Dieptegesteente

Dieptegesteente, plutoniet (van Pluto, de Romeinse god van de onderwereld), of magmatisch, intrusief, abyssisch of plutonisch gesteente is stollingsgesteente dat diep onder het aardoppervlak is gevormd. Dieptegesteente ontstaat grotendeels door het stollen van magma tijdens langzame afkoeling van intrusielichamen. Het is een kristallijn materiaal dat gewoonlijk bestaat uit middelgrote tot grote mineralen.
De diepte van stolling, en daarmee van kristallisatie, kan variëren. Voor de vorming van grote kristallen in het gesteente is het belangrijk dat het magma langzaam afkoelt. Het verschil met ganggesteente en uitvloeiingsgesteente is de diepte waarop kristallisatie plaatsvindt.
Indeling
Een dieptegesteente is faneritisch: het heeft een korrelgrootte > 3 mm. Individuele kristallen zijn met het blote oog te onderscheiden en de mineralen zijn makkelijk herkenbaar.
Het meeste dieptegesteente bestaat uit hooguit vijf belangrijke "gesteentevormende" mineralen en diverse sporenmineralen. Aan de hand van de belangrijkste mineralen kan grofweg het gehalte silica (SiO2) in het gesteente bepaald worden. Gesteente dat veel silