Paul de Groot
| Paul de Groot | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Paul de Groot in 1967 | ||||
| Algemeen | ||||
| Volledige naam | Saul (Paul) de Groot | |||
| Geboortedatum | 19 juli 1899 | |||
| Geboorteplaats | Amsterdam | |||
| Overlijdensdatum | 3 augustus 1986 | |||
| Overlijdensplaats | Bussum | |||
| Partij | CPN | |||
| Functies | ||||
| 1958-1966 | Tweede Kamerlid | |||
| 1962-1967 | Partijvoorzitter | |||
| ||||
Saul (Paul) de Groot (Amsterdam, 19 juli 1899 – Bussum, 3 augustus 1986) was een Nederlandse politicus, die lange tijd partijleider was van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Hij was tevens lid van de Tweede Kamer voor de CPN en hoofdredacteur van de partijkrant De Waarheid.
Jonge jaren
Paul de Groot was een zoon van de diamantslijper Jacob de Groot en Rachel Sealtiël. Zijn ouderlijk huis stond in de Amsterdamse Jodenbuurt op de hoek van de Zwanenburgwal en het Waterlooplein. De oude De Groot nam deel aan een succesvolle algemene staking in november 1894 en werd lid van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB). Kort na zijn geboorte in 1899 verhuisden zijn ouders, zoals zoveel anderen in die periode vanwege de beperkte werkgelegenheid in de diamantindustrie, van Amsterdam naar Antwerpen, waar de diamantindustrie na 1900 juist opbloeide.[1][2][3]
Na de lagere school ging De Groot in Antwerpen aan de slag als leerling-diamantslijper. Ondanks zijn uitstekende schoolprestaties was verder studeren geen optie, waardoor hij al op dertienjarige leeftijd in de diamantfabriek begon te werken, en lid werd van de Algemene Diamantbewerkersbond van België (ADB).[4] Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte het gezin voor de dreiging van de Duitse troepen uit Antwerpen en vestigde zich tijdelijk opnieuw in Amsterdam, aan de rand van de Transvaalbuurt, de nieuwe Amsterdamse jodenwijk.[5]
Werk vinden als diamantbewerker was uitgesloten: de werkloosheid was vrijwel volledig en de ANDB weigerde de honderden uitgeweken vakgenoten tot de organisatie toe te laten. De Groot vond daarom werk als sigarenmakersleerling op de fabriek Keizer aan de Achtergracht. Zijn werkbaas daar liet hem kennis liet maken met het socialistische gedachtegoed.[5]
Gedreven door armoede keerde het gezin in december 1915 terug naar Antwerpen, waar De Groot korte tijd als diamantbewerker werkzaam was. Al snel viel de bedrijvigheid echter stil en het gezin kon de honger slechts bestrijden dankzij de voedselpakketten van het Nederlandse consulaat. Omdat werken niet mogelijk was, volgde De Groot ’s avonds lessen aan de Socialistische Volkshoogeschool, waar hij Engels leerde en zijn Frans verbeterde, en waar hij zich aansloot bij de Socialistische Jonge Wacht.[5]
Vorming
Bevlogen door de Russische Oktoberrevolutie nam De Groot, onder het pseudoniem Paul van der Schilde, deel aan de richtingenstrijd binnen de Belgische sociaal-democratie en de daaruit voortgekomen communistische afsplitsingen. Hij verzette zich zowel tegen het gauchisme als tegen het radicale flamingantisme, al toonde hij begrip voor het verzet tegen de onderdrukking van Vlaanderen. Als afgevaardigde woonde hij op 3 en 4 september 1921 het fusiecongres bij, waar onder zware druk van de Komintern de Vereenigde Kommunistische Partij van België werd gevormd. De Groot werd verkozen tot lid van de bondsraad en schreef voor het partijblad De Roode Vaan.[6]
Inmiddels was hij in 1920 gehuwd met Szajndla (Sally) Borzykowska, de dochter van een joodse juwelier uit Lodz, in het door Rusland bezette deel van Polen, die door de aanhoudende pogroms in 1912 naar Antwerpen was verhuisd. Eind augustus 1921 werd hun dochter geboren, Rosa, vernoemd naar de vermoorde Duitse revolutionaire Rosa Luxemburg. Zij zou enig kind blijven.[7]
Wegens zijn betrokkenheid bij de agitatie tegen de bezetting van het Roergebied in januari 1923, waarbij naast Franse ook Belgische troepen waren ingezet, en de staking van 50.000 mijnwerkers in de Borinage werd hij op 8 maart 1923 gearresteerd met 53 andere communistische leiders. Na een dag werd hij vrijgelaten, maar begin april kreeg De Groot het bevel het land onmiddellijk te verlaten. Als buitenlander diende hij zich niet te bemoeien met de Belgische binnenlandse aangelegenheden.[8][3]
Vervolgens vond hij werk in de Duitse stad Hanau in Hessen, het centrum van de Duitse diamantnijverheid. Hij arriveerde er met een aanbeveling van het Wereldverbond van Diamantbewerkers. Door de constante onrust in de Weimarrepubliek, veroorzaakt door een gierende hyperinflatie en een landelijke stakingsgolf werd eind september 1923 de noodtoestand uitgeroepen. Na de onderdrukking van een gewapende communistische opstand in Hamburg in oktober 1923, verliet De Groot het land na de arrestatie van duizenden communisten.[9]
Hij vestigde zich met zijn gezin in Saint-Claude in de Franse Jura, een plaats met een bloeiende diamantindustrie. Hij ging slijpen voor de firma Sigaar, een Amsterdamse diamantair die zo tegen lage tarieven kon laten werken; iets wat De Groot tevergeefs aankaartte bij het Wereldverbond waarin hij tot roerige communistische oppositie behoorde. Van daaruit keerde hij in het najaar van 1925 terug naar Amsterdam, waar hij aan de slag ging bij de Diamantslijperij Boas.[10]
In Nederland
De Groot liet zich overschrijven van de Franse communistische partij naar de Communistische Partij Holland (CPH), de voorloper van de Communistische Partij van Nederland (CPN), en werd weer actief in de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB).
Na een hernieuwing in de politieke leiding kwam De Groot in februari 1930 in het partijbestuur van de CPH. Wegens zijn activistisch verleden, grote belezenheid (hij las behalve Karl Marx ook Heinrich Heine), intelligentie, journalistieke kwaliteiten en tactisch inzicht stak hij met kop en schouders uit boven zijn medebestuurders. Dit en zijn trouw aan het marxisme-leninisme leidden ertoe dat De Groot in 1938 politiek secretaris van de partij werd die inmiddels was omgedoopt in Communistische Partij van Nederland. Samen met Lou Jansen en Jan Dieters vormde hij het partijpresidium. Tevens werd hij hoofdredacteur van de partijkrant Het Volksdagblad.
Tweede Wereldoorlog
Kort vóór de Duitse inval in Nederland stelde De Groot per telegram aan Moskou voor om naar de Sovjet-Unie te worden overgebracht. Aanvankelijk stemde Moskou daarmee in, maar op 21 mei 1940 gaf Komintern-leider Georgi Dimitrov de CPN-leiding de opdracht in Nederland te blijven en het verzet te organiseren.[11] Op 15 mei was al besloten een illegale organisatie op te bouwen. De Groot bracht de partijleiding terug tot een kern van drie personen: hijzelf, Jansen en Dieters.[11][12]
In eerste instantie was De Groot van mening dat het Molotov-Ribbentroppact een politiek terughoudende opstelling tegenover de bezetter vereiste en bovendien ruimte liet voor een deels legale activiteit. In dat kader liet hij onderhandelingen met de bezetter voeren. Er verschenen nog één legaal nummer van Het Volksdagblad en van het theoretische maandblad van de partij, Politiek en Cultuur, waarvoor De Groot in beide gevallen het hoofdartikel schreef. In Het Volksdagblad wees hij het Engelse imperialisme en de Nederlandse bourgeoisie, met SDAP-leider Koos Vorrink als boegbeeld, aan als de krachten die de Duitse agressie zouden hebben uitgelokt. In Politiek en Cultuur ging hij nog verder door op te roepen tot een correcte houding tegenover de bezetter.[12][13]
De CPN en haar organen werden door de Duitsers verboden, wat geen verrassing was, gezien het anticommunistische karakter van de Duitse bezetter. In november 1940 kwam het eerste nummer uit van een nieuwe, illegale partijkrant, De Waarheid. De Groot richtte daarin zijn pijlen op de Duitse agressor en bleef ook het "Anglo-Amerikaanse imperialisme", de regering in Londen en de SDAP bestrijden. Overigens was het niet De Groot, zoals de partijlegende het later voorstelde, maar medebestuurslid Jansen die aan de vooravond van de Februaristaking van 1941 het befaamde manifest 'Staakt, staakt, staakt' schreef.[14][15][16] De CPN heeft deze staking altijd als hoogtepunt van het communistisch verzet tegen de nazi's in Nederland beschouwd.

