Diamantslijperij Boas
| Diamantslijperij Boas | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Diamantslijperij Boas vanaf de Uilenburgergracht | ||||
| Locatie | ||||
| Plaats | Amsterdam-Centrum | |||
| Land | ||||
| Adres | Nieuwe Uilenburgerstraat 173–175 | |||
| Coördinaten | 52° 22′ NB, 4° 54′ OL | |||
| Bijbehorend | Boas, Boas: ketelhuis, Boas: fabrieksschoorsteen, Boas: voormalig directiekantoor, Boas: portiersgebouw, Boas: hekpijlers | |||
| Status en tijdlijn | ||||
| Start bouw | 2 augustus 1878 | |||
| Opening | 29 juni 1879 | |||
| Verbouwing | Na een grondige renovatie op 5 april 1990 heropend | |||
| Oorspr. functie | Diamantslijperij | |||
| Eigenaar | Gassan Diamonds | |||
| Architectuur | ||||
| Stijlperiode | Eclecticisme | |||
| Bovengrondse etages | Vijf bouwlagen/ vier bouwlagen en kapverdieping | |||
| Bouwkundige informatie | ||||
| Architect(en) | J.W. Meijer | |||
| Prijzen en erkenningen | ||||
| Monumentstatus | Rijksmonument | |||
| Monumentnummer | 498622 | |||
| Detailkaart | ||||
![]() | ||||
![]() | ||||
Diamantslijperij Boas voor de oorlog vanaf de Uilenburgerstraat | ||||
| ||||
Diamantslijperij Boas, ook wel Diamantslijperij Gebroeders Boas, was een diamantslijperij gevestigd aan de Nieuwe Uilenburgerstraat 173–175 in Amsterdam. Het fabriekscomplex werd in 1879 opgeleverd en bestaat uit een langgerekt hoofdgebouw met inbegrip van de later aangebouwde linkervleugel, een vrijstaand ketelhuis met bijbehorende fabrieksschoorsteen, en twee poortgebouwen en bijbehorende hekpijlers. Sinds 1990 is Gassan Diamonds in het pand gevestigd.
Het werd in 1996 aangewezen als rijksmonument vanwege “het voor de ontwikkeling van de negentiende-eeuwse industrialisatie, gekenmerkt door de toepassing van stoomkracht, en die van de diamantnijverheid in het bijzonder, exemplarische fabriekscomplex, destijds het grootste van ons land." Het gebouw "is van algemeen belang wegens architectuur-historische en industrieel-archeologische waarde, alsook vanwege de markante situering langs de Uilenburgergracht in een vanouds door de diamantnijverheid bepaalde buurt.”[1]
Geschiedenis
De onderneming werd in 1870 opgericht door de drie broers Israël Juda (13 juli 1840 – 24 maart 1918)[2][noot 1], Marcus Juda (30 december 1846 – 25 juli 1934) en Hartog Boas (22 februari 1854 – 3 oktober 1894), die aanvankelijk een diamantslijperij begonnen aan de Nieuwe Keizersgracht 16, in een pand uit 1733,[3] waar de slijpmolens d.m.v. paarden werden aangedreven.[4] Hun werkwijze was in die tijd vernieuwend: in plaats van zelfstandig werkende slijpers die een machine huurden, nam de firma Boas slijpers in loondienst en slepen zij diamanten grotendeels voor eigen rekening.[5][6][7]
Door de snelle groei van het bedrijf gedurende de bloei van de diamantindustrie tijdens de zogenaamde 'Kaapse tijd' (1870-1876) toen in Kimberley in Zuid-Afrika veel diamant werd gevonden, besloten de gebroeders Boas in 1878 tot de bouw van een nieuwe, zeer moderne stoomfabriek in de Uilenburgerstraat in de Amsterdamse Jodenhoek.[7] De Gebroeders Boas, en diamantslijperij Van Moppes elders in de stad, waren de eerste juweliers die een eigen fabriek lieten bouwen.[8] Bij de opening was het de grootste diamantslijperij van Amsterdam en Europa, en volgens sommige bronnen zelfs de grootste ter wereld.[9]
De familie Boas
De familie Boas stamde af van een Pools rabbijnengeslacht. Grootvader Marcus Abraham Boas (28 april 1768 – 23 februari 1814)[noot 2] was een succesvolle koopman en bankier, maar verloor zijn gehele vermogen door de Engelse oorlogen en de Franse overheersing.[noot 3] Binnen één generatie slaagde de familie er echter in om zich opnieuw op te werken. Juda Marcus Boas (23 juni 1812 – 1 februari 1873), de vader van de broers, begon met behulp van financieel beter gesitueerde familieleden in de diamanthandel, als handelaar en diamantsnijder.[7]
Zijn oudste zonen Israël en Marcus Boas vestigden zich vermoedelijk bij aangetrouwde familie in Parijs en verzorgden de inkoop van ruwe diamanten in Londen, de stapelplaats voor ruwe diamant, en verkochten de geslepen producten in Parijs, vanuit het kantoor de firma in de Rue Lafayette 14.[10] De ruwe diamanten werden geslepen in Amsterdam, het wereldwijde centrum voor het bewerken van diamant. De jongste broer Hartog Boas beheerde de diamantslijperij op de Nieuwe Keizersgracht.[4]
Na het overlijden van Juda Boas, indertijd de de grootste juwelier van Amsterdam,[10] in 1873 erfden zijn kinderen een groot vermogen, waarmee de familie de kans kregen om een eigen fabriek op te zetten.[7] Daartoe werd in 1875 de vennootschap Boas Frères in Parijs opgericht met een dependance in Amsterdam onder de naam Gebroeders Boas.[11] Hartog Boas leidde de fabriek in Amsterdam tot aan zijn dood in 1894 aan de gevolgen van tuberculose, een longziekte die veel voorkwam onder diamantslijpers vanwege het fijne diamantstof dat gebruikt werd voor het slijpen.[4]
"Wonder van technisch vernuft"
De eerste steen werd door Hartog Boas gelegd op 2 augustus 1878 en de fabriek werd op 29 juni 1879 officieel geopend.[8][12] Het gebouw was ontworpen door architect J.W. Meijer in de eclectische stijl.[7] Het gebouw verrees op een braakliggend terrein en was, in vergelijking met de omliggende bebouwing in dit arme stadsdeel, uitzonderlijk groot.[7][8] De zeer moderne stoomfabriek werd indertijd gezien als een "wonder van technisch vernuft".[13] Opgesteld in lange rijen draaiden in totaal 357 slijpmolens, aangedreven door twee stoommachines die op het voorplein waren opgesteld. Via een ingenieus systeem van drijfriemen en -stangen werd de kracht overgebracht, wat het tot een van de modernste bedrijven van dat moment maakte.[13]

In het bedrijf waren 357 slijpers werkzaam, ondersteund door 122 verstellers, 142 leerlingen en 52 loopjongens.[5][7] Wekelijks werd er gemiddeld tussen de acht- en tienduizend karaat ruwe diamant verwerkt (1,6 tot 2 kg).[7] Na de dood van Hartog Boas, lag de dagelijkse leiding in handen van een zaakwaarnemer, aangezien Israël en Marcus Boas in Parijs woonden en de fabriek slechts enkele keren per jaar bezochten. In de beginjaren werd vooral voor eigen rekening geslepen, maar al snel gingen Israël en Marcus Boas een deel van de slijpmolens verhuren aan zelfstandige diamantairs.[7]
De fabriek bleef zich uitbreiden; met de in 1887 toegevoegde linkervleugel (of 'Nieuwe Fabriek') naar ontwerp van C. Alberts in verwante stijl steeg het aantal werkplaatsen tot 600.[1] De gemeente begon vanaf 1911 met een grootschalige sanering van Uilenburg met zijn vele sloppen, stegen en achterhuizen. Veel oude bebouwing werd gesloopt en grond werd opnieuw uitgegeven.[7] In 1920 kocht Marcus Boas een aangrenzend terrein, maar de modernisering van de fabriek verliep traag. Terwijl elders al elektriciteit werd ingevoerd, bleef de Boas-fabriek in de jaren twintig op stoom draaien. Tegelijkertijd verslechterde de economische situatie en liepen de opbrengsten terug.[7]
Crisis en sluiting
In de jaren dertig van de 20e eeuw kreeg ook de diamantindustrie zwaar te lijden onder de wereldwijde economische crisis. Veel diamantbewerkers vertrokken naar Antwerpen. Uiteindelijk werd besloten te stoppen met het slijpen van diamanten. Het fabriekscomplex werd vervolgens verhuurd aan uiteenlopende bedrijven, waaronder een textielhandel en fabrieken voor kousen, pantoffels en verf.[7] De definitieve klap kwam met de Tweede Wereldoorlog. Veel Amsterdamse diamantarbeiders en handelaren waren van Joodse afkomst en tallozen van hen werden vermoord in de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Van slechts enkelen zijn de namen in het Boas-fabriek bewaard gebleven; zij hadden die ooit met een diamant in een vensterruit gekrast.[8][13]
Na het overlijden van Marcus Boas in 1935 nam Marcus Israël Boas, zoon van Hartog, de leiding over. Na de Duitse bezetting in 1940 werd de fabriek gevorderd. Marcus Israël Boas was inmiddels met zijn gezin naar de Verenigde Staten gevlucht. De Duitsers probeerden de diamantindustrie in stand te houden en schakelden ook de Boasfabriek in voor de oorlogseconomie. Op 28 mei 1942 werd het beheer overgedragen aan de Verwalter Carl Oldach.[6][7] Tot half januari 1943 waren diamantwerkers vrijgesteld van deportatie. De pogingen om het bedrijf rendabel te maken faalden, en in 1944 werd de fabriek geliquideerd, waarna de resterende diamantbewerkers en handelaren werden afgevoerd.[8]
Na de oorlog keerde de familie terug en voerde zij tot ver in de jaren vijftig rechtszaken om het verloren bezit terug te krijgen.[6] Marcus Israël Boas bezocht Nederland nog jaarlijks, maar had geen concrete plannen meer voor het gebouw. Het complex raakte verstrikt in wisselende gemeentelijke bestemmingsplannen en belangen van projectontwikkelaars.[7]
Renovatie en heropening

In de jaren zeventig van de 20e eeuw stelden studenten van de Academie van Bouwkunst voor om het voorplein een buurtfunctie te geven, maar de gemeente had andere plannen en overwoog Uilenburg te bestemmen voor de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Dit plan bleek onhaalbaar. Toen sloop en hoogbouw dreigden, kwamen buurtbewoners in verzet. Zij pleitten voor behoud van het gebouw en herbestemming tot woningen. Door langdurig uitstel werd het complex echter verkocht aan een textielhandelaar.[7][14]
In september 1989 kwam het complex in handen van Gassan Diamonds. Daarmee keerde de diamantnijverheid terug naar Uilenburg. Oprichter Samuel Gassan kwam uit een diamantbewerkersfamilie en had zelf nog in de Boas-fabriek gewerkt. Zijn kleinzonen namen het initiatief tot aankoop. Hoewel de buurt positief stond tegenover de restauratie, bestond er bezorgdheid over mogelijke sloop.[15] Ook Monumentenzorg pleitte voor behoud van het volledige complex als gaaf voorbeeld van industriële architectuur. Het gebouw werd daarop op de voorlopige monumentenlijst geplaatst,[7] waardoor de voorziene sloop van de portiersgebouwen, het ketelhuis en de monumentale 33 meter hoge schoorsteen niet doorging.[16][17]
Wel werd de in 1909 naar een ontwerp van D. van Oort de tussen hoofdgebouw en portiersgebouw toegevoegde vleugel langs de Houtkopersburgwal in 1989 afgebroken.[1] Na een grondige renovatie werd het pand op 5 april 1990 heropend. Tot op heden is Gassan Diamonds in het voormalige fabriekspand gevestigd.[7]
Zie ook
Referenties
- 1 2 3 Boas. Rijksmonumentenregister. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Geraadpleegd op 2 januari 2026.
- ↑ "Rouwadvertentie", Algemeen Handelsblad, 27 maart 1918. Geraadpleegd op 4 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ Nieuwe Keizersgracht 16. Amsterdam Cultuur Historische Vereniging. Geraadpleegd op 7 januari 2026.
- 1 2 3 Harte, Krista, De firma Boas. Sociaal-Economische Geschiedenis opdracht Master HvA vernieuwd (maart 2020). Geraadpleegd op 4 januari 2026.
- 1 2 Amsterdam: Gebouw Boas-diamantslijperij. Joods Cultureel Kwartier. Geraadpleegd op 2 januari 2026.
- 1 2 3 Diamantslijperij Boas. Stadsarchief Amsterdam (21 oktober 2019). Geraadpleegd op 2 januari 2026.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 Lachmann, Shirah, "Boas-gebouw herrijst als Phoenix uit diamantstof", Nieuw Israelietisch Weekblad, 31 augustus 1990. Geraadpleegd op 2 januari 2026. – via Delpher.
- 1 2 3 4 5 Stoomdiamantslijperij gebroeders Boas. Joods Amsterdam. Stichting Heimisj. Geraadpleegd op 4 januari 2026.
- ↑ "Een kolossaal gebouw ...", Leidsch Dagblad, 17 april 1879, p. 2. Geraadpleegd op 4 januari 2026.
- 1 2 "I.J. Boas", Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond (jrg. 24, 1918, no. 13), 29 maart 1918. Geraadpleegd op 4 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ "Ingezonden mededeling", Algemeen Handelsblad, 22 januari 1876. Geraadpleegd op 4 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ "Gemengd nieuws", Het Nieuws van den Dag, 1 juli 1879. Geraadpleegd op 5 januari 2026. – via Delpher.
- 1 2 3 Schoutendorp, Wim, "Diamantslijper leeft van toerisme", Trouw, 6 april 1990. Geraadpleegd op 2 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ Klaster, Jan Bart, "Diamantmolen keert terug op Uilenburg", Het Parool, 2 september 1989. Geraadpleegd op 8 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ "'Aantasting Boas-gebouw voorkomen'. Buurt vraagt afkoelingsperiode", Het Parool, 11 september 1989. Geraadpleegd op 3 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ "Deel Boas wordt niet gesloopt", Het Parool, 13 februari 1990. Geraadpleegd op 3 januari 2026. – via Delpher.
- ↑ van Bergen, Tanja, "Het Boasgebouw en 'de kunst van het weglaten'", Het Parool, 17 maart 1990. Geraadpleegd op 3 januari 2026. – via Delpher.
Voetnoten
- ↑ Sommige bronnen vermelden een andere datum van overlijden van Israel Juda Boas. De verwarring wordt veroorzaakt door het feit dat hij op 20 juli 1919 is herbegraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg. Door de oorlogsomstandigheden was het niet mogelijk het stoffelijk overschot naar Nederland over te brengen en was het tijdelijk begraven op Père Lachaise in Parijs. Zie: Het stoffelijk overschot van wijlen I.J. Boas, De Telegraaf, 19 juli 1919.
- ↑ Voor een genealogie van de Boas familie, zie: Kees Boas, Marcus Abraham Boas (1768-1814), Stamboom Boas etc., Genealogie Online; of Rob Ras, Marcus Abraham Boas (1768-1814) Genealogie Ras, Genealogie Online.
- ↑ Het Amsterdamse bankhuis Marcus Boas, Elias de Lima en Comp., gelieerd aan de Haagse bankhuis Boas, werd in 1794 geliquideerd omdat het niet meer aan zijn schulden kon voldoen. Zie: Amsterdamse Courant, 2 augustus 1794, en D.S. van Zuiden, De Geschiedenis van een Haagsch Bankiershuis, Historia, jrg 2, no. 12, 1937.
Externe links
- Archief van Diamantslijperij Gebroeders Boas en andere firma's van familie Boas, met familiearchief. Stadsarchief Amsterdam. Geraadpleegd op 4 januari 2026.
- Diamantslijperij Boas, Nieuwe Uilenburgerstraat 173-175. Amsterdam op de kaart. Geraadpleegd op 4 januari 2026.


