris Kerkhoff, Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk 1970 e.v., trefwoord: moi ("hallo"). Daarnaast komt hier de vorm mèrrege saome voor.
12Vroege Noord-Groningse voorbeelden bij de hoofdonderwijzer Boelo H. de Graaff te Kloosterburen, de onderwijzer Jan Boer uit Rottum, die in het Oldambt had gewerkt, en de joods-socialistische toneelschrijver Benjamin H. Broekema te Warffum: Gerard Nielen, Gebroeders Kalkoen, vert. door B.H. de Graaff, Alkmaar 1927, p. 14 (mô-je! mô-je!). Joh. Agricola (= Jan Boer), 'Van eigen grond', in: Nieuwsblad van het Noorden, 2 oktober 1926 (mòj!). Jan Boer, ‘De Waddenduvel (wintersprookje)’, in: Maandblad “Groningen” 11 (1928), p. 233-236, hier p. 233 (moj). B.H. Broekema, De olle Vrijgezel. Bekroond toneelspul, Groningen 1935, p. 60 (Ik zee: Moi!Moi, zeden aandern; eerste opvoering: Nieuwsblad van het Noorden, 20 november 1931). Dez., Voutbaalclub “De Kous op de Kop”, Groningen [1935], p. 5 (moi).
12Otto Buurman, Hochdeutsch-plattdeutsches Wörterbuch. Auf der Grundlage ostfriesischer Mundart, dl. 7, Neumünster 1969, kol. 424-425, trefwoord: Morgen (go(d)en Mörgen, moin).
↑Beate Hennig en Jürgen Meier (red.), Hamburgisches Wörterbuch, dl. 3, Neumünster 2004, kol. 379, trefwoord: Morgen (Gumorgen, Morr'n, Meun, Meunmeun). Otto Mensing, Schleswig-holsteinisches Wörterbuch, dl. 3, Neumünster 1931, kol. 675, trefwoord: morgen (gun moign). Het materiaal voor dit woordenboek is verzameld sinds 1902. Hans-Friedrich Rosenfeld en Franz Jost, Hinterpommersches Wörterbuch. Der Mundart von Gross Garde (Kreis Stolp), Keulen en Weimar 1993, p. 65 (moin). De groet ontbreekt in Richard Wossidlo en Hermann Teuchert (red.), Mecklenburgisches Wörterbuch, dl. 4, afl. 37, Berljin / Neumünster 1966, kol. 1252-1253, trefwoord: Morgen1.
↑Vgl. Lovis H. Lorenz, Hein, Fiete und Tetje. Hamburger Dööntjes, Hamburg 1965: "Dat is hier nicks vör uns, knurrt Hein, de sabbelt (= schwätzt) mi to veel". Hermann Gutmann, Ostfriesland erzählt:. Geschichte und Geschichten, Bremen 2011.
↑Albert Niederhöffer (red.), Mecklenburg’s Volkssagen, Leipzig 1857, dl. 1, p. 43-46. De vermelding dat de spookgestalte dertig jaar op zijn verlossing had gewacht, wijst op een datering van de nieuwe groetvormen in het begin van de 19e eeuw.
↑Heinrich Ferdinand Möller, De graaf van Waltron. Krygsspel, Amsterdam 1789, p. 8. (Morgen, Heeren!; een eerdere druk heeft Goeden morgen, Mynheeren!). De kortere vorm heeft een tegenhanger in de groet Dag ...!, die sinds 1784 gedocumenteerd is.
↑J.H. Jansen, ‘Schets van taal, zeden en gebruiken in de heuvelstreek van Roermond’, in: Limburg's Jaarboek 3 (1896/97), p. 114 (jodde morje) en 356-357 (morge). Louis H.J. Lamberts Hurrelbrinck, Limburgiana, Amersfoort 1914, p. 3 (mörge),
↑N. van der Sijs, Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag 2010 (met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 20150, trefwoord: goedemorgen.
↑G.J. van Wyk, Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch 2007, trefwoord: môre.
↑Waling Dykstra, 'Belsazars ein', in: For hûs en hiem (1895), p. 68-117, hier p. 69: "Moarn! Moarn! We binne hier niet bij de lompe Hoogewierster boeren, meiske!" Dykstra duidt kennelijk op de korte vorm Moarn! zonder het benoemen van de aangesprokene.
↑Ordbog over det danske Sprog, trefwoord: morgen (dl. 14, 1933, eerste vermelding 1896). Det Norske Akademis ordbok, trefwoord: morgen, morn (groet bij komen en gaan, 1927), morna (afscheidsgroet, 1974). Svens Akademiens Ordbog, trefwoord: morgon (var. mors en morron), morgens (1945). De verdubbelde vorm werd in de regel dus eerder gebruikt. De langere vorm god mor(ge)n wordt in het Noors uitsluitend 's ochtends gebruikt. Vermeldingen: August Blanche, Jernbäraren, Stockholm 1847, p. 40 (morjens, morjens, godt folk!). Dez., Flickan i stadsgården, Stockholm 1847, p. 103 (Morjens, morjens, bror Pallin!). Sahib (= Bendix Ebbell), ‘Sidste ærede taler’, in: Humør 1 (1912), p. 132-141, hier p. 132 (mor'n mor'n). Henning Berger, Syndafloden, Stockholm 1908, p. 19 (morron). Richard Vallner, Svanungen, Stockholm 1916 (morron morron).
123De oudste vermelding betreft een vertelsel uit Samland, nu de Russische enclave Kaliningrad: Max Töppen, ’Thiersprache und Thiermärchen’, in: Neue preußische Provinzial-Blätter 1 (1846), p. 435-454, hier p. 441 (mo'in mo'in als kikkergekwaak). De wijd verbreide komische anekdote knoopt kennelijk aan bij de dubbele betekenis van "morgen" als (knorrige) groet en als tijdsaanduiding voor de dag van morgen. In het gesprek worden beide verward, waardoor het gemeenschappelijke gebruik van een broodoven in het gedrang komt. Tegelijkertijd lijken hiermee de burgerlijke groetformules bespot te worden. Latere bewerkingen geven de tekst weer als moi'n mo'in moí'n. Rudolf F. Reusch, Sagen des Preußischen Samlandes, 2e bew. dr., Königsberg 1863, p. 71. Strackerjan, Aberglaube, p. 107, geeft een Oldenburgse versie uit 1867.
12Jürgen Eichhoff, Wortatlas der deutschen Umgangssprachen, dl. 1, Bern 1977, p. 32-33, kaart 47 ("Gruß beim Betreten eines Geschäfts am Nachmittag") en kaart 48 ("Abschiedsgruß unter guten Freunden"). Gegevens over de ochtendgroet ontbreken. Moin in de betekenis van "goedemiddag" in Borkum, Emden, en de Landkreise Aurich, Delmenhorst, Cloppenburg, Tönning, Husum (moin moin), Eckenförde, Schleswig en Flensburg.
↑Asger Albjerg,Hej! Dav! Mojn! Moin! eller Møjn!.Midtialt(maart 2011).Geraadpleegd op 23 juni 2025. In de roman gebruikt Jepsen de kunstvorm møjn. Zie: Erling Jepsen, Frygtelig lykkelig, Valby 2004; vertaald als: Vreselijk gelukkig, Amsterdam 2008.
↑Jan Wieringa,"Hee doe! Kloete!", Dagblad van het Noorden, 24 april 2007.– via De krant van toen. Eerste vermelding amoi als valentijnswens (a moi): Nieuwsblad van het Noorden, 12 februari 1991 - via Delpher. Als carnavalsleus: Robbert Willemsen,"Gasselte wacht met smart op gemeenschapsruimte", Dagblad van het Noorden, 20 februari 2004.– via De krant van toen. 'Amoi' is tevens de naam van een café in Gieterveen; 'Moi eem' was een eetcafé in Groningen.
↑Het Oost-Gronings dialect met uitroepen als moien dokter! en moijeuh! werd in de eind zeventig populair door het moppenprogramma 'Rond de stamtoavel' op Radio Noord met als hoofdgast Wienus van der Laan. Fré Schreiber,"Wienes", Dagblad van het Noorden, 25 februari 2006.– via De krant van toen.. De oudste online vermelding van moijuh!: Drents.Mijn woordenboek(28 januari 2007).Geraadpleegd op 24 juni 2025.
↑[Karl Johann] Braun von Braunthal, 'Berliner Conversation. In den Akademiesälen', in: Berliner Conversations-Blatt für Poesie, Literatur und Kritik, nr. 202 (14 oktober 1828), p. 799-800, hier p. 800.
↑Joachim Schildt, 'Die Stadt in der neueren deutschen Sprachgeschichte II: Berlin', in: Werner Besch et al. (red.), Sprachgeschichte: ein Handbuch zur Geschichte der deutschen Sprache und ihrer Erforschung, 2e dr., dl. 3, Berlijn / New York 2003, p. 2297-2321, vooral 2318. Hartmut Schmidt, 'Die sprachliche Entwicklung Berlins vom 13. bis zum frühen 19. Jh.', in: Joachim Schildt en Hartmut Schmidt (red.), Berlinisch. Geschichtliche Einführung in die Sprache einer Stadt, 2e dr. Berlijn 1992, p. 111-182, 162. Vgl. Anneliese Bretschneider e.a. (red.), Brandenburg-Berlinisches Wörterbuch: Bd. 3, afl. 3: melken bis Nachbar, Neumünster 1988, kol. 326, trefwoord: Morgen1 (moin).
↑Vgl. Ludwig Börne, Nachgelassene Schriften, dl. 3, Mannheim 1847, p. 232, die de Berlijnse uitspraak parodiëert: Juten Morjen meine liebe Jute, Wie jehts? (brief van 23 februari 1828).
↑Ernst Alfred Meyer, Deutsche Gespräche. Mit phonetischer Einleitung und Umschrift, Leipzig 1906, p. 29-31, geeft de gestandaardiseerde uitspraak als gu•tn 'm'ɔrjən, mɔ:ʚn of 'mɔrʝn. Zie ook p. 21 en 23 voor de fonetische interpretatie van deze klanken, die de auteur als Noord-Duits kenschetst.
↑In de Zuid-Duitse en Oostenrijkse pers werd het Pruisische bezettingsleger bespot. Een komische anekdote vertelt hoe een Pruissische generaal het militaire ziekenhuis te Hamburg binnenstapte met de vraag: Guten morjen, Kinder, – liegen hier wohl Preußen? … J'n Morj'n, Kinder … Maar hij vond behalve vele gewonde Oostenrijkers slechts één Pruissische soldaat, die echter buikloop had. Der Bayrische Beobacher, 20 maart 1864.
↑Augsburger Tagblatt, nr. 267 (29 september 1867), p. 2345-2446, hier als groet van de soldaten tegenover de dienstdoende officier. Het bericht stond in vele andere kranten, die berichtten dat deze groet reglementair voorgeschreven zou zijn.
↑Hans Brendicke, 'Berliner Wortschatz zur Zeit des Kaisers Wilhelm I.', in: Schriften des Vereins für die Geschichte Berlins 33 (1897), p. 69-196, hier p. 152. Hans Meyer, Der richtige Berliner in Wörten und Redensarten, 3e dr., Berlijn 1880, p. 61 ("Morjen … sagt der Gymnasiast … für Guten Tag"). Idem, p. 28 en 112 ((Ju'n) Morjen, die Herrn). Adolf Glaßbrenner, Schilderungen aus dem Berliner Volksleben, Berlijn 1841, p. 170-171. De auteur laat een barbier aan het woord, die stelt dat hij de korte groet Moorjen! alleen gebruikt tegenover "arme lieden en geleerden".
↑"... ein Berliner, der in Wien sich mit Guten Morgen verabschiedet, fällt ebenso auf, wie der Wiener, der in Berlin beim Weggehen Guten Tag sagt". Paul Kretschmer, Wortgeographie der hochdeutschen Umgangssprache, Göttingen 1918, p. 76. Günther A. Saalfeld, ’Guten Tag – nicht Adieu!’, in: Zeitschrift des Allgemeinen Deutschen Sprachvereins 10 (1895), kol. 222-224. hier kol. 223: in Noord-Duitsland worden guten Morgen en guten Abend bij het komen en gaan gebruikt, in Zuid-Duitsland gebeurt dat met guten Tag. Vgl. de afscheidsgroet nMorgen! als verkorting van Auf Morgen! bij Carl Reinhardt, Schultze und Müller auf dem Kriegs-Schauplatze, dl. 1, Berlijn 1870, p. 8.
↑Hans Otto Liemert, 'Heil! Grüß Gott!', in: Mitteilungen des Vereines Südmark 12 (1917), p. 83-87, hier p. 85. De auteur beweert ten onrechte dat dit ook gold voor guten Tag! Saalfeld, ’Guten Tag' en Kretschmer, Wortgeographie spreken dit echter uitdrukkelijk tegen.
↑’Verschiedenes Grüßen’, in: Der Erzähler: ein Unterhaltungsblatt für Jedermann 11 (Augsburg 1846), p. 416. In latere versies van het gedicht wordt de jonge Berlijner getypeerd als Schwiemel (nachtbraker) en Stutzer (opsnijder).
↑Hans Gehring, 'Ei, ei! Eine lustige Pfingstgeschichte', in: Badische Presse, 3 juni 1900 (Erlangen ca. 1880: moi'n). Günther Heye, Nachzügler, Stuttgart 1919, p. 18 (Göttingen ca. 1900, p. 13-14, 18. Moin!, onder andere in de mond gelegd van de Oost-Fries Taddema).
12Bijvoorbeeld in 1872 bij studenten te Dorpat (Tartu): Paul Walden, Wilhelm Ostwald, Leipzig 1904, p. 18 (moin). Vgl. over Dorpat ook Prause, Grußformeln, p. 14: "Die Schuljugend grüßt sich mit Moin! Moin!".
12John_Meier (red.), Basler Studentensprache, Basel 1910, p. 37, opnieuw in: Henne en Objartel, Studenten- und Schülersprache, 1984, p. 265 (*Moin stud. 'Prosit'). De auteur rekent het woord niet tot het Nederduits en heeft het – net als later Gauchat – over "eine mitteldeutsche Aussprechsweise wie Moin aus Morjen" (p. v). Hans Meyer, Der richtige Berliner in Wörten und Redensarten, 3e dr., Berlijn 1880, p. 61 ("Probst sagt der Gymnasiast für Adieu, Morjen für Guten Tag").
↑Dit gebruik gaat lang terug: Adolph von Schaden, 'Die Kunstaustellung von Fiedelwitz', in: Lesefrüchte, belehrenden und unterhaltenden Inhalts 4 (1829), p. 340 (Prosit, prosit, guten Morgen, Langschläfer!). Zo ook in het Nederlands: Proost, goeie morgen! (1880), zie: Woordenboek der Nederlandsche Taal, trefwoord: goedI (1891). Vgl. Fritz Reuter, Dei Reis' nah Belligen, Treptow 1855, p. 130: Prohst! als antwoord op de groet Gu'n Morgen.
12Michail Prisjvin, Кащеева цепь (= De ketenen van Kasjtsej), 1960 (Мойн, мойн, мойн). De betreffende hoofdstukken 'De geur van de aarde' en 'De waarheid over Duits bier' verschenen in 1927 in het tijdschrift Новый мир (Novyĭ mir). De auteur studeerde in Dorpat (Tartu), maar het verhaal speelt zich af in Berlijn. Vgl. Lev Uspensky en Georgiy Nikolaevich Karaev, 60-я параллель (= De zestigste parallel), Leningrad 1955 (de toost Мойн!, hier in de mond gelegd van een Duitse officier in 1941).
↑'Aus Barzin', in: Kladderadatsch 11 (1869), p. 11.
12Simon Frug, ‘Эскизы (Из’ евреискано колониал’нано быта)' [= Schetsen. Uit het Joodse koloniale leven], in: Восход: журнал учено-литературный и политический (St. Petersburg, oktober 1886), p. 59-85, hier p. 61 (Jut Morgen, Schreiber! ...Moen, moen!). Het betreft een landbouwkolonie te Bobrovy-Kut in de omgeving van Cherson.
↑Hans Land (= Hugo Landsberger), Die Richterin, Berlijn 1893, p. 197 (mojen mojen). Zo ook in de postuum verschenen jeugdherinneringen van Carl Hermann Busse (1872-1918), Aus verklungenen Stunden, Berlijn 1919, p. 100 (moien, moien, Herr Nachbar).
↑Hermann Heiberg, 'Fluch der Schönheit. Roman', in: Über Land und Meer: Deutsche illustrierte Zeitung, dl. 75 (1895), p. 642.
↑Paul de Mathies, Der Pessimist: Roman, Freiburg im Breisgau 1899, dl. 1, p. 117 ("Moi'n, Theo! Moi'n, moi'n!" Theo winkte mit der Hand und dachte: Bei dem ist es immer "morgens"). De scene speelt zich af in de trein tussen Hamburg en Cuxhaven.
↑Carl Friedrich Zöllner, Zehn Lieder und Gesänge für Männerstimmen, Leipzig (c. 1840), Heft 1, nr. 4: Marsch: Brüder auf! mit frohem Sang. Tekst bij Rudolf Palme (red.), Allgemeines Liederbuch für deutsche Männerchore, Leipzig 1879, p. 337-344.
↑Een vroeg voorbeeld van de dubbele groet Mojen! Mojen! ("was bei uns 'Guten Morgen' heißt") stamt uit Bad Kissingen in Beieren, 1861: ’Feuilleton: Reiseplaudereien’, in: Wiener Zeitung (1861), dl. 2, nr. 189, p. 755.
↑Het Italiaans kent ten minste sinds 1547 een verdubbeld buongiorno, het Frans een dubbel bonjour (1606), Spaans buenos dias (1618), Nederlands goede morgen (1659), Duits guten Morgen (1663), Engels good morrow (1669), Pools dzień dobry (1749), Deens godmorgen (1753) en Zweeds god morgon (1790). Vergelijk ook recentere vormen als Engels hello hello, Spaans hola hola, Deens hej hej en Italiaans ciao ciao (in het dialect van Cremona, 1852: s'ciao ciao). Uitsluitend als afscheidsgroet: Engels bye bye, en Nederlands doei doei. Vroege voorbeeld bij Girolamo Parabosco, Il Viluppo, Venetië 1547, p. 20 (buon giorno buon giorno). Iacopo Pagnini, I ricordi comedia, Florence 1600, p. 51 (dio ti dia il buon giorno buon giorno). In Shakespeare's Richard III (1595, acte III, scene 2) en Henry IV (c. 1595, dl. 1, acte II, scene 1) luidt de begroeting Many good morrows! Vgl. ook: Justus Lipsius, Monita et exempla politica (1605), ed. Jan Papy et al., Leuven 2022, p. 298 (salve salve heroina). Gerart de Vivre, Dialogues traictans du faict de la marchandise, Keulen 1606, p. 181 (gutentag gutentag = bon jour bon jour). La vraie introduction à la langue françoise avec des dialogues françois et flamans, Utrecht 1659, p. 64 (Bon jour, bon jour Monsieur, votre Serviteur = goeden morgen, goeden morgen mijn Heer, u Dienaer). Andreas Gryphius, Horribilicribrifax Teutsch, Breslau 1663, p. 63 (Guten Morgen! guten Morgen!).
12Theodor Eide Siebs, Helgoland und seine Sprache, Cuxhaven en Helgoland 1909, p. 54 en 255 ("gud morjɘn oder bloß moin nach hochd[eutscher] Weise").
↑Herkomst uit het militaire milieu vermoedt ook Heinz Küpper, PONSWörterbuch der deutschen Umgangssprache, Stuttgart 1956, 3e dr. 1988, p. 542 (trefwoord: moin, datering c. 1900). Dez., Illustriertes Lexikon der deutschen Umgangssprache, dl. 5, Stuttgart 1982, trefwoord: moin. Herinneringen uit Thüringen c. 1865 lijken dit te bevestigen: Johannes Tobias Kujawa, 'Instruktionsstunde. Militärhumoreske', in: Alte und neue Welt. Illustriertes katholisches Familienblatt 28 (1893), p. 621-630, 627 ('n Moien, Herr Oberstlieutenant!). Als verdubbelde groet bij Friedrich Gerstäcker in de feuilletonromanIm Eckfenster uit 1870, opnieuw in: Gesammelte Schriften, Jena 1872, p. 98 (Morgen, meine Herren! … Morgen, Morgen! Herr Oberstlieutenant). Uit Berlijn: Paul Thaler, 'Glück. Militärhumoreske', in: Hamburger Fremdenblatt, 31 januari 1909 (Mojen, Füsiliere! … Mojen, Herr Major!).
↑Felix von Fuchs-Nordhoff, ‘Neues Leben’, in: Die Woche. Moderne illustrierte Zeitschrift 5 (1903), p. 451-452 (mojen). Vgl. uit Oost-Pruisen: Gazeta Olsztyńska: organ Związku Polaków w Prusach Wschodnich, 7 december 1921, nr. 283 (mojn mojn).
↑Guido Eckardt, 'Wie man in Riga spricht. Eine Plauderei', in: Baltische Monatsschrift 58 (1904), p. 45–80, p. 49, ook als afzonderlijke druk, Riga 1904, p. 5 (moj'n moj'n! Prost Nachfest!; mojn tevens als afscheidsgroet). De stad had ongeveer 70.000 Duitstalige inwoners.
↑Prause, Grußformen, p. 16-17. Walther Mitzka, Schlesisches Wörterbuch, Bd. 2, Berlijn 1895, p. 895 (mune). Literaire voorbeelden: Erich Hoinkis, Nacht über Flandern, Berlijn 1933, p. 119 (mojn). Gerda Ochs, Ich bin in meinem Leben, Norderstedt 2022, p. 90 (moin moin).
12Wacław_Berent, Próchno, Warschau 1903 (mojen! mojen!), eerder verschenen in Chimera (1901, hier p. 168). Een van de sprekers komt uit Opper-Silezië. Ook de uit Estland afkomstige Poolse auteur Anna Rudawcowa hanteert de groet mojn, mojn in een verhaal dat zich eveneens in Silezië afspeelt. Górnoślązak, 3 januari 1933.
↑Werken van auteurs als Georg Schmidt-Wolff, Doktor Horstigast (1918: moien, moien), Hans Alfred Kihn, Meiseken (1925: moign, moign) en Gustav Schröer, Der Schelm von Bruckau (1938: mojn) wekken de indruk dat de groet ook in het Hoogsaksische dialect van andere Middenduitse steden bekend raakte. De Leipziger uitgever Carl Rocco schrijft in zijn heimatroman Loreley uit 1917 dat de groet mojn vanouds gebezigd werd door de zoutzieders of Halloren in Halle (Saale). Saale-Zeitung, 30 september 1916. Ook hier de ontwikkeling uit een ouder juten Morjen: Dávid Hrabowszky, Utazási rajzok Némethonban, 's keleti tenger körül látott, Kosice 1837, p. 129.
↑Een vroege vermelding: H. d'Altona (= Heinrich Grabow), 'Der Sonntagshase', in: Sächsischer Landes-Anzeiger, 31 januari 1886 (Mojen, Mojen!). De auteur was afkomstig uit Hamburg-Eppendorf, maar als journalist werkzaam in Saksen.
↑Hans Meinardus, ’Schulfeiern’, in: Monatsschrift für höhere Schulen 16 (1917), p. 546-554, p. 553 (begroeting "mit dem landesüblichen mojn", bij gymnasiasten in Wilhelmshaven, ca. 1885, de auteur was van jaargang 1870).
↑J. Bernhardt, 'Lautstand der Glückstädter Mundart', in: Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung 18 (1892), p. 81-104, hier p. 101 (moiŋ).
↑S., ’Stimmen des In- und Auslandes. Wie geht’s?’, in: Der Türmer: Monatsschrift für Gemüt und Geist 4 (1901-1902), p. 450-451. De Chemnitzer taalprofessor Herbert Ahmels mopperde in 1938: "aus 'Guten Morgen' und 'Guten Abend' machten wie ein moin und nomt, und selbst der Gruß, der täglich an der Führer erinnern soll, wird schon verstümmelt" Verpflichtung zur Hochsprache, Leipzig 1938, p. 10.
↑Rudolf Paulsen, 'Zucht des Sprechens', in: Münsterländische Volkszeitung, 17 november 1932 ("mit dem schnoddrigen Moin").
↑Otto Ernst (Schmidt) hanteerde de vorm moign (vanaf 1895), Gorch Fock, Georg Droste, Ludwig Jürgens en Georg von der Vring meun (vanaf 1911). Bij Hermann Heiberg vinden we het verdubbelde moigen moigen (1895) en later ook bij Hans Leip (1933); daarnaast bij Otto Ernst en Ludwig Frahm het dubbele moign moign (resp. 1905 en 1919). Paul de Mathies uit Hamburg gebruikt in 1899 moi'n en het verdubbelde moi'n moi'n; Fritz Oertel in 1913 moj'n. De huidige vorm moin werd in 1908 gebruikt door Johann Michael Ranke (= Heinrich Bösking) te Bremen, vervolgens in Hamburg door Hermann Boßdorf (1919), feuilletonschrijver Hans Waldemar Fischer (1924), Hans Leip (1937) en Leo Wispler (1937); in Worpswede bij Bremen Waldemar Augustiny (1935), in Oldenburg August Hinrichs (1938), en in Bremen Karl Lerbs (1938). Verdubbeld als moin moin door humorist Peter Purzelbaum uit Hamburg en Friedrich Lindemann uit Bremen (resp. 1929 en 1934). Bij Manfred Hausmann uit Bremen vinden we mojen mojen (1925) en later ook mojn mojn (1932), bij de Mecklenburger Hans Falladamojen (1932), bij Fritz Specht in Hamburg moing moing (1934) en bij Marie Cohn moijen (1935). De rhotische vorm morrn morrn – bekend van Fritz Reuter (sinds 1857) – werd vanaf 1922 gebruikt door de Hamburger auteurs Rudolf Werner, Paul Wriede en Hans Ehrke. Hij concureerde kennelijk met de vorm moin.
↑Wilhelm Lobsien, 'Blinkfeuer', in: Rendsburger Tageblatt, 5. december 1919.
↑Korfiz Holm, Thomas Kerkhoven, München 1906 (moin). Richard Skowronnek, Der weisse Adler, Berlin 1919 (mojn; West-Pruisen). Horst Biernath, Willy gegen Tod und Teufel, 1938, herdr. als Seelenverkaufer, 1973 (mojn;Lyck/Ełk, 1922). Ernst Wiechert, Der Exote. Roman, München 1951 (moin;Mazurië, begin 20e eeuw).
↑"Bi lüttje Lü deiht dat 'n Moin, man nich bi dat beter Volk". Hermann Boerma, Gerd Loop. Die Geschichte seines Lebens, Emden 1987, geciteerd door Byl, 'Nochmals: Moin-moin', p. 14. Hermann Boerma (1884-1971) groeide op in Emden-Uphusen.
↑Naar: Martha Köppen-Bode, Heimat. Eine Bauerngeschichte aus Ostfriesland, Emden 1912 (moj'n). De auteur woonde in Warsingsfehn.
↑Byl, 'Nochmals: Moin-moin', p. 11-12, mede naar naar: Martha Köppen-Bode, Heimat. Eine Bauerngeschichte aus Ostfriesland, Emden 1912 (moj'n; de auteur woonde in Warsingsfehn), en naar Wiard Lüpkes, Ostfriesisches Wörterbuch [c. 1930], Leer 1981 (trefwoord: moien). Uit de Eerste Wereldoorlog: Tjark Herbert Ufen (Hage), Eine Jägerkompanie, Berlijn 1938, 17,131, 138 (moin). Louise Thaden (Jever), in: Jeverisches Wochtenblatt, 6 juli 1921 (moin). Heinrich van Dieken (Carolinensiel), 'Um die Freiheit', in: Jeversches Wochenblatt, 4 mei 1929, p. 104 (möjen möjen). Vgl. voor Oldenburg: Nachrichten für Stadt und Land, 3 april 1925, p. 92 (moin moin).
↑"Wenn sich zwei Ostfriesen ... treffen ..., sagen sie kurz und bündig 'moin' – gleichgültig ob es Morgen oder Abend ist". Ostfreesland. Kalender für Jedermann 12 (1925) [Norden 1924], p. 106.
↑Arend Dreesen, Das Haus am Meer, 1924 (mojn!). Moritz Jahn, De Moorfro [c. 1930], Hamburg 1950, p. 53 (moi'n!). Johann Friedrich Dirks, 'De gaude koop', in: Ostfriesische Tageszeitung, 19 november 1938 (moi−moi!). Wilhelmina Siefkes, Keerlke, Hamburg 1940 (moin!).
↑Jaartallen tussen haakjes betreft vermeldingen die niet met zekerheid aan de woonplaats van de auteur gekoppeld kunnen worden of waarvan de interpretatie onzeker is. Ook de oudste vermeldingen van morjen en 'n morgen zijn tussen haakjes gezet, omdat niet altijd duidelijk is of we al met een verkorte vorm te maken hebben. De overgangsvorm moen is tussen vierkante haken geplaatst.
↑De oudste vermeldingen zijn afkomstig van Waldemar Sonntag, maar gaan mogelijk terug op diens studietijd in Berlijn.
↑Vgl. Tjaard W.R. de Haan, '"Wilmshoaven aan Noordzee", een Duits-Groninger arbeiderslied', in: W. van Nespen (red.), Miscellanea Prof. Em. Dr. K.C. Peeters, Antwerpen 1975, p. 265-273.
↑Jelte Dijkstra, ‘Braif van Derk Dontjer bie ’t Veentjer Draai aan Pait Lombok op ’t Bavvelter Veurwaark’, in: Het Noorden in Woord en Beeld 14, nr. 40 (16 december 1938), p. 24. De auteur schreef in het dialect van Noordbroek, waar hij eerder onderwijzer was geweest; het verhaal is hier ook gesitueerd. De brief was gericht aan Jacob Rietema, die uit Grijpskerk afkomstig was.
↑Simon van Wattum, Doar gunder in ’t veld (1950-1951), als feulleton gepubliceerd in de Winschoter Courant, hier voor het eerst 13 januari 1951 (moi).
↑Een van de eerste vermeldingen betreft een bekroond toneelstuk van Germ Elst (= Gerben Stel), ‘Naothan de Wieze’, in: Maandblad "Groningen" 5 (oktober 1922), p. 145-158, hier p. 149 (mojje). De auteur groeide op in de stad Groningen; de latere uitgave heeft moije. Naothan de Wieze, Groningen 1937, p. 22.
↑Andreas M.J. Deelman, ‘Tiepelwaark’, in: Dörp en Stad (juli 1941), nr. 7, p. iv-vi, hier p. v (de auteur, die voor 1914 in Stadskanaal opgroeide, begroet een oude bekende met: moij'n, Pieter). Eltje, 'Joa, doomnee (‘n Knoalster Kerstvertelster)', in: Dörp en Stad n.r. 1, nr. 12 (november 1949), p. 110-111, hier p. 110 (moi'n). Ook gebruikt Deelman deze vorm in zijn populaire feuilleton Sientje uut de Golden Raaiger (Winschoter Courant, 30 november en 4 december 1954).
