Moeraskers
| Moeraskers | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Rorippa palustris (L.) Besser (1822) | ||||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||||||
| Moeraskers op | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Moeraskers (Rorippa palustris) is een plantensoort uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De Nederlandse naam moeraskers komt overeen met de soortaanduiding palustris, die moeras betekent.
Determinatie
Moeraskers is een eenjarige of zelden meerjarige, kruidachtige plant die een hoogte bereikt van 20–60 cm. De rechtopstijgende stengel groeit uit een penwortel en is in het bovenste deel vaak vertakt. De stengel is kantig en kaal, al kan het onderste deel kortbehaard zijn. De onderste bladeren zijn gesteeld. De bladen zijn veerdelig tot veerspletig en hebben een grote eindslip.
De plant bloeit van juni tot september en oktober. De bloemen hebben vier 2–3 mm grote, bleekgele kroonblaadjes. De kelkbladen zijn even lang als de kroonbladen.
Gelijkende taxa
Moeraskers lijkt veel op akkerkers, waarmee ze soms samen kan voorkomen. Akkerkers heeft echter in de bloeiwijze een zigzaggende stengel, veel langwerpigere hauwen, en veel minder forse bladeren dan moeraskers.
Ecologie
Moeraskers groeit op natte tot vochtige standplaatsen, met een stikstofhoudende bodem. De soort is waardplant voor de larven van het oranjetipje (Anthocharis cardamines) en het klein geaderd witje (Pieris napi).
Syntaxonomie
In de syntaxonomie staat moeraskers te boek als kensoort voor de tandzaad-klasse.
Verspreiding
Moeraskers is in West- en Midden-Europa een algemene soort.
Externe links
- Moeraskers op Flora van Nederland
- Moeraskers in het Nederlands Soortenregister
- Verspreiding in Nederland volgens NDFF Verspreidingsatlas
- Kaarten met waarnemingen: