Abdij van Hautvillers

Abdij van Hautvillers
Onderdeel van de werelderfgoedinschrijving:
Heuvels, huizen en wijnkelders van de Champagnestreek
Abdij van Hautvillers
Land Vlag van Frankrijk Frankrijk
Coördinaten 49° 5 NB, 3° 56 OL
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria iii, iv, vi (Uitleg)
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 1465
Inschrijving 2015 (39e sessie)
Kaart
Abdij van Hautvillers (Frankrijk)
Abdij van Hautvillers
UNESCO-werelderfgoedlijst

De Abdij van Hautvillers (Frans: Abbaye de Saint-Pierre d'Hautvillers) is een voormalige Franse benedictijnerabdij in het departement Marne. De abdij wordt de "geboorteplaats van de Champagne" genoemd, omdat de monnik Dom Pierre Pérignon (1639-1715) daar van 23 mei 1668[1] tot zijn dood de keldermeester was.

Mogelijks gesticht in 650, speelde de abdij een cruciale rol in de spirituele, culturele en oenologische geschiedenis van de Champagne. Ze behoorde tot de Congregatie van Sint-Vanne en Sint-Hydulphus en was eeuwenlang een centrum van manuscriptproductie, religieuze devotie en wijninnovatie.

De abdij en onderdelen van de kerk zijn Franse historische monumenten. De abdij en de Cave Thomas maken sinds 2015[2][3] onderdeel van het UNESCO-werelderfgoed Heuvels, huizen en kelders van de Champagne.

Jaarlijks komen er meer dan 120.000 bezoekers naar Hautvillers en de abdijkerk.[4]

Situering

Ontstaan

Vermelding Altum Villarre op etiket Dom Pérignon

De eerste abt, Sint-Berchaire (Bercharius) (circa 620 – 696)[5], ontving van Sint-Nivard (649–673), de (aarts)bisschop van Reims, de opdracht om een klooster te stichten op een landgoed Altum Villare dat tot zijn bisdom behoorde.[5] Het landgoed was op een heuvel gelegen met uitzicht op Épernay en de Marne. Altum Villare was de middeleeuwse, Latijnse naam van Hautvillers en betekend “hoog dorp” of “hoge boerderij”.

Eenentwintigste eeuw

Hautvillers en zijn abdij zijn gelegen op 7 kilometer van Épernay en 20 kilometer van Reims, in het departement Marne (Grand-Est, Frankrijk).

De abdij ligt aan de zuidkant van het dorp. Rondom de abdij lopen verschillende verkeersassen[6][7]: de Rue de l’Église (adres voor de abdijkerk), met Place de l’Église en de Rue de l’Abbaye. In het westen gaat de Rue de l'Aubrois over in de Avenue de Chandon om op het zuidelijkste punt van het domein samen te komen met de oostelijke as, de Rue de Cumières. Dit punt dient als startpunt voor panoramische uitkijkpunten over de vallei, terwijl de Route de Cumières de verbinding vormt met de omliggende dorpen.

Een klein steegje verbind de Rue de l’Abbaye met de Rue de Cumières. Het is een van de iconische plekken van Hautvillers, met uitzicht op de abdijkerk. Het vreemde aan het steegje is het feit dat het twee namen heeft: "Ruelle du Cul de Lampe" (een architectonisch element in een kerk) als je het naar boven oploopt en "Passage des Bénédictins" (de monniken gebruikten dit steegje om eten te halen) als je het naar benden afdaalt.[7]

Toegangspoorten tot het domein bevinden zich op drie plaatsen. Allereerst aan de Rue de l’Abbaye, die in gidsen en routebeschrijvingen vaak als toegang tot de kerk wordt genoemd. Daarnaast bevindt zich aan de Rue de Cumières de poort Sint-Helena, terwijl tot slot zich aan het zuidelijkste punt de derde toegangspoort bevindt. Deze laatste is tussen april 2016 en april 2019 gerestaureerd.[8]

Binnen het domein liggen enkele gebouwen. Naast de abdijkerk Sint-Sindulphe, die nu de parochiekerk van het dorp is, sluit een deel van de kloostergang direct bij de kerk aan. Ten oosten van de kerk sluiten de kloostergebouwen en tuinen aan, die in de zeventiende en achttiende eeuw hun huidige vormen kregen en in de eenentwintigste eeuw grondig werden gerestaureerd. Ten westen van de kerk ligt het gebouw “Les Filles de France” en het oude persgebouw.

Geschiedenis

Oud plan
Plan van de kelders

Ontstaan

Over de exacte datum bestaat er twijfel. De stichting wordt in populaire en toeristische context vaak aangeduid als in 650[9][10], al is dit vooral gebaseerd op legendarische overlevering. Op basis van volgend citaat "Revenu à Reims vers 658, il reçut de Nivard la mission d'établir un monastère"[5] zou men 658 als stichtingsdatum kunnen naar voor schuiven. De abdij werd dus gesticht in opdracht van Sint-Nivard, (aarts)bisschop van Reims en neef van de Franse koning Dagobert.[11] De eerste abt, Sint-Berchaire, keerde in 658 terug naar Reims en ontving van Nivard de opdracht om een klooster te stichten op het landgoed Altum Villare. De aartsbisschop onteigende zich van zijn bezittingen en droeg deze bij een speciaal charter over "aan de kerk van Hautvillers, aan Berchaire en zijn broeders, die van plan zijn daar te wonen onder de regel van Columbanus en Benedictus“.[5]

Tot ontmanteling tijdens Franse Revolutie

Tijdens de Karolingische periode (751-987) groeide de abdij uit tot een centrum van manuscriptproductie, zoals het beroemde Évangéliaire d’Ebbo en mogelijk het Utrecht-psalter.

In 841[11] brachten monniken de relikwieën van Sint-Helena over uit Rome, wat de abdij tot een bedevaartsoord maakte en de inkomsten liet stijgen, zodat ze zo’n 40 hectare grond en wijngaarden kon verwerven. De abdijkerk herbergde tussen 841 en 1819 de relikwieën van Sint-Helena, of Helena van Constantinopel (circa 248-circa 329), de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote.

Door de eeuwen heen werd de abdij herhaaldelijk verwoest en herbouwd. De abdij werd in 940[12] gerestaureerd na de Normandische invallen in 822. De laatste reguliere abt, Dom Royer (1507-1527), verwijderde de laatste sporen van de brand die de Engelsen in 1449 hadden gesticht. In 1544, tijdens de godsdienstoorlogen tussen Frans I en Karel V, werd de abdij verwoest en in 1562 werden de resten ervan door de Hugenoten verbrand. Dankzij donaties van Catharina de Medici, werd de abdij in 1603 volledig herbouwd.[11]

Tijdens de zeventiende eeuw bevond de abdij zich in een periode van heropleving, waarin zowel spiritueel als architecturaal belangrijke inspanningen werden geleverd. De abdij leefde volgens de regel van Sint-Vanne en Sint-Hydulphe, een hervorming die in 1604[11] in Lotharingen ontstond uit de regel van Sint-Benedictus. De gebouwen kregen herstellingen en aanpassingen die het werk van de monniken, waaronder de wijnproductie, ondersteunden.[1]

De abdij floreerde totdat er in 1634[13] nog maar zes monniken over waren. In 1673 liet Dom Pérignon kelders bouwen voor de wijnopslag. Dankzij hem verwierf de abdij grote bekendheid. In 1689 steeg het aantal monniken tot vierentwintig.[13]

De abdij werd in 1791[9]-1793[11] ontmanteld door de nationalisatie tijdens de Franse Revolutie van 1789 tot 1799. De monniken werden weggestuurd.

Na de Franse Revolutie

De overgebleven gebouwen van de abdij en het omringende landgoed vielen in 1794 in handen van de wijnhandelaar Jean-Remy Moët uit Épernay. In 1823[14] nam zijn schoonzoon, Pierre-Gabriel Chandon, het landgoed over en startte de heropbouw van de wijngaarden en (delen van) het abdijcomplex. Zo kwam het landgoed in handen van het champagnehuis Moët & Chandon (nu onderdeel van LVMH).

Eenentwintigste eeuw

In 2012 voerde het bedrijf restauraties uit aan het klooster en reconstrueerde het de verdwenen poort van Sint-Helena, in samenwerking met de architecten van de Franse historische monumenten. De locatie van de abdij wordt nu door het champagnehuis Moët & Chandon gebruikt om zijn belangrijkste gasten te verwelkomen.

De abdij ligt in hart van het wijngaardlandschap van de Champagne, dat sinds 2015 op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat als Heuvels, huizen en kelders van de Champagne.

Het archeologisch onderzoek van begin april tot eind november 2023[15] door het Franse Institut national de recherches archéologiques préventives (Inrap) in samenwerking met het Musée du Vin de Champagne (in Epernay) maakte een uitgebreide opgraving mogelijk, waarbij delen werden heropend die al gedeeltelijk waren bestudeerd in het kader van projecten die Pascale Bousquet-Chevalier eind jaren 1980 had uitgevoerd. Dit onderzoek was uitzonderlijk vanwege de ligging en de oppervlakte (circa 9.500 m²)[16] Het onderzoek heeft op het terrein sporen blootgelegd van zes opeenvolgende bouwfasen (van elfde tot twintigste eeuw), evenals 17 monnikengraven in het oostelijke deel van het klooster en de kapitularie, en een deel van een zeventiende eeuwse parochiale begraafplaats.

Zowel de gemeente Hautvillers, als de eigenaar van de abdij hebben in januari 2024 een uitgebreide restauratie-campagne aangekondigd. Een envelop van 3,2 miljoen[4] euro werd gestemd door de “Gemeenschap van gemeenten van de Grande Vallée de la Marne”. Deze zal verschillende jaren in beslag nemen. De restauratie-campagne van LVMH heeft de naam "Dom Pérignon - Renaissance van de abdij van Hautvillers" gekregen.[17] In de abdij en het 5 hectare grote park wordt een ruimte gewijd aan de geschiedenis van de monnik, alsook een wijnbibliotheek, een locatie voor wijnproeverij en een documentatiecentrum. In 2028 zou de abdij haar deuren openen voor het grote publiek.[17]

Erfgoed

Frans historisch monument
Frans historisch monument

De abdij en verschillende onderdelen van de kerk zijn erkend als Franse historische monumenten. Voor de abdij gebeurde de klassering en de inschrijving op 27 juni 1983.[18] Het orgel werd geklasseerd op 23 juli 1976[19], het meubel in de sacristie op 8 juli 2002[20]. Er werden ook zeven schilderijen geklasseerd, waaronder het schilderij genaamd “Stichting van Hautvillers door Saint Nivard”.[21]

Unesco Cultureel Erfgoed
Unesco Cultureel Erfgoed

Sinds 2015 zijn zowel de abdij als de kelder een onderdeel van het UNESCO-werelderfgoed “Heuvels, huizen en kelders van de Champagne”. De abdij staat in een gemeente die deel uitmaakt van de inschrijving, maar wordt ook apart benoemd. Ook de kelder wordt benoemd als een ondergronds deel van het erfgoed.

Les vignobles historiques comprennent les premiers aires de viticultures, les villages d'Hautvillers, Aÿ et Mareuil-sur-Ay et le clos et les vestiges de l'abbeye de d'Hautvillers, le chateau de Montobello ainsi que l'infrastructure viticole (...) Le patrimoine souterrain comprend plusieurs caves, parmi lesquelles il faut mentionner la cave Thomas, la plus ancienne des caves creusées spécifiquement pour stocker le champagne (1673) et la cave du château de Montebello (1770-1780).

(Tot de historische wijngaarden behoren de eerste wijnbouwgebieden, de dorpen Hautvillers, Aÿ en Mareuil-sur-Ay en de kloostergang en de overblijfselen van de abdij van Hautvillers, het kasteel van Montebello en de wijnbouwinfrastructuur (...). Het ondergrondse erfgoed omvat meerdere kelders, waaronder de Cave Thomas, de oudste kelder die speciaal werd uitgegraven voor de opslag van champagne (1673), en de kelder van het kasteel Montebello (1770-1780).)

— Heuvels, huizen en kelders van de Champagne[2][3]

De kerk

De driebeukige kerk, gewijd aan Sint-Sindulphe, bestaat uit een mix van romaans en gotisch bouwstijlen en dateert grotendeels uit de zestiende eeuw. De kerk werd meerdere malen verwoest en herbouwd. In 1518[9] zou, onder leiding van abt Dom Roger, al de derde kerk gebouwd zijn. Van de oorspronkelijke romaanse kerk is alleen het onderste deel van de westgevel met portaal bewaard gebleven; de voorgevel is voor het eerste deel in romaanse stijl en voor het tweede deel in gotische stijl. Andere bronnen melden dat het bouwwerk werd opgetrokken na de grote verwoesting van 1562[22] tijdens de godsdienstoorlogen.

Het schip uit de zestiende eeuw heeft een korfplafond, een barokke inrichting van de Sint-Helenakapel, de lambrisering en koorstoelen uit 1780[22], de grafsteen van Dom Pérignon (1638-1715) en Dom Royer, en talrijke schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Het hoogaltaar werd gebouwd in 1691[9] onder leiding van Dom Pérignon.

Het rijk versierde koorgestoelte bevat sculpturale figuren, zoals putti (cherubijnen), en decoratieve motieven zoals bladerwerk en mascarons (gesneden gezichten). Men ziet er ook het wapenschild van Jean-Philippe d’Orléans, een van de laatste abten.

De relikwieën van Sint-Helena werden toevertrouwd aan de kerk Sint-Leu in Parijs na het opheffen van de abdij, waarvan een deel vervolgens werd teruggegeven aan Hautvillers.

Het tribuneorgel heeft een complexe geschiedenis: een eerste instrument van circa 1630 werd herbouwd rond 1769 door Louis Gorlidot en Mathieu Wyskirclum, vervolgens aangepast in 1847 door Nicolas-Augustin Hubert en later in de negentiende eeuw door Augustin Brisset; tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen 438 pijpen verloren.

Daarnaast herbergt de kerk waardevol religieus meubilair, waaronder de preekstoel, een reliekhouder van Sint-Helena, een reliekhouder van Sint-Nivard. Boven het hoofdaltaar hangt een enorme kroonluchter, gemaakt van vier wielen van een wijnpers.

Schilderijen

In het koor boven het koorgestoelte hangen zeven schilderijen, vier links en drie rechts. Drie schilderijen uit 1715[22], formaat 315cm x 425cm, zijn afkomstig van Claude Charles (1661-1747)[23], een schilder uit Lotharingen uit de Franse school van de achttiende eeuw:

  • Sint-Nivard schenkt de plattegronden van het klooster van Hautvillers[21]
  • Sint-Benedictus in gesprek met zijn zuster Sint Scholastica[24]
  • Sint-Petrus geneest een verlamde[25]

Verder twee werken uit het atelier van Philippe de Champaigne (1602-1674), een Zuid-Nederlands barokschilder uit de Franse school. En twee zeventiende eeuwse werken van Langlois, beide formaat 315cm x 425cm:

  • Christus die zijn kruis draagt[26]
  • Christus aan het kruis tussen de twee rovers[27]

Graven van Dom Pérignon en Dom Ruinart

Graven van Dom Pérignon (links) en Dom Ruinart (rechts)
Zie Dom Pérignon (monnik) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zie Thierry Ruinart voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De monnik Dom Pierre Pérignon trad in 1668 in dienst als [[Koster (functie)|koster (Latijn:cellarius)]] en beheerder van de abdij. Dom Pérignon werd begraven in het koor van de abdijkerk. Zijn geklasseerde marmeren grafsteen[28] is een blijvende herinnering aan zijn nalatenschap. De klassering dateert van 14 november 1905 en de afmetingen van de steen zijn 131 cm hoogte en 65 cm breedte.[13] Het Latijnse grafopschrift luidt in het Nederlands:

Onder de bescherming van God
Hier ligt Dom Pierre Pérignon, van dit klooster gedurende zevenenveertig jaar keldermeester, die het wijnbeheer met de hoogste lof en met vele deugden heeft vervuld, vol van vaderlijke liefde, vooral voor de armen. Hij stierf op de leeftijd van 77 jaar in het jaar 1715. Moge hij rusten in vrede. Amen

Naast het graf van Dom Pérignon, ligt ook nog het graf van de laatste reguliere abt Dom Royer.

Dom Ruinart was een benedictijner van de abdij van Saint-Germain-des-Prés in Parijs. In 1709, tijdens een reis in zijn geboortestreek, werd hij ziek en stierf na 17 dagen op 52-jarige leeftijd in de abdij.[29] Hij werd begraven in de abdijkerk.[30] Een grafsteen ter nagedachtenis aan hem is er vandaag de dag nog zichtbaar in de middengang van de middenbeuk. De geklasseerde grafsteen (sinds 14 november 1905) meet 67 op 56 cm.[30] Het Latijnse grafopschrift luidt in het Nederlands:

Hier ligt de heer Theodoricus Ruynart, priester uit Reims en monnik van Sint-Germain-des-Prés, uitmuntend in vroomheid, zedelijke zachtmoedigheid en geleerdheid, die, als gast in dit klooster ontvangen, door een zware koorts geveld, overleed op de 29ste dag van september in het jaar 1709. Moge hij in vrede rusten.

Kapitelen

De kapitelen zijn uit kalksteen gehouwen, een lokaal beschikbaar materiaal dat zich goed leent voor fijne detaillering. De beeldhouwers werkten met diepe reliëfs en speelden met licht en schaduw om de vormen tot leven te brengen. De kapitelen zijn rijk versierd met figuratieve en decoratieve motieven, typisch voor de overgangsperiode tussen de romaanse en gotische kunst. Veel voorkomende thema’s zijn:

  • Vegetale motieven zoals acanthusbladeren, wijnranken en palmetten, die verwijzen naar het agrarische en sacramentele karakter van de regio.
  • Bijbelse scènes en symbolische dieren, waaronder leeuwen, griffioenen en vogels, die allegorische betekenissen dragen en vaak de strijd tussen goed en kwaad verbeelden.
  • Menselijke figuren, soms in narratieve composities, die episodes uit het Oude en Nieuwe Testament illustreren of monastieke idealen uitbeelden.

In het Musée du Vin de Champagne wordt een kapiteel, uit de veertiende eeuw, tentoongesteld met een scène waarin druiven worden getreden.[31] Het is een waardevol getuigenis van de wijnbouw en wijnbouw door de monniken. Hoewel fragmentarisch, zijn in het midden van het kapiteel de voeten te herkennen van een figuur die in een kuip staat en druiven perst. Wijnranken omringen deze scène.

Bekende werken

Evangelieboek van Ebbon

Evangelieboek van Ebbon: Evangelie van Lucas met een sierlijke hoofdletter (links) en Evangelie van Marcus (rechts)

Het Evangelieboek van Ebbon (Frans: Évangéliaire d’Ebbo) is een verlucht manuscript uit de negende eeuw (tussen 816 en 823) met de vier evangeliën. Elk evangelie wordt voorafgegaan door een prachtig verlucht portret van een evangelist. Het werk werd gemaakt in opdracht van Ebbon (775 - 851), aartsbisschop van Reims, vervaardigd door de monniken van de abdij en wordt nu bewaard in de mediatheek van Épernay.[32]

Begin achttiende eeuw was dit manuscript nog gehuld in een kostbare band, versierd met ivoren plaquettes. Tegenwoordig wordt het beschermd door een eenvoudige, moderne leren band, vervaardigd in 1951 door de ateliers van de Bibliothèque Nationale de France.

Utrechts Psalter

Utrechts Psalter: Folio 4v, 5 (links) en begin van Psalm 81 (rechts)
Zie Utrechts Psalter voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Utrechts Psalter is eveneens een verlucht manuscript uit dezelfde eeuw, waarschijnlijk vervaardigd in de jaren 820 in het benedictijnenklooster. Het is een christelijk psalter, een boek met de Bijbelse psalmen en aanvullende teksten. Met miniaturen uitgevoerd in lijntekeningen op kaal perkament, markeert het een opmerkelijke prestatie van de Karolingische kunst. Elk van de 166 teksten van het manuscript wordt ingeleid door een tekening die de daarop volgende tekst illustreert. Het psalter is mogelijk gemaakt voor Ebbo, hoewel er geen concreet bewijs is van zijn mecenaat.[33]

