Piet Bohncke

Piet Bohncke
Bohncke werkend aan Vriendschap.
Bohncke werkend aan Vriendschap.
Persoonsgegevens
Volledige naam Petrus Theodorus Hendricus Bohncke
Geboren Amsterdam, 7 mei 1873
Overleden Blaricum, 9 november 1949
Geboorteland Nederland
Opleiding en beroep
Beroep beeldhouwer
Oriënterende gegevens
Werklocatie Amsterdam,[1] Artis[1]Bewerken op Wikidata
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Petrus Theodorus Hendricus (Piet) Bohncke (Amsterdam, 7 mei 1873Blaricum, 9 november 1949) was een Nederlands beeldhouwer.[2][3] Hij wordt ook vermeld als Piet Böhncke.[4]

Leven en werk

Piet Bohncke was een zoon van bakker Theodorus Gerardus Bohncke (1840-1909) en Anna Maria Catharina Storck (1840-1917) en een oudere broer van de kunst- en decoratieschilder Joop Bohncke. Hoewel hij al jong beeldhouwer wilde worden en een korte tijd bij een beeldhouwer in de leer was, koos hij voor een baan bij Artis om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bohncke begon als hulpoppasser bij de vogels en werd uiteindelijk hoofdoppasser in het reptielenhuis. Hij werkte tweeëndertig jaar in de Amsterdamse dierentuin.[5] Hij trouwde in 1898 met Maria Alexandrina Johanna Bergfeld (1872-1945).

Bohncke zal in Artis de kunstenares Marie Kelting (1886-1969) hebben leren kennen. Zij kwam er dagelijks om te schilderen en tekenen. In 1911 werkten zij beiden aan het nieuwe 'kruipdierenhuis' in Artis. Hij was verantwoordelijk voor de inrichting van het reptielenhuis, de stoffering van kasten, terraria en de kruipdierensalon, zij maakte afbeeldingen van de verschillende dieren, die bij de hokken werden aangebracht.[6]

In zijn vrije tijd ontwikkelde Bohncke zich alsnog tot beeldhouwer. Hij was grotendeels autodidact, wel kon hij zich, gesteund door C.L. Dake, Antoon Derkinderen en anderen, een jaar lang aan de studie wijden.[7] In de zomer van 1913 kreeg Artis een orang-oetan, een geschenk van de sultan van Serdang. Marie Kelting maakte een affiche met het dier, dat Sultan werd genoemd.[8] Bohncke boetseerde de kop van de mensaap. Er werd een plaquette in reliëf van gemaakt, die een plek in het apenhuis kreeg.

In 1915 kreeg Artis-directeur Coenraad Kerbert -op initiatief van Kelting- voor zijn zilveren jubileum een liber amicorum aangeboden. De losbladige portefeuille bevat werken van ruim vijftig kunstenaars, van Bohncke zitten er twee foto's in: van de gemodelleerde kop van Sultan en van de plaquette, beide met zijn signatuur "P. Bohncke".[5][9] Het bleef niet bij de orang-oetan, N.H. Wolf, hoofdredacteur en recensent van het weekblad De Kunst, noteerde in de loop van de jaren over Bohnckes beeldhouwwerk onder andere: "Zeer verdienstelijk en stijlvol boetseerwerk; met liefde heeft hij zijne modellen bestudeerd : kaketoes en ander gedierte. Ook in dit werk schuilt humor, maar van een anderen aard dan in dat van De Boer." (1917); "weer goede, van het leven afgeziene, fraai geboetseerde Artis-vogels : kakatoes, uil, fazant, en een mooie groep „Strijd” (1918); "P. Böhncke, de specialiteit in papegaaien, die ook hier weer zijn typische, karakteristieke boetseersels inzond : zij beginnen aan het virtuoze te grenzen." (1919); "P. Böhncke, de knappe modelleur, met zijn bekende plastieken „Leguaan”, „Papegaaien” en „Kerkuil”, behoeft geen nadere bespreking. Zij zijn onzen lezers voldoende bekend." (1920) en "P. Bohncke een zijner bekende groepen „Kakatoes”, in marmer gehouwen, prachtig van uitdrukking en van techniek." (1932).[10][11]

In een artikelserie over de relatie tussen Artis en kunst schreef Siegfried van Praag in 1926 over Bohncke dat hij opging "in z'n mooie, dagelijksche werk, het omgaan met dieren. Veel studie maakte hij van ze, en zijn volkomen genegenheid schonk hij hun." Maar op een gegeven moment "werd de behoefte tot schepping van nieuwe dingen zoo sterk in Böhncke, dat hij, na eerst in vrijen tijd de beeldhouwkunst beoefend te hebben, Artis vaarwel zei, om zich als beeldhouwer verder te ontwikkelen. (...) In zijn werk, dat nog jong is, en dat hij nog niet in dure en duurzame materie kan uitvoeren, bewonder ik den droom, die erin leeft en de gedachte. Een diep-gevoelig man, en iemand, die over leven en natuur heeft nagedacht, uit zich in dat werk."[12]

Over het werk als kunstenaar zei Bohncke zelf:[13]

Wanneer wij er in slagen een klein gedeelte van het geluk dat tijdens ons werk ons deel is, daarin vast te leggen, zoo dat het de daarvoor gevoeligen in die zelfde gelukstoestand brengt, dan is het onze inspanning en moeilijk bestaan dubbel waard.

Advertentie in de Nieuwe Haarlemsche courant, 1 maart 1941

Blaricum

Bohncke verhuisde in juni 1922 naar Blaricum, waar hij introk bij Marie Kelting, die er een jaar eerder was gaan wonen. Het paar werd er lid van de Kunstenaarsvereniging Laren-Blaricum. In 1931 bood de vereniging een aantal kunstwerken van leden aan de gemeente Blaricum aan, waaronder een beeldhouwwerk van Bohncke.[14] Kelting werd in de loop van de jaren diverse keren vermeld als Bohncke-Kelting en bij hun expositie in het Frans Hals Museum in Haarlem (1941) worden ze een kunstenaarsechtpaar genoemd.[15] Ze trouwden echter pas in december 1945, na het overlijden van Bohnckes eerste vrouw.

Piet Bohncke overleed op 76-jarige leeftijd, hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Blaricum.[7] Op zijn graf werd een door hem gemaakt beeld geplaatst.[16] Het jaar na zijn overlijden werd tijdens een tentoonstelling van de Kunstenaarsvereniging Laren-Blaricum in Kunstzaal Hamdorff een deel van zijn werk tentoongesteld.[17]

Enkele werken

  • 1915: Sultan, reliëfplaquette in het apenhuis, collectie Artis.
  • 1926: Drie boefjes, beeld voor Jan Klootsema, directeur van het Rijksopvoedingsgesticht in Doetinchem.[18]
  • voor 1932: Biddende boer, getoond bij De Onafhankelijken.
  • Vechtende kakatoes, exemplaren in de collecties van Singer Laren[19] en van de gemeente Blaricum.[20]
  • Rustende kakatoes, houten sculptuur in de collectie van de gemeente Blaricum.[21]
  • Aardappelrooiende boer, collectie gemeente Blaricum.[22]
  • Reliëfportret P.E. van den Bossche (1849-1921), gegoten bij Becht & Dyserinck.[23]

Tentoonstellingen

Bohncke en Kelting exposeerden samen met haar leermeester D.B. Nanninga bij Unger & Van Mens in Rotterdam (1916),[24], bij Biesing in Den Haag (1918)[25] en in de kunstzaal van de bibliotheek in Laren (1939).[26] Het paar had duo-exposities in kunstzaal Willem Brok in Hilversum (1929), de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Laren (1934), in Zomerlust in Santpoort (1934)[27] en het Frans Hals Museum in Haarlem (1941).

Bohncke exposeerde daarnaast meerdere keren als lid van de Kunstenaarsvereniging Sint Lucas, De Onafhankelijken[28] en Arti et Amicitiae. Hij was vanaf de oprichting in 1926, naast onder anderen Chris Hassoldt, Geertruida van Hettinga Tromp, D.B. Nanninga, Anton Rädecker en Charley Toorop, lid van de Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren "De Brug", die het contact tussen kunstenaar en publiek tot stand wilde brengen.[29]

Zie de categorie Piet Bohncke van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.