Sint-Nicolaaskapel (Nijmegen)

Sint-Nicolaaskapel
De kapel in 2018
De kapel in 2018
Locatie
Land Vlag van Nederland Nederland
Plaats Nijmegen
Adres Voerweg 1Bewerken op Wikidata
Coördinaten 51° 51 NB, 5° 52 OL
Gewijd aan Nicolaas van Myra
Status en tijdlijn
Gebouwd in ca. 1000
Monumentale status rijksmonument (17 april 1973)[1]Bewerken op Wikidata
Monument­nummer 31192
Kerkprovincie en -genootschap
Denominatie Rooms-Katholieke KerkBewerken op Wikidata
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Sint-Nicolaaskapel of Valkhofkapel in de Nederlandse stad Nijmegen, vooral vroeger ook Karolingische kapel of Heydense kapel genoemd[2], is een middeleeuwse stenen kapel. Ze is gelegen aan de Voerweg op de Valkhofheuvel, aan de rand van het centrum van de stad.

De kapel is – volgens de nieuwste inzichten – zeer waarschijnlijk gebouwd in de eerste helft van de 11e eeuw (zie verder bij de oorsprong). Vanaf het midden van de 12e eeuw moet de kapel deel hebben uitgemaakt van de in die tijd gebouwde Valkhofburcht van keizer Frederik Barbarossa. Tegenwoordig is de Sint-Nicolaaskapel het oudste nog bestaande gebouw van Nijmegen, en tevens een van de oudste stenen gebouwen in heel Nederland.[2]

Op het Valkhof – dat tegenwoordig een stadspark is – bevinden zich ook nog de resten van de apsis van de Sint-Maartenskapel: de Barbarossa-ruïne, een ander overblijfsel van de burcht.

Geschiedenis

Oorsprong: mogelijke stichters, verschillende dateringen

De kapel wordt omstreeks 1258 voor het eerst schriftelijk vermeld, in een aantekening van het Aartsdiakonaat Xanten (Liber procurationem et petitionem). De oudst bekende vermelding van de wijding aan bisschop Nicolaas van Myra is uit 1470.[3][4] Ook in de 16e eeuw wordt de kapel expliciet benoemd als "Sint-Nicolaaskapel" (Est ibi (Noviomagi) capella S. Nicolai in castro [...])[5]:258[6]

De ouderdom van de kapel zelf is gedurende een aantal eeuwen – vooral door Nijmeegse en sommige Duitse historici – veel te hoog ingeschat. De oorzaak was een combinatie van foutieve aannames, het herhaaldelijk verkeerd leggen van historische en archeologische verbanden en mythologisering van bepaalde zaken. Ook omtrent degene die de kapel heeft gesticht zijn verschillende theorieën opgevoerd, maar voor geen hiervan is tot nog toe enig rechtstreeks ondersteunend bewijs gevonden.

Eeuwenlang heeft men algemeen aangenomen dat de kapel al uit de oudheid zou dateren. Een van de in dit verband opgevoerde theorieën was dat het bouwwerk oorspronkelijk Bataafs was, op basis van het idee dat Oppidum Batavorum in de nabijheid van het Valkhof lag.[7] De 15e-eeuwse chroniqueur Willem van Berchen dateert de bouw van de Nicolaaskapel al in de 1e eeuw na Christus, en hij bestempelt het daarnaast als een Romeinse tempel. Dit idee van Van Berchen is zeker tot en met de 18e eeuw algemeen geloofd.[7] Naar aanleiding van een in de kapel ingemetselde Romeinse grafinscriptie (zie ook onder #Romeinse grafsteen) situeerde Van Berchen de bouw van de kapel meer specifiek in de tijd dat het Legio X Gemina (legioen X) hier gelegerd was. Gerardus Geldenhouwer, een collega-historicus en tijdgenoot van Van Berchen, ging mee in diens aanname. Zowel Johannes Smetius als ca. anderhalve eeuw later Johannes in de Betouw (een nazaat van Smetius) hielden de Nicolaaskapel voor een iets jonger bouwwerk, uit de laat-Romeinse tijd; de kapel zou volgens hen aan het eind van de 4e of in de 5e eeuw gebouwd zijn, en tevens een voorbeeld van Romeinse afgoderij zijn. Ook deze andere verklaring geldt inmiddels als volledig gefalsifieerd.[8]

De Sint-Nicolaaskapel is daarnaast vooral in de 19e eeuw vaak aangezien voor een typisch voorbeeld van Karolingische bouwkunst (vandaar ook de – nu goeddeels losgelaten – naam Karolingische kapel[9][2]). Vooral Duitse archeologen uit deze tijd waren erg enthousiast over dit idee, onder wie Jacob Burckhardt en Konrad Plath.[10]:45 De kapel werd daarbij, onder meer vanwege de locatie, aangezien voor een restant van de 8e-eeuwse Valkhofpalts van Karel de Grote die eveneens aan het Valkhof moet hebben gestaan. Hier kwamen verder de opvallende bouwkundige overeenkomsten met de Akense paltskapel (een restant van de Akense koningspalts) bij, zoals de achthoekige binnenmuur die aan de dom van Aken doet denken.[11] In dat geval zou de Nicolaaskapel veruit het oudste nog bestaande bouwwerk in het huidige Nederland zijn geweest. Men meende dat de kapel van iets jongere datum was dan de palts zelf, en hierin werd geïntegreerd. Guyot meende dat Karel de Grote omstreeks het jaar 800 persoonlijk opdracht tot de bouw van de kapel moest hebben gegeven.[12] Nog een ander voorgesteld scenario is dat de Nicolaaskapel van eind 10e of begin 11 eeuw (de huidige consensus) dateert. Aanvankelijk zou ze dan nog even deel hebben uitgemaakt van de vroegere palts, die kort na de bouw van de Nicolaaskapel werd verwoest, om ca. een eeuw later te worden geïntegreerd in de nieuwe burcht van Barbarossa.[13] De Nicolaaskapel stond overigens los van de burcht zelf.[10]:132

Een belangrijke reden dat bij de afbraak van de burcht in 1796-1797 de kapel gespaard bleef, is dat In de Betouw nog eens herinnerde aan het toen gangbare idee dat het best een tempel van Julius Caesar zou kunnen zijn.[14][7][15] Omstreeks 1825 werd er nog eens een variant op dit verhaal verspreid door Cornelis ten Hoet, een notaris uit Ubbergen.[16] Het vermeende afgodstempeltje zou wellicht zijn gebouwd door enkele Romeinen die zich van de rest afkeerden. De Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel zouden enkele eeuwen later, in 799, door de uit Rome gevluchte paus Leo III zijn omgevormd tot christelijke bouwwerken. Leo III zou dit op verzoek van Karel de Grote hebben gedaan.[17][18][7] Korte tijd nadat Hoet dit verhaal opnieuw oprakelde, is het door Van Schevichaven volledig naar het rijk der fabelen verwezen.[19]

De abdis van het Sticht Essen, Theophanu van Essen, is – vanwege de achthoekige binnenbouw – ook genoemd als mogelijke stichteres. Zij zou de Nicolaaskapel hebben laten bouwen ter herinnering aan haar grootmoeder en naamgenote, de van oorsprong Byzantijnse prinses Theophanu (later de keizerin van het Heilige Roomse Rijk). Deze keizerin overleed volgens de overlevering in 991 tijdens een verblijf op het Valkhof.[7][3][20] Keizerin Theophanu was een groot vereerder van de heilige Nicolaas van Myra. De mogelijkheid dat zij zelf degene was die opdracht gaf om de kapel aan deze heilige te wijden, wordt door Wolfert S. van Egmond in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland als onjuist afgedaan.[4][noten 1] Nog een andere theorie, onderschreven door onder meer Elizabeth den Hartog, stelt dat de kapel gebouwd werd rond 996, onder Otto III.[21] Hij was de zoon van de hiervoor genoemde keizerin Theophanu, die niet lang daarvoor aan het Valkhof was overleden, en zou de kapel dan aan haar hebben opgedragen.[22]

Tegenwoordig geldt de eerste helft van de 11e eeuw als de meest waarschijnlijke bouwperiode voor de Nicolaaskapel. Nieuw, grondiger onderzoek door de ingenieur Jan Jacob Weve (1852-1942) wees begin 20e eeuw al uit dat de kapel zeer waarschijnlijk op z'n vroegst uit het midden van de 10e eeuw dateerde. Een oorsprong in de Karolingische tijd, waar men tot dan toe nog vrij algemeen van was uitgegaan, leek zodoende toen uitgesloten. Voorts concludeerde Weve dat de kapel van de 15e tot en met de 17e eeuw nog vrij grondig verbouwd moest zijn, waarbij de oorspronkelijke grondvorm wel behouden bleef.[23][7] Verder verbeterde inzichten wezen uit dat de kapel iets na het jaar 1000 moest zijn gebouwd.[3] In 2007 kwamen onderzoekers van de Technische Universität Berlin en de Hoge School voor de Kunsten Utrecht gezamenlijk tot de nieuwe conclusie dat de bouw van de Nicolaaskapel meer precies in de periode 1030-1040 gedateerd kon worden (de tijd waarin veel kerken in romaanse stijl zijn verrezen). De mogelijkheid dat de kapel al uit (het einde van) de 10e eeuw zou dateren, leek hiermee dus ook definitief uitgesloten. Het dak van de kapel bleek daarnaast eind 14e eeuw te zijn vervangen; dit maakten de onderzoekers op uit houtmonsters, die uitwezen dat de bomen voor het vervangende dak in 1393-1394 moesten zijn gekapt.[24]

Sommige onderzoekers – bijvoorbeeld Aart Mekking – dateren de bouw echter nog iets later, omstreeks 1050.[25] Ook Sandra Langereis stelde dat de kapel enkele jaren na 1047 moest zijn gebouwd. Het leek haar tevens aannemelijk dat er bouwmateriaal dat na de verwoesting van de palts was overgebleven, opnieuw was gebruikt voor de Nicolaaskapel.[10]:45 Keizer Hendrik III zou ook nog de opdracht tot de bouw kunnen hebben gegeven, indien de bouw inderdaad pas wordt gedateerd rond 1050.[11]

13e-15e eeuw

In 1250 waren er twee kapelaans aan de kapel verbonden, genaamd Andreas en Ghiselbertus.

Katharina van Kleef moet de kapel minimaal één keer hebben bezocht, omstreeks 1470-1471.[26] In deze tijd waren er drie altaren. Katharina stichtte op 19 maart 1470 vier erfelijke missen, om op te dragen aan het altaar van Alexis.[5]:239[27]

16e-17e eeuw

In 1564 (tijdens het regime van Karel V) werd de Nicolaaskapel (samen met de rest van de burcht) grondig gerestaureerd en voorzien van heilige vaten en misgewaden.[5]:40

Anna van Oostenrijk bracht in 1570 een bezoek aan de burcht. Vermoedelijk in verband met haar bezoek zijn er in die tijd in de muur van de Nicolaakapel fresco's aangebracht, waarvan een deel nog steeds zichtbaar is.[28]

Nadat Jan van Nassau in 1578 op de burcht was ingehuldigd als de nieuwe Gelderse stadhouder, verbood hij de uitoefening van het katholieke geloof. De Nicolaaskapel verloor hierdoor haar religieuze functie. Het werd nu onder meer een opslagplaats voor brandhout en een kolenhok.[10]:49[20]

Oorspronkelijk hingen er ook twee klokken in de kapel, die in 1674 door het stadsbestuur werden overgebracht naar de kerktorens van Neerbosch en Hees.[5]:239

Architectuur

De kapel is het enige nog bestaande voorbeeld van (deels/oorspronkelijk) romaans-byzantijnse centraalbouw in het huidige Nederland. Ze bestaat grotendeels uit tuf- en baksteen.[2][29] Het muurwerk aan de buitenkant moet enkele malen zijn gewijzigd, terwijl de achtzijdige kern van het gebouw werd verhoogd met een verdedigingstoren. De uit 796 daterende Karolingische paltskapel te Aken, het oudste deel van de Dom van Aken, lijkt als voorbeeld zijn genomen bij de bouw van de Sint-Nicolaaskapel; dit maakt men vooral op uit de bijzondere zestienhoekige vorm aan de buitenkant. In het midden van de kapel bevindt zich een open achtzijdige ruimte. De achthoekigheid van de binnenruimte is eveneens typisch voor de Byzantijnse bouwcultuur. Via Theophanu is deze cultuur in dezelfde tijd waarin ook de kapel is gebouwd, in enige mate naar de Lage Landen gebracht.[3] Dit soort typisch Byzantijnse bouwwerken zijn op Nederlandse bodem vooralsnog erg zeldzaam.[2]

Vooral de bovenbouw lijkt te zijn beschadigd door brand; mede daarom is er een verband gesuggereerd met de verwoesting van 1047, ten tijde van de opstand onder Godfried II van Lotharingen.[7] De huidige kapel is hoe dan ook naar alle waarschijnlijkheid een gedeeltelijke herbouwing; de oorspronkelijke romaanse kapel moet omstreeks het begin van de 15e eeuw aanzienlijke schade hebben geleden door belegeringen, waarna ze deels werd heropgebouwd in een meer gotische stijl.

Er is een galerij aan de binnenkant, die alleen per ladder bereikbaar is.[9]

Hergebruikte Romeinse onderdelen

De kapel bevat hergebruikte Romeinse bouwelementen, zoals dakpannen en bakstenen, waarop nog steeds het merkteken van legioen X is te zien.[7]

Romeinse grafsteen

Boven het portaal van de kapel was tot 1670 een Romeinse grafsteen ingemetseld, die zich tegenwoordig in het Valkhof Museum bevindt. Deze steen dateert waarschijnlijk uit de periode 96-104.[30], en werd gemaakt voor een Romeinse veteraan uit het hier aanwezige legioen X, genaamd Julies Pudens.[7] Naar alle waarschijnlijkheid maakte de steen oorspronkelijk deel uit van een groter grafmonument dat zich bevond aan een van de uitvalswegen die de Romeinen gebruikten.[7] Vermoedelijk liet Julius Junius, de zoon van Julius Pudens, deze grafsteen maken.

De inscriptie wordt afgesloten met de afkorting HFC, Heres Faciendum Curavit ("de erfgenaam heeft deze steen laten maken"). Van Berchen interpreteerde deze afkorting echter geheel foutief als haec figura caesara, en trok daaruit de volledig onjuiste conclusie dat het hier wel om het zegel van Julius Caesar moest gaan. Op grond van deze aanname is Caesar een tijdlang gezien als de bouwer van de kapel, bij uitbreiding ook van de burcht en zelfs als de stichter van heel Nijmegen.[31]

Het monogram is in 1982 uiteindelijk ontcijferd als opto sit tibi terra levis ("ik wens dat de aarde voor jou licht is"), een Latijnse standaardspreuk.

Heden

Het gebouw is in 1973 opgenomen in het rijksmonumentenregister.

De kapel wordt tegenwoordig onder andere gebruikt door de Grieks-Orthodoxe Kerk, exposities en literaire voordrachten. Sinds 2010 worden er tijdens de Vierdaagseweek onder de naam 'kapelsessies' kleinschalige muzikale optredens opgenomen.

In Madurodam staat een 1:25 schaalmodel van de Sint-Nicolaaskapel.

Zie de categorie Sint Nicolaaskapel (Nijmegen) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.