Traité de la Culture des Vignes de Champagne

Frère Pierre was de leerling en opvolger van Dom Pérignon. Hij schreef in 1724, negen jaar na de dood van zijn mentor, een verhandeling van 35 hoofdstukken, genaamd Traité de la Culture des Vignes de Champagne,[34][35] waarin hij nauwgezet de prestaties, werkwijzen en werkprincipes van Dom Pérignon optekende. Toch vinden we in dit gedetailleerde document nergens enige vermelding van mousserende Champagne, laat staan de geringste aanwijzing dat deze zou zijn uitgevonden door ’s werelds beroemdste benedictijner monnik.[36]

Geboorteplaats van de Champagne

Dom Pérignon gaf grote impulsen aan de wijncultuur. Hij verbeterde wijnen via assemblage, leidde de uitbreiding van de wijngaarden, en bouwde kelders die de wijnwereld revolutioneerden. Hoewel hij niet “de uitvinder” van champagne was – een nuance die gecorrigeerd werd door historici – wordt hij algemeen beschouwd als de vader van de moderne champagne. Hij experimenteerde ook met bijzonder sterke flessen, die een tweede gisting op fles konden verdragen. Deze flessen werden met de aan hem toegeschreven kurk, de muselet, afgesloten. De muselet is een constructie van ijzerdraad, die de kurk stevig op de fles houdt.

Dat de niet bijzonder vermaarde 'stille' champagne als een dure mousserende wijn kan worden verkocht, dankt de streek aan de innovaties die in de kelder van de abdij van Hautvillers werden uitgedacht.

Cave Thomas

Cave Thomas (Nederlands: Kelder van Thomas) is historisch gezien de eerste speciaal gebouwde ondergrondse wijnkelder in de Champagnestreek. Hij werd gebouwd onder leiding van Dom Pérignon rond 1673.[36][37] Hij is gelegen op ongeveer 800 meter ten zuiden van de abdij (in de lieu-dit[38] La Cave Thomas) en werd uit de kalkrijke hellingen onder het dorp gehouwen. De hoofdgalerij had een lengte van 34 meter en een breedte van 6 meter, wat voldoende ruimte bood om tot 500 wijnvaten te huisvesten.[36]

De oprichting van Cave Thomas betekende een belangrijke vooruitgang in de wijnproductiemethoden van die tijd. Door wijnen in een ondergrondse omgeving met constante, koele temperaturen op te slaan, wilde Dom Pérignon de kwaliteit en houdbaarheid van de wijnen verbeteren. Deze innovatieve aanpak legde de basis voor moderne champagneproductietechnieken, waarbij gecontroleerde rijpingsomstandigheden centraal staan.[39]

Vandaag de dag blijft de erfenis van Cave Thomas voortleven als een eerbetoon aan Dom Pérignons pioniersgeest en zijn bijdrage aan de champagne-industrie. De kelder blijft een symbool van de vroege technologische innovaties die hebben bijgedragen aan de uitzonderlijke reputatie van Champagne.[40]

Persoonlijkheden

Abten

Een volledig, continue abtenlijst is onmogelijk samen te stellen gezien het gebrek aan continuïteit van archiefmateriaal door de herhaalde verwoestingen en heropbouwen van de abdij.

  • Vroeg-middeleeuwse abten (zede tot en met tiende eeuw): Sint-Berchaire wordt traditioneel genoemd als de eerste abt van Hautvillers. Zijn vita en latere hagiografische (biografie van een heilige) bronnen koppelen hem aan de stichting van de abdij en aan andere stichtingen in de regio; hij is een vroeg voorbeeld van de Luxeuil-traditie die in het oosten van Gallië invloedrijk was.[5] Andere te dateren namen[41] zijn die van
    • Sint-Pierre (van 820 tot 841) genoemd in de context van het Evangelieboek van Ebbon,
    • abt d’Haldouin ontving in 841[42] de relieken van Sint-Helena en
    • in 952 was Rotmar abt.[43]
Abten commendataires: Jean-Philippe d’Orléans (links) en Alphonse de Lateriis (rechts)
  • Abten gedurende hoge en late middeleeuwen (elfde tot en met vijftiende eeuw): er zijn sporadische vermeldingen en stukken (charters, hagiografische vermeldingen). De laatste reguliere abt, Dom Royer (1507-1527), verwijderde de laatste sporen van de brand die de Engelsen in 1449 hadden gesticht.[12]
  • Abten commendataires (zeventiende en achttiende eeuw): in de vroegmoderne tijd trad de praktijk van abten commendataires in: benoemingen ten behoeve van vorstelijke of aristocratische belangen. Deze fase markeert een institutionele verschuiving richting seculiere patronage. Voor Hautvillers worden onder andere Jean-Philippe d’Orléans (1702-1748) (ca. 1744), ridder van Orléans of grootprior van Orléans, en Alphonse de Lateriis, de laatste abt vóór de Revolutie, genoemd.

Monniken en geestelijken

Enkele monniken worden vermeld vanwege hun wetenschappelijke bijdrage, of wegens hun rol in de wijnproductie of de kloosterorganisatie.

  • Alemannus van Hautvillers (ca. 830–889[44]) is een intellectueel-filosofische figuur uit de vroege middeleeuwen die bekendstaat als hagiograaf en door zijn brief aan Sigebod (Sigebode), bisschop van Narbonne. Hij wordt genoemd als monnik/filosoof verbonden aan de abdij van Hautvillers.
  • Dom Pierre Pérignon (1639–1715), of Dom Pierre, is ongetwijfeld de beroemdste geestelijke verbonden aan de abdij. In 1668 werd hij naar Hautvillers overgeplaatst; hij vervulde er functies als cellarius / procurator (beheerder van de kelders en goederen) en bracht organisatorische en oenologische verbeteringen die later verbonden werden aan de reputatie van Champagne. Historici benadrukken dat hij niet letterlijk “de uitvinder” van mousserende wijn was, maar wel een sleutelfiguur in de ontwikkeling van kwaliteitspraktijken (assemblage, kelders, wijngaardbeheer) en voor de reputatie van Champagne.
  • Dom Thierry (Ruinart), ook wel Dom Ruinart (1657–1709), was een benedictijns geleerde van de congregatie der Maurijnen. Dom Thierry was een geleerd man en een van de monniken die wetenschap, theologie en interesse voor de lokale wijnproductie combineerden. Zijn naam leeft voort in de champagnehistorie omdat zijn neef Nicolas Ruinart later het champagnehuis Ruinart oprichtte.
  • Frère Pierre was de leerling en opvolger van Dom Pérignon.
  • Dom Jean-Baptiste Grossart (1749-1825)[45], de laatste keldermeester van de abdij, verspreidde het gerucht dat een van zijn voorgangers, Dom Pérignon, de uitvinder van Champagne was. In een brief aan de burgemeester van Aÿ schreef hij: “Zoals u weet, meneer, was het de beroemde Dom Pérignon die het geheim ontdekte van het maken van witte mousserende wijn.” Maar dat was meer dan een eeuw na de dood van Dom Pérignon.[36]

Trivia

Glas in loodraam met de bouw van de abdij
  • Een glas in loodraam in de Sint-Pieter en Sint-Pauluskerk in Épernay[46] toont in het middengedeelte Sint-Nivard, die de bouw van de abdij van Hautvillers leidt. Het linkerdeel toont Sint-Berchaire die een helpende hand bood bij de oprichting van het klooster. Het rechterdeel en de bovenste panelen beelden arbeiders uit die bezig zijn met de bouw van een groot gebouw, wat de inspanningen voor de bouw van de abdij symboliseert.
  • Een ander glas in loodraam, met name in de kathedraal van Reims, bevat eveneens een afbeelding van de abdij, samen met de naam van het dorp. Dit glasraam werd geschonken door de wijnboeren en champagnehuizen van de Champagne.[47]
Wapenschild van Hautvillers
Wapenschild van Hautvillers
  • De twee gekruiste sleutels van het wapenschild van Hautvillers zijn het traditionele symbool van Sint-Pieter, de beschermheilige van de abdij.
  • De Dom Pérignon 2023-campagnefilm is voornamelijk in de abdij opgenomen, met name in de gerestaureerde kloostergang en in de kerk tussen het koorgestoelte.[48][49]
Zie de categorie Abbaye Saint-Pierre d'Hautvillers van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.