↑Jan Boer was afkomstig uit Rottum, maar vanaf 1921 onderwijzer te Woldendorp, sinds 1924 kweekschoolleraar te Groningen. Nieuwsblad van het Noorden,24 maart 1928.
↑De redactie van Dörp en Stad (onder voorzitterschap van Ter Laan) voegde nog in 1962 een voetnoot toe aan een gedicht in het Oldambtster dialect: "Moi = goede morgen". Tjaard W.R. de Haan, 'Ogentroost veur domie B. van Halsema', in: Dörp en Stad n.r. 14, nr. 2 (februari 1962), p. 44.
↑Arjen Miedema, Brecht en haar knecht, Wageningen 1954 (moj mneer); het boek speelt zich af in Kleiwerd (= Bedum) en verscheen als feuilleton in Trouw.
↑Het Binnenhof, 2 juni 1950 ("de Drentse groet"). Zo ook door socialistische landarbeiders op Het Bildt in Friesland: Leeuwarder Courant, 18 april 1947. Vgl. voor Groningen: 'Moi', Nieuwsblad van het Noorden, 20 juni 1970.
↑J.K. van Eerbeek, De Doeve, Den Haag1938, p. 190 (mojje); de roman speelt zich af te Zwolle, begin 20e eeuw. Twentsche Courant, 19 mei 1945 (moj'n, Kip). Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 29 juni 1946 (moj); het laatste betreft De Krim.
↑Twentsche Courant, 6 april 1954 (over een Achterhoekse kraai die moj'n zegt). Moin was hier geen afscheidsgroet.
↑Th. Schmidt, Der Galgenstrick. Quakenbrück z.j. (Geldernsche Zeitung, 10 april 1911: morrn morrn). Georg Kruezmann (Osnabrück), 'Meun! Tach! Nabend!', in: Kölnische Zeitung, 10 juli 1932 (meun! ... meun meun meun).
↑Sint Carolus klokje 8 (1932), nr. 1 (goeje). De Zwerver [= Wiert Eelssema], 'Vijf weken Friesland', in: De Noord-Ooster, 17 maart 1934 (goeije). Pieter Breuker, ‘Groeten in het Fries. Taal in Beweging’, in: Veronique De Tier, Jos Swanenberg en Ton van de Wijngaard (red.), Moi, adieë en salut. Groeten in Nederland en Vlaanderen, Groesbeek 2009, p. 41-64, hier p. 42 ("de Friese groet bij uitstek"). Vroegste vermelding: Idsardi (= Gerben Idses van der Ploeg), Kleine luijden. Schetsen uit het dorpsleven, Kampen 1922, p. 160 (goeje, betreft omgeving Bolsward).
↑J.K.D. [= Johannes Klazes Dykstra], 'Foar it taelboerd', in: Fryslân. Algemien Frysk Wykblêd 20 (1940), p. 78-79.
↑Von Bock stond aan het hoofd van de Heeresgruppe B, waarvan de manschappen vooral uit Pommeren en Oost-Pruissen stamden. "Sie haben sich sehr gefreut und auf sein 'Mojn, Kinder' mit einem lauten und fröhlich-befriedigten 'Guten Morgen, Herr General' geantwortet". Friedrich Wagner, 'Auf dem Soziussitz – der General', in: Ostfriesische Zeitung (ed. Leer), 1 juni 1940.
↑Christian Winkler, Deutsche Sprechkunde und Sprecherziehung, Düsseldorf, 2e dr., Düsseldorf 1969, p. 329 ("sinkt über die Gossensprache ins nicht mehr Sprachliche ab").
↑De historische gegevens zijn niet goed vergelijkbaar. Alleen Prause (1930) behandelt de ochtendgroet; Eichhoff (1977) en de Atlas zur deutschen Alltagssprache (2011) uitsluitend de middag- en de afscheidsgroet.
↑Prause, Grußformeln, p. 18, 95-96. Thomas Schürmann, 'Adieu und tschüs im Deutschen’, in: Muttersprache. Vierteljahresschrift für deutsche Sprache 104 (1994), p. 260-274.
↑Kunibert, ‘Olympischer Gruß’, in: Olympia-Ring. Zeitschrift für die Mitarbeiter der Olympiawerke AG Wilhelmshaven 18 (1969), nr. 4, p. 23. Ewald Christophers, Der 6. Erdteil. Auf den Spuren der Ostfriesen, Bremerhaven 1977, p. 137 ("überall und zu allen Tageszeiten üblich"). Klaus Krüger, ’Schlicktowns Schicksal. Wilhelmshaven und das Öl’, in: Westermanns Monatshefte (1984), nr. 5 (mei), p. 78 ("der Friesengruß für alle Tageszeiten").
↑Alastair Walker, 'Toochte am a frasche spräke diling. (Zum heutigen Stand des Nordfriesischen)', in: Alastair Walker en Ommo Wilts, Friesisch heute. Beiträge zu einer Tagung über nordfriesische Sprache und Sprachpflege, Oeversee 1979, p. 46-57, hier p. 54.
↑Opvallend is de toevoeging van de uitroep moin moin aan het bekende Hamburgse lied An de Eck steiht’n Jung mit’n Tüdelband van de gebroeders Wolf uit 1911, vermoedelijk eind jaren '70. Nordmann-Stabenow, Plattdeutsch und Plattdänisch, p. 6. Gerhard Buchner, Mein Liederbuch. Die 300 bekanntesten Volkslieder, München 1982, p. 26.
↑"Moin moin ... das sagt hier eigentlich kein Mensch ... Moorng = Guten Morgen". Christopher Dietrich, Mecklenburg-Vorpommern & Ostsee. Unendliche Weiten. Ein Heimatbuch, Meerbusch 2014, p. 36. Volgens andere berichten wordt de groet wel onder jongeren in Mecklenburg gebruikt.
12Het voorbeeld stond centraal in de discussie over de algemene geldigheid van klankverschuivingswetten, zie: Terence H. Wilbur, 'Hugo Schuchart and the Neogrammarians', in: Theodor Vennemann & Terence H. Wilbur (red.), Schuchardt, the Neogrammarians, and the Transformational Theory of Phonological Change (1885-86), Frankfurt an Main 1972 p. 115-179.
↑Louis Gauchat, 'Analogien zwischen Schrift und Sprache, in: Helvetia 12 (1893), p. 384-390, hier 388 (ook als afzonderlijke publicatie, Bern 1893, p. 7). Vgl. Geert Kocks, 'Taolpraot: Moi', in: Nieuwsblad van het Noorden, 25 juli 1985: "De groet moi moet een lange weg hebben afgelegd om van (goede-)morgen tot moi te worden".
↑Karl Schröder (red.), Reineke de Vos, Leipzig 1872, p. 48 (oorspr. Lübeck 1498). Zie voor de vroegste ontwikkeling vooral Prause, Grußformeln, p. 10-11. Over het verdwijnen van God uit de Noord-Duitse groetformules, in tegenstelling tot het Zuid-Duitse Grüss Gott!: Horst Fuhrmann, Überall ist Mittelalter. Von der Gegenwart einer vergangenen Zeit, München 2010, p. 37.
↑Walther Bolhöfer, Gruß und Abschied in althochdeutscher und mittelhochdeutscher Zeit, Gottingen 1912, p. 25-26 (guoten morgen, guoten âbent), 43 (guoten morgen gebe dir got, beide 13e eeuw). Nog in de 16e eeuw: Hans Sachs, Werke, dl. 9, Tübingen 1876, p. 27 ("Gott geb' dir einen guten morgen", 1535). Vgl. Kurt Stegmann von Pritzwald, ’Der Sinn einiger Grußformeln im Licht kulturhistorischer Parallelen’, in: Wörter und Sachen.Kulturhistorische Zeitschrift für Sprach-und Sachforschung 10 (1927), p. 23-44, hier p. 43: "Der gott gebe hat in der Weiterentwicklung nicht genügend Widerstandskraft, um sich den Einflüssen des häufigen Gebrauchs zu entziehen, und fiel bald der bedeutenderen Funktion des Wunschobjekts zum Opfer".
↑De eerste Engelse vermelding bij Geoffrey Chaucer, The Miller's Tale ("good morrow", ca. 1386). Zie: Joachim Grzega, ‘Hãl, Hail, Hello, Hi: Greetings in English Language History’. in: Andreas H. Jucker en Irma Taavitsainen (red.), Speech Acts in the History of English, Amsterdam 2008, p. 165-194, hier p. 171-173.
↑Als afscheidsgroet werd moi in 1985 nog niet overal in de provincie Groningen ingeburgerd. Kocks, 'Taolpraot: moi (2)'.
↑Vgl. Byl, 'Moin!', p. 36: "Die allgemeine Kontraktionstendenz scheint hier zusammengetroffen zu sein mit einer uralten - friesischen - Sprachschicht, die sich vielleicht eine affektive Nachwirkung alten Sprachguts erklären läßt". Kritisch hierover: Hoekstra, 'Grüße aus Nordfriesland', 40-41.
↑Friedrich Scholz, ’Gruß und Anruf’, in: Zeitschrift fur vergleichende Sprachforschung auf dem Gebiete der Indogermanischen Sprachen 74 (1956), p. 129-145, 134.
↑"Der Gruß ist in diesem Falle ein Ansprechen des anderen, das sich nur der Ranghöhere erlauben darf, und es mag hier nachklingen, daß das Wort 'grüßen' im Deutschen bis in die Frühneuzeit auch den allgemeinen Bedeutungsgehalt von 'ansprechen', 'anreden' oder auch 'herausfordern' und 'angreifen' umfaßte." Schürmann, Tisch- und Grußsitten, p. 190, vgl. 197-198. Vgl. Werner Besch, ’Anredeformen des Deutschen im geschichtlichen Wandel’, in: Werner Besch et al. (red.), Sprachgeschichte. Ein Handbuch zur Geschichte der deutschen Sprache und ihrer Erforschung, 2e dr., dl. 3, Berlijn / New York 2003, p. 2599-2628.
↑"Der Übergang von der Formel Guten Morgen! bis zu Moin! ist von der sozialen Distanz der Gesprächspartner abhängig. Je enger der Grad der Verwandtschaft oder Bekanntschaft ist, desto eher werden die umgangssprachlichen Formen gebraucht". Wacław Miodek, Die Begrüßungs- und Abschiedsformeln im Deutschen und im Polnischen, Heidelberg 1994, p. 55.
↑Hermann Bausinger, ’Bürgerlichkeit und Kultur’, in: Jürgen Kocka (red.), Bürger und Bürgerlichkeit im 19. Jahrhundert, Göttingen 1987, p. 121-142, hier p. 125-127.
↑Vergelijk het spreekwoord: "Met de pet op je test kom je er ook best", voor het eerst gedocumenteerd in 1918 en dan nog gekenschetst als "brutaal". De Avondpost, 23 november 1918. Sumatra Post, 11 oktober 1919. Nieuwe Winterswijksche Courant, 14 mei 1926. Daarentegen felle kritiek op het hoed afnemen in De Tribune, 17 juli 1926.
↑Hermann Bausinger, 'Die Dinge der Macht', in: Andreas Hartmann, Peter Höher en Christiane Cantauw (red.), Die Macht der Dinge. Symbolische Kommunikation und kulturelles Handeln. Festschrift für Ruth-E. Mohrmann, Münster 2011, p. 27-34, hier 31.
↑Hermann Heiberg, ‘Über das Grüßen’, in: Jugend 1 (1897), p. 219-222; de auteur woonde in Schleswig.
↑Eeltsje Halbertsma, Leed in wille, Deventer 1854, p. 178 en 180. Het Friese moarn jimme is te vergelijken met de Groningse groet moi doe ("goedemorgen jij"), Nederduits moin du.
↑De meervoudige aanspreekvorm is overigens veel ouder en komt al voor bij Erasmus (salvete omnes!), Shakespeare en Rabelais. In de Vulgaat Romeinen 16:16: Salutant vos omnes ecclesiæ Christi. Vgl. Theodor Arnold, Neue englische Grammatica, Hannover 1718, p. 382: "Guten Morgen alle miteinander - Good morrow all together".
↑Brockhaus Enzyklopädie, 19e druk, dl. 27, Mannheim 1995, p. 2292 (trefwoord: Moin). Dit betreft het supplement onder de titel Deutsches Wörterbuch, dl. 2: Gluc-Reg.
↑Martin Schröder (red.): Niedersächsisches Wörterbuch, dl. 8, Neumünster 2011, kol. 782-787 (trefwoord mōi), hier p. 784 (= afl. 63, 2010). Echter niet in het Hamburgische Wörterbuch, dl. 3, Neumünster 2004, kol. 379 (trefwoord: Morgen, varianten meun, meunmeun,meugen). De vorm moin wordt hierin niet genoemd.
↑Werner König, Dtv-Atlas zur deutschen Sprache. Tafeln und Texte (1978), 10e herz. druk, München 1994, p. 242: "Das Moin an der Küste stammt aus moin(Tag) und ist ein altes niederdeutsches Wort für 'gut, schön'."
↑De Luxemburgse taalkundige Johannes Kramer, noemt de gangbare afleiding uit gudde Moiën een volksetymologie en stelt een alternatieve afleiding uit een hypothetisch *e môien Dag. Zie: Kramer, 'Entre français, allemand et néerlandais. Quelques formules de politesse luxembourgeoises', in: Dieter Kremer en Alf Monjour (red.), Studia ex hilaritate. Mélanges de linguistique et d'onomastique sardes et romanes offerts à Monsieur Heinz Jürgen Wolf, Straatsburg en Nancy 1996, p. 201-209, hier p. 203. Dez., 'Politeness in Luxemburg', in: Leo Hickey en Miranda Stewart (red.), Politeness in Europe, Clevedon 2005, p.58-65, hier p. 61. Kritiek hierop van zijn collega Sam Mersch, die betoogt dat het om een overgeërfd woord uit het middeleeuwse Moezelfrankisch gaat: Warum sagen in Luxemburg eigentlich alle "Moien"?, 2018 (geraadpleegd 12 mei 2023).
↑N. van der Sijs, Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag 2010 (met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015), trefwoord: mooi. Otto Mensing, Schleswig-holsteinisches Wörterbuch, dl. 3, Neumünster 1931, kol. 669 (trefwoord: moi, uitgesproken als [moːɪ] – "seit der Mitte des 18. Jahrhunderts erscheint es häufiger"). Beate Hennig en Jürgen Meier (red.), Hamburgisches Wörterbuch, dl. 3, Neumünster 2004, kol. 368-369 (trefwoord: mooi). Friedrich Kluge, Seemannssprache. Wortgeschichtliches Handbuch deutscher Schifferausdrücke älterer und neuerer Zeit, Halle an der Saale 1911, p. 580 (trefwoord: moi, sinds 1587).
↑M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam 2003-2008, trefwoord: mooi. J. Verdam en Eelco Verwijs, Middelnederlandsch Woordenboek, dl. 4 (1899), trefwoord: mooyII.
↑In het Oudfries komt de vorm mōi niet voor: Volkert F. Faltings, Etymologisches Wörterbuch der friesischen Adjektiva, Berlijn 2010.
↑Bremen: Theodor Vernaleken, Deutsches Sprachbuch, St. Gallen en Bern 1850, p. 188. Vgl. Jan ten Doornkaat Coolman, Ostfriesisches Wörterbuch, dl. 2, Norden 1882, p. 80 (insen 'n môjen dag fan dage).
↑Het betreft het dialectgedicht 'Sonntagsfrühe' van Johann Peter Hebel uit diens Allemannische Gedichte (Karlsruhe 1803), waarvan een Hoogduitse versie uit 1804 werd afgedrukt door Johann Daniel Runge, Hamburgischer Liederkranz, Hamburg 1838, p. 145-146. Voorbeelden van de oudere formule in Friedrich Schillers komedie Körners Vormittag uit 1787. Oudste attestatie: Liebeskampff Oder Ander Theil der Engelischen Comoedien und Tragoedien, z.pl. 1630, p. 680 (Einen guten schönen Tag, meine liebe Herren, Und ihr dort auch ihr Jungfrawen). Het Engels kent de groet: a fine morning!
↑Uitvoerige kritiek bij Byl, 'Moin!', p. 32-35. Hoekstra, 'Grüße aus Nordfriesland', p. 40-41. Pedersen, 'Sprogbrug og sprogsyn', p. 328. Heinrich Munderloh‚ ’Sprachkundliche Beiträge’, in: Oldenburger Jahrbuch 93 (1993), p. 161-164, hier p. 164.
↑Hermann Teuchert, Die Sprachreste der niederländischen Siedlungen des 12. Jahrhunderts, Neumünster 1944, herdr. Wenen 1972, p. 79, 105, 315 ("als Verkehrswort ... der seemännischen oder Handelssprache zugehörig"). Jan de Vries, Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden 1971, trefwoord: mooi (met literatuurverwijzingen). Walther Mitzka, 'Soziologische Semantik bei Synonymen zu "schön"', in: Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik 37 (1970), p. 172-180.
↑Otterstedt, Abschied im Alltag, p. 129-130, stelt ten onrechte dat het Nederlands en het Fries de vorm gooden zouden hebben.
↑Byl, 'Moin!', p. 32. Pedersen, 'Sprogbrug og sprogsyn', p. 328. Zo ook taalprofessor Enno Schmoll uit Oldenburg: Woher kommt “moin”? Ostfriesen wünschen abends "Guten Morgen”? PlattdüütskBlog, 17 augustus 2017. Een artikel in Der Sprachdienst 45 (2001), p. 183, trekt de omgekeerde conclusie en verklaart de uitleg guten Morgen tot volksetymologie.
↑Heinz Scheele,"Wor Moin her kaomen dait", Nordwest Zeitung Online, 21 juni 2019. De verklaring mojen wind duikt op in een brochure van de Handels- und Gewerbeverein Wiedingharde te Neukirchen (Kreis Nordfriesland), die in 1999 werd ontbonden. Gerd Christiansen,Moin.Christiansen's Website.Gearchiveerd op 28 november 2011.Geraadpleegd op 2 juni 2023. Ook bij Stefan Beuse, Gebrauchsanweisung für Hamburg, München 2001, p. 152. De verklaring gaat terug op Nordmann-Stabenow, Plattdeutsch und Plattdänisch, 1980, p. 6, waar echter iets anders staat.
↑Werner Junge: Moin, SH von A bis Z. Gesellschaft für schleswig-holsteinische Geschichte (geraadpleegd 10 mei 2023). Zie: Have a nice day (Engelstalig). Ouder is de Angelsaksische wens: Good morning, a pleasant day! (1839).