In de nacht van 14 op 15 oktober 1942 deden veldwachters Kees Heil, Meijer, samen met Gerrit Tesink een inval in het landhuis Woudrust te Gorssel, waar De Groot met zijn gezin zat ondergedoken. De Groot vluchtte door de achterdeur het bos in en wist te ontkomen, maar zijn vrouw Sally Borzykowska en dochter Rosa werden afgevoerd naar Auschwitz en daar vergast.
Nadat De Groot in februari 1943 opnieuw op het nippertje was ontkomen aan arrestatie door de Duitsers, droeg hij de partijleiding over aan verschillende leden van zijn partij, onder wie Jaap Brandenburg. Tevens verbrak hij alle contacten met de partij.
Herstel na 1945
Kort na de oorlog keerde De Groot in de CPN terug en kon weer leidinggevende taken op zich nemen. Wegens haar verzetsverleden genoot de communistische krant De Waarheid in brede kring grote populariteit. In deze periode pleitte De Groot voor de opheffing van de partij ten gunste van wat hij een 'Vereniging van vrienden van De Waarheid', noemde. Kritiek in eigen gelederen deed De Groot echter besluiten om in juli 1945 de CPN opnieuw op te richten.[17][18]
De Groot ging ook de Tweede Kamer in. Daar en in De Waarheid, waarvan hij hoofdredacteur was geworden, nam hij omtrent de jonge Indonesische republiek standpunten in die niet door iedereen binnen de communistische beweging gedeeld werden. Enerzijds was hij tegen het sturen van Nederlandse troepen om het nationalistische verzet op Java en elders met geweld neer te slaan, anderzijds vond hij dat jonge communisten zich moesten laten uitzenden om vervolgens binnen het leger propaganda te maken voor de Indonesische onafhankelijkheid.
Ideologische strijd

In de jaren die volgden drukte De Groot een sterke persoonlijke stempel op de partij. Hij bleef een fervente marxist-leninist en verzekerde de publieke opinie dat de CPN in geval van een derde wereldoorlog de Sovjetlegers als bevrijders zou ontvangen. Dat kostte de partij van sommigen de sympathie en electorale steun onder de bevolking. Haar maatschappelijk isolement werd verder vergroot door de kritische blik van de CPN-top omtrent het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956.
De Groot had grote moeite met de revisionistische koers (de-stalinisering) die de nieuwe Russische partijleider Nikita Chroesjtsjov vanaf 1956 insloeg. Zo nam hij een standpunt in over de ideologische strijd binnen de CPN, begin 1958. Voormalige verzetsmensen als Gerben Wagenaar, Henk Gortzak, Frits Reuter, Bertus Brandsen en Rie Lips werden de partij uitgezet.[19] Op verzoek van De Groot schreef Marcus Bakker een rapport, het 'rode boekje', getiteld "De CPN in de oorlog". Hierin werd het oorlogsverleden van betrokkenen bekritiseerd en werden ze voor 'verraders' en 'Gestapo-agenten' uitgemaakt.[20][21] In 1963 verbrak De Groot abrupt alle banden met Moskou.[22]
Einde bestuurswerk
_en_erevoorzitter_Paul_de_Groot%252C_Bestanddeelnr_927-9744.jpg)
In 1962 was De Groot afgetreden als politiek secretaris en benoemd tot partijvoorzitter. In 1966 stapte hij uit de Kamer en een jaar later, op het 22ste partijcongres, legde hij tevens het voorzitterschap van de CPN neer. Als erelid van het partijbestuur en directeur van het wetenschappelijk bureau van de partij (IPSO) bleef hij echter achter de schermen een beslissende invloed uitoefenen, zoals in 1975 bij het besluit van de CPN zich weer met Moskou te verzoenen.
