Mari Lwyd

Mari Lwyd is een traditie uit Zuid-Wales. In delen van Zuid-Wales gaat de Mari Lwyd (een persoon vermomd met een paardenhoofd, linten en een witte mantel) tussen Eerste Kerstdag en Driekoningen langs de huizen met een groep begeleiders. Bewoners die de bezoekers niet verwelkomden en beloonden, zouden een "llond y tŷ o fwg" (een huis vol rook) krijgen, wat een jaar van pech betekent. Het skeletpaard kan ook met de kaak knarsen of mensen achtervolgen.
De precieze datum waarop de traditie werd uitgevoerd, verschilde per dorp en in een aantal gevallen werd de traditie gedurende meerdere opeenvolgende nachten uitgevoerd. De Mari Llwyd is een vast onderdeel van moderne vieringen van het Hen Galan (Engels: Old Newyear op 12 januari).
Mari Lwyd is een variant binnen de bredere wassailing traditie, waarbij een groep mensen op of rond Driekoningen zingend van huis naar huis gaat.
Het eerste schriftelijke verslag

Het vroegst gepubliceerde verslag van de Mari Lwyd verscheen in 1800 in J. Evans' A Tour through Part of North Wales, in the year 1798, and at Other Times. Hoewel het boek zelf zich concentreerde op Noord-Wales, besprak het hoofdstuk waarin de passage was opgenomen de taal en gebruiken van Wales in het algemeen. In dit gedeelte vertelde Evans dat 'een man, op nieuwjaarsdag, gehuld in dekens en andere attributen, met een kunstmatig hoofd als een paard en een gezelschap dat hem vergezelt, klopt op de deur om binnen te komen. Nadat hij binnen is gekomen, rent hij met een ongewoon angstaanjagend lawaai door de kamer waardoor het gezelschap in echte of geveinsde schrik wegrent. Ze herstellen zich echter snel en krijgen toegang door een vers van een of ander liedje op te zeggen of bij gebrek daaraan een kleine fooi te betalen.'
In 1804 beschreef hij het gebruik iets duidelijker en bleek dat groepen, vergezeld door een man verkleed als paard of stier, van Kerstmis tot na Driekoningen door het gebied trokken en dat ze voedsel of geld kregen om de huiseigenaren met rust te laten.
Tegenstand en heropleving
Er is gesuggereerd dat de Welshe methodistische opwekking heeft bijgedragen aan de achteruitgang van zowel de Mari Lwyd als een aantal andere Welshe volksgebruiken. In 1802 publiceerde de harpist Edward Jones uit Merionethshire een boek waarin hij de destructieve invloed betreurde die christelijke predikers hadden op de Welshe volksgebruiken, die zij als zondig bekritiseerden. Volgens hem is "het gevolg dat Wales, dat vroeger een van de vrolijkste en gelukkigste landen ter wereld was, nu een van de saaiste wordt". In navolging van deze opvatting veroordeelde dominee William Roberts, een baptistenpredikant in Blaenau Gwent, in 1852 de Mari Lwyd en andere verwante gebruiken als "een mengsel van oude heidense en pauselijke ceremonies... Ik wens dat deze dwaasheid, en alle soortgelijke dwaasheden, nergens een plaats vinden, behalve in het museum van de historicus en de antiquair.
Hoewel de traditie in de eerste helft van de twintigste eeuw in verval raakte, deels door tegenstand van sommige lokale christelijke geestelijken en veranderende maatschappelijke omstandigheden, werd ze in de tweede helft van de eeuw in nieuwe vormen nieuw leven ingeblazen. De traditie heeft ook diverse artistieke uitingen geïnspireerd, die bijvoorbeeld terug te vinden zijn in het werk van de schilder Clive Hicks-Jenkins en de dichter Vernon Watkins.
Hicks-Jenkins maakte een serie tekeningen waar een transformerend paard/man centraal stond als een nachtmerrieachtige voorbode van de dood van zijn vader. Catriona Urquhart schreef een reeks gedichten getiteld The Mare's Tale, die in 2001 samen met de afbeeldingen van Hicks-Jenkins werden gepubliceerd. Watkins creëerde de "Ballad of the Mari Lwyd and other poems". De aartsbisschop van Canterbury, Rowan Williams, schreef dat de titelballade "een van de meest vooraanstaande gedichten van de eeuw was over het volksritueel dat het Nieuwjaar, de christelijke eucharistie en de ongemakkelijke grens tussen levenden en doden met elkaar verbindt, om zo een model te presenteren van wat poëzie zelf is – grensverleggend werk tussen dood en leven, oud en nieuw, brood en lichaam."
Naamgeving en betekenis

Marie Trevelyan stelt dat de naam Marw Lwyd sinds de zeventiende eeuw in veel delen van Wales werd gebruikt. Ze leidde deze naam af van "Grijze Dood", en betoogde dat het een symbool was van "het stervende of dode jaar". De folklorist E.C. Cawte achtte het waarschijnlijker dat de term oorspronkelijk "Grijze Merrie" betekende aangezien llwyd het gebruikelijke woord voor 'grijs' is in het Welsh en Welshe sprekers blootgesteld zouden zijn geweest aan het Engelse woord 'mare'. Deze etymologische verklaring zou parallellen vertonen met de naam van een soortgelijke traditie van een paard met kap die in Ierland en op het eiland Man voorkomt, die in het Iers bekend staat als de Láir Bhán en in het Manx als de Laare Vane, in beide gevallen 'Witte Merrie' betekenend.
De folklorist Iorwerth Peate meende dat de term Mary Lwyd "Heilige Maria" betekende en dus verwees naar Maria, de moeder van Jezus, en anderen vertaalden het juist met "Gezegende Maria". Peate was van mening dat de Mari Lwyd “zonder twijfel een overblijfsel was van een voorchristelijke traditie” die ooit over Groot-Brittannië en andere delen van Europa was verspreid, en die – na de kerstening van Groot-Brittannië te hebben overleefd – in de middeleeuwen was hernoemd tot Mari Lwyd, verwijzend naar de Maagd Maria.
Een andere suggestie is dat Mari Lwyd afgeleid is van de Engelse term Merry Lude, verwijzend naar een vrolijk spel. Peate verzette zich tegen dit idee en betoogde dat als de laatste in het Welsh zou worden omgezet, het resultaat merri-liwt of merri-liwd zou zijn. Peate verwierp ook het idee dat hem was geopperd dat de term Mari in deze context afgeleid was van Morris, een verwijzing naar de Morris dance.
In 1888 opperde David Jones, die stelde dat het gebruik "een overblijfsel was van een oud volksritueel of -ceremonie", dat de oorsprong ervan christelijk was en dat het ooit deel had uitgemaakt van de festiviteiten van het Feest van de Ezel, een herdenking van de vlucht van Maria en Jozef van Nazareth naar Egypte, die historisch gezien op 14 januari werd gevierd. Volgens Jones' idee vertegenwoordigde de Mari Lwyd zelf de ezel waarop Maria reed tijdens het verhaal. De folklorist Trefor M. Owen suggereerde ook dat de Mari Lwyd een praktijk was "die waarschijnlijk een religieuze (zij het pre-christelijke) oorsprong had", eraan toevoegend dat het "ontdaan was van zijn religieuze inhoud" tegen de tijd dat het werd opgetekend.
In de eerste helft van de 19e eeuw werd het in Pembrokeshire vastgelegd onder de naam y March "Het Paard" en y Gynfas-farch "Het Canvaspaard". Een verslag uit West Glamorgan noemt het hoofd de aderyn bee y llwyd, wat "de Grijze Ekster" betekent, hoewel dit mogelijk te wijten is aan een fout van de verslaggever die het hoofd van het paard zou kunnen hebben verward met de aderyn pica llwyd (een kunstmatige vogel in een boom die door wassailers in hetzelfde gebied werd meegedragen).
Ellen Ettlinger, die Peates suggestie van een oude oorsprong omarmde, geloofde dat de Mari Lwyd een "doodspaard" voorstelde, zoals gesymboliseerd door de witte doek die de drager droeg, en suggereerde dat het oorspronkelijk werd gebruikt in een pre-christelijk ritueel om het Samhain-feest te markeren. [De folklorist Christina Hole suggereerde dat deze "oude figuur" ooit "een brenger van vruchtbaarheid" was. Na 1970 kwam er echter een einde aan de folkloristische trend om dergelijke stokpaardentradities te interpreteren als pre-christelijke overblijfselen, omdat geleerden voorzichtiger werden met het voorstellen van oorsprongen voor dergelijke gebruiken.
Het ontbreken van verwijzingen naar dergelijke praktijken in de late middeleeuwen en de geografische verspreiding van de verschillende Britse tradities rondom dieren met kapjes – waaronder de Hoodening van Kent, de Broad van Cotswolds en de Old Ball, Old Tup en Old Horse van Noord-Engeland – hebben geleid tot de suggestie dat ze voortkomen uit de regionale popularisering van de zestiende- en zeventiende-eeuwse mode voor stokpaardjes onder de sociale elite.
Stokpaardje en het gezelschap

De Mari Lwyd wassailing-traditie omvat het gebruik van een gelijknamig stokpaardje, gemaakt van een paardenschedel gemonteerd op een paal en gedragen door een persoon die verborgen is onder een laken. Soms werd het hoofd van het paard niet door een schedel voorgesteld, maar was het gemaakt van hout of zelfs papier. Er is een uniek voorbeeld, beschreven in Gower, waarin het hoofd het hele jaar begraven bleef en alleen tijdens de kerstperiode werd opgegraven.
Deze oude traditie - vergelijkbaar met de Scandinavishe joelbok - laat de Mari Lwyd en haar gezelschap zingen in het Welsh en rijmverzen uitwisselen met de bewoners. Van de bewoners werd verwacht dat ze hen de toegang weigerden, wederom door middel van gezang. De groep zong een tweede couplet, en het debat tussen de twee partijen – bekend als de pwnco (een vorm van muzikaal gevecht vergelijkbaar met flyting) – ging door totdat de bewoners van het huis geen ideeën meer hadden. Op dat moment waren ze verplicht de groep binnen te laten en hen bier en eten te geven. In het geval van Llangynwyd was er echter geen interactie tussen de huisbewoners en de groep, maar de laatsten kregen doorgaans automatisch toegang nadat ze het eerste couplet van hun lied hadden gezongen.
Eenmaal binnen ging het vermaak verder met de Mari Lwyd die rondrende, hinnikte en met zijn kaken klapperde, chaos veroorzaakte en kinderen (en misschien zelfs volwassenen) bang maakte, terwijl de Leider deed alsof hij probeerde het dier in bedwang te houden. De Merryman speelde muziek en vermaakte de bewoners
Een waarnemer van de traditie zoals die in de negentiende eeuw in Llangynwyd werd uitgevoerd, merkte op dat de voorbereiding voor de activiteit een gemeenschappelijke gebeurtenis was, waarbij veel lokale bewoners betrokken waren bij het versieren van de Mari Lwyd. Hoewel de samenstelling van deze groepen varieert, bestonden ze doorgaans uit een persoon die het paard droeg, een leider en mensen verkleed als bekende figuren zoals Punch en Judy. Het gebruik begon vroeger bij schemering en duurde vaak tot diep in de nacht. De Mari Lwyd-groep bestond uit vier tot zeven mannen, die vaak gekleurde linten en rozetten aan hun kleding droegen en soms een brede sjerp om hun middel. Er was meestal een keurig geklede 'Leider' die een staf, stok of zweep droeg, en soms andere vaste figuren, zoals de 'Vrolijkman' die muziek speelde, en Punch en Judy (beiden gespeeld door mannen) met zwartgemaakte gezichten; Punch was vaak felgekleed, droeg een lange metalen haardijzer en Judy had een bezem.
Een verslag uit Nantgarw beschreef zo'n voorstelling, waarbij de Punch en Judy-figuren lawaai maakten. Punch tikte op de grond op het ritme van de muziek en klopte met een pook op de deur terwijl Judy met een bezem de grond, de muren en de ramen van het huis veegde. De huiseigenaren moesten Punch laten beloven dat hij hun open haard niet zou aanraken voordat hij het gebouw binnenging, anders was het de plaatselijke gewoonte dat hij, voordat hij vertrok, het vuur met zijn pook uitharkte.
De gezangen
Er zijn zeven strofen die het begin van het Mari Lwyd-ritueel vormen, waarbij de groep buiten de deur een reeks traditionele strofen zingt. Daarna volgt de 'punco', het debat (dat op dezelfde melodie werd gezongen, met een combinatie van traditionele en wat 'onbedachtzame' verzen) tussen een lid van de groep en een tegenstander aan de andere kant van de deur. Meestal werd er flink wat gekibbeld, waarbij de ene partij de andere beschimpte vanwege zijn 'valse' zang, dronkenschap, onbeleefdheid, enzovoort. Van de groep werd verwacht dat ze het debat zouden winnen voordat ze toegang tot het huis kregen en taart, drank en soms een financiële bijdrage ontvingen. Soms, tenminste na de 'punco', zong de groep nog extra verzen ter introductie van alle leden en was er ook een afscheidslied dat in huis gezongen kon worden. Blijkbaar waren de laatste twee liederen in stamritme en op een andere melodie.
Soortgelijke gebruiken
.jpg)

In Zuidwest-Engeland bestaan er nog twee stokpaardjestradities: het Padstow 'Obby 'Oss-festival en Minehead Hobby Horse, die niet rond Kerstmis plaatsvinden, maar op 1 mei.
Een soortgelijk gebruik komt voor in een verslag uit 1897, waarin een entiteit die bekend stond als de Bwca Llwyd ("Grijze Bogy") werd beschreven. Het betrof een namaak paardenhoofd gemaakt van canvas, gevuld met hooi, dat op Allerheiligenavond met een hooivork werd rondgedragen.
Aan het einde van de negentiende eeuw werd in Noord-Wales een traditie vastgelegd die bekend stond als "het geven van een schedel", waarbij de schedel van een paard of ezel op 1 mei boven de voordeur van een vrouwenhuis werd geplaatst als teken van minachting. In delen van Wales werd een paardenhoofd – soms met hoorns eraan – gebruikt als onderdeel van de charivari-processies, bedoeld om degenen die zich immoreel hadden gedragen te beschamen.
De folklorist Iorwerth Peate geloofde dat Mari Lwyd een variant was van de bredere wassailing-gewoonte die in heel Groot-Brittannië voorkwam.
Wassailing is een oud Engels gebruik dat in twee varianten voorkomt. De traditie van wassailing (ook gespeld als wasselling) valt in twee verschillende categorieën: de huisbezoekende wassail en de boomgaardbezoekende wassail.
- De huisbezoekende wassail is de praktijk waarbij mensen van deur tot deur gaan, zingen en een drankje uit de wassailkom aanbieden in ruil voor geschenken. Deze praktijk bestaat nog steeds, maar is grotendeels verdrongen door het zingen van kerstliederen.
- De boomgaardbezoekende wassail verwijst naar de oude gewoonte om boomgaarden in ciderproducerende regio's van Engeland te bezoeken, bezweringen op te zeggen en tegen de bomen te zingen om een goede oogst voor het komende jaar te bevorderen. Het doel van wassailing is om de ciderappelbomen wakker te maken en boze geesten te verjagen om een goede oogst van fruit in de herfst te verzekeren. Opmerkelijke traditionele wassailingliederen zijn onder meer "Here We Come a-Wassailing", "Gloucestershire Wassail" en "Gower Wassail".
In Duitsland is de Schimmelrijder bekend. Ook tijdens het Sinterklaasfeest speelt een wit paard (of ezel) een rol. In Nederland rijdt Sinterklaas op een schimmel en in o.a. Frankrijk, Zwitserland en Duitsland ook wel op een ezel. Houseker, de metgezel van Sinterklaas in Luxemburg komt ook als schimmelrijder voor. Tante Arie rijdt op een ezel. De Sterrenzangers gaan langs huizen, er wordt gevraagd of de ster welkom is en gaat het gezelschap de huizen in. Tijdens het Sint-Maarten-feest in Nederland gaan kinderen langs de deuren en krijgen snoep of geld nadat ze een liedje zingen.
Ook tijdens het Chlausjagen, Koleduvane, Klausjagen, Kukeri, Sunderum, Sint-Knoetsdag, Klozum, Klaasohm, Ouwe Sunderklaas, Sinterklaaslopen, Sunneklaas, Chlauschlöpfen, Opkleden, Koleduvane en Kolyada trekken groepen mensen langs de huizen. Er wordt vaak veel lawaai gemaakt en woordspellen spelen soms een rol, in sommige gevallen jagen ze de mensen angst aan. In Ierland kent men Láir Bhán.
Afbeeldingen

Wassailing op de trappen van het museum, Chepstow, januari 2015
Het geheim van de Mari Lwyd is onthuld, 2014
Afbeelding van de Welsh Border Morris Men, de Chepstow Widders, die de Mari Lwyd uitvoeren op de trappen voor het Chepstow Museum, 16 januari 2010
Mari Lwyd en haar verzorger bij Chepstow Castle
Mari Lwyd met groene ogen
De viering van Nieuwjaar met Mari Lwyd in Caerphilly, 2025
Zie ook
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Mari Lwyd op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.