Dieptegesteente

Kleine intrusie van pegmatiet in metamorf gesteente (donker) in West-Zweden. De witte kristallen zijn kwarts, de zalmroze kaliveldspaat.

Dieptegesteente, plutoniet (van Pluto, de Romeinse god van de onderwereld), of magmatisch, intrusief, abyssisch of plutonisch gesteente is stollingsgesteente dat diep onder het aardoppervlak is gevormd. Dieptegesteente ontstaat grotendeels door het stollen van magma tijdens langzame afkoeling van intrusielichamen. Het is een kristallijn materiaal dat gewoonlijk bestaat uit middelgrote tot grote mineralen.

De diepte van stolling, en daarmee van kristallisatie, kan variëren. Voor de vorming van grote kristallen in het gesteente is het belangrijk dat het magma langzaam afkoelt. Het verschil met ganggesteente en uitvloeiingsgesteente is de diepte waarop kristallisatie plaatsvindt.

Indeling

Een dieptegesteente is faneritisch: het heeft een korrelgrootte > 3 mm. Individuele kristallen zijn met het blote oog te onderscheiden en de mineralen zijn makkelijk herkenbaar.

Het meeste dieptegesteente bestaat uit hooguit vijf belangrijke "gesteentevormende" mineralen en diverse sporenmineralen. Aan de hand van de belangrijkste mineralen kan grofweg het gehalte silica (SiO2) in het gesteente bepaald worden. Gesteente dat veel silica bevat is felsisch, een samenvoeging van het Engelse "feldspar" (veldspaat) en silica. Pure silica komt in dieptegesteente meestal voor in de vorm van het mineraal kwarts. Het bekendste felsische dieptegesteente is graniet.

Mafisch gesteente bevat minder silica; de naam is een samenvoeging van magnesium met het Latijnse "ferrum" (ijzer). Mafisch gesteente bestaat uit amfibool, biotiet, pyroxeen, olivijn en oxiden van ijzer en titanium. Het meest voorkomende mafische dieptegesteente is gabbro.

Intermediair gesteente zit van samenstelling tussen felsisch en mafisch in. Een voorbeeld is dioriet. Ultramafisch gesteente is relatief zeldzaam aan het aardoppervlak; het is nog armer aan silica dan mafisch gesteente. De dieptevariant van ultramafisch gesteente is peridotiet, dat voor een groot deel uit olivijn bestaat.

De IUGS deelt faneritisch gesteente in op basis van de belangrijkste (gesteentevormende) mineralen.[1] Deze worden in vijf groepen ingedeeld: kwarts (Q), kaliveldspaat (A), plagioklaas (P), veldspaatvervangers (F) en alle mafische mineralen (M; mica, amfibool, pyroxeen, en andere). De groepen samen vormen altijd 100% van gesteente. Omdat de groepen Q en F nooit samen voorkomen bevat dieptegesteente maximaal vier verschillende groepen. In een QAPF-diagram worden de groepen op de hoekpunten geplaatst, waarna de samenstelling van gesteente geplot kan worden. Het diagram is in velden verdeeld. In welk veld de samenstelling ligt bepaalt de naam van het gesteente.

Voorkomen

Dieptegesteenten worden gevormd diep onder het aardoppervlak en raken ontsloten na tektonische opheffing en erosie.

Lichamen van dieptegesteente worden intrusies of plutonen genoemd. Intrusies kunnen een omvang hebben van meer dan 25.000 km². Dergelijke grote intrusies worden batholieten genoemd.

Schematische weergave van intrusielichamen in een gebied waarin (felsisch) vulkanisme plaatsvindt. A = batholiet (nog niet gestold: een magmakamer); B = dike; C = laccoliet; D = pegmatietlichaam; E = sill; F = stratovulkaan. Processen in de Bestand:1 = jongere intrusie snijdt door een oudere heen; 2 = xenoliet of roof pendant in de magma; 3 = contactmetamorfose; 4 = bodem wordt opgeheven als gevolg van het ontstaan van een laccoliet.

De belangrijkste vormen waarin dieptegesteente voorkomt zijn:

  • batholiet, een zeer grote, onregelmatig gevormde intrusie
  • dike, een relatief smal vlakvormig intrusief lichaam in nagenoeg verticale (loodrecht op het aardoppervlak) positie
  • sill, een relatief smal en vlak intrusief lichaam in nagenoeg horizontale (parallel aan het aardoppervlak) positie
  • vulkanische pijp, een buisvormig, vrijwel verticaal lichaam dat als aanvoerkanaal van magma aan een vulkaan kan hebben gefungeerd
  • laccoliet, een koepelvormige intrusie met een vrij vlakke basis, doorgaans gevoed door een vulkanische pijp
  • lopoliet, een komvormige intrusie met een vrij vlakke top, gevoed door een vulkanische pijp;
  • pegmatiet, een niet al te grote intrusie van sterk geëvolueerd magma. (De naam pegmatiet wordt ook gebruikt voor het gesteente dat de intrusie vormt).

Lichamen van dieptegesteente komen voor in veel tektonische omstandigheden: bijvoorbeeld langs passieve marges, boven hotspots, onder spreidingszones en in orogenen.

Zie ook

Dieptegesteente
Indeling der stollingsgesteenten
% SiO2 uitvloeings-
gesteente
gang-
gesteente
diepte-
gesteente
felsisch >~70 ryoliet granofier graniet
~70-63 daciet granodioriet
intermediair 63-52 andesiet dioriet
mafisch 52-45 basalt doleriet gabbro
ultramafisch <45 komatiiet peridotiet