Toen de partij in 1977 een dramatische verkiezingsnederlaag leed – de CPN zakte terug van zeven naar twee Kamerzetels – weet De Groot dit aan het feit dat de partijtop zich in de luren had laten leggen door 'regeringsmachinaties' rond de juist afgelopen treinkaping bij De Punt. Hij vond de zittende leiding te soft – jonge academici en welzijnswerkers hadden in de jaren zeventig steeds vaker de plaats van arbeiders als leden en bestuurders ingenomen – en wilde haar vervangen zien door arbeideristische gestaalde kaders. Daarmee overspeelde hij echter zijn hand. Het partijbestuur verzette zich en ontnam hem het erelidmaatschap (1978). De rol van De Groot was uitgespeeld.
Laatste jaren
De laatste tien jaar van zijn leven leidde hij een teruggetrokken bestaan. Journalisten en anderen die hem probeerden te benaderen, kregen nul op het rekest. De Groot verhuisde met zijn (tweede) vrouw naar een verzorgingsflat in Zeist en na haar overlijden, in september 1985, naar een joods verpleegtehuis in Bussum. Het verdwijnen van de CPN-fractie uit de Tweede Kamer in 1986 heeft hem nooit een publiek commentaar ontlokt. Na zijn eigen dood, in augustus datzelfde jaar, werd Paul de Groot met een driekolommer op de voorpagina van De Waarheid herdacht.[23]
Referenties
- ↑ Stutje 2000, pp. 17-19.
- ↑ Cornelissen 1996, pp. 15-16.
- 1 2 Stutje, Jan Willem (1996). Paul de Groot in Antwerpen: De jeugdjaren van een oproerkraaier, 1900-1923. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis 1996 (1): 105-140
- ↑ Stutje 2000, p. 24.
- 1 2 3 Stutje 2000, p. 27.
- ↑ Stutje 2000, pp. 41-42.
- ↑ Stutje 2000, pp. 45-46.
- ↑ Stutje 2000, pp. 43-44.
- ↑ Stutje 2000, pp. 46-48.
- ↑ Stutje 2000, pp. 48-50.
- 1 2 Stutje 2000, pp. 162-165.
- 1 2 De Jong 1972, pp. 899-901.
- ↑ "Vijf historische dagen", Politiek en Cultuur, Jrg. 6, juni 1940, pp. 321-325. Geraadpleegd op 14 december 2025. – via Delpher.
- ↑ De Jong 1972, p. 913.
- ↑ Cornelissen 1996, p. 59.
- ↑ Stutje 2000, p. 182.
- ↑ De Jong 1988, pp. 163-166.
- ↑ Cornelissen, Igor (22 april 1967). De levensloop van een rancuneuze intrigant: Paul de Groot, onfeilbaar en onaantastbaar. Vrij Nederland 27 (34)
- ↑ de Vetten, Jan, Conflicten in de CPN (1958): Verloren illusies. Historiek (14 augustus 2019). Geraadpleegd op 30 november 2025.
- ↑ Cornelissen 1996, p. 140.
- ↑ Stutje 2000, pp. 393-394.
- ↑ Stutje 2000, pp. 413-414.
- ↑ "Paul de Groot overleden", De Waarheid, 6 augustus 1986. Geraadpleegd op 14 december 2025. – via Delpher.
Geciteerde bronnen
- Cornelissen, Igor (1996). Paul de Groot, staatsvijand nr.1: een biografische schets. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. ISBN 90-388-1379-1.
- De Jong, Dr. L. (1972). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4 – Mei '40 – maart '41 (2e band). Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage.
- De Jong, Dr. L. (1988). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 12 - Epiloog, eerste helft. Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage.
- Stutje, Jan Willem (2000). De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986. De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 90-234-3908-2.
Externe links
- Groot, Saul de. Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (BWSA). Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Geraadpleegd op 14 december 2025.
- Paul de Groot. Andere Tijden (2 april 2000). Geraadpleegd op 14 december 2025.
| Voorganger: G. (Gerben) Wagenaar |
CPN-fractievoorzitter Tweede Kamer 1958-1963 |
Opvolger: M. (Marcus) Bakker |
%252C_Bestanddeelnr_920-1109.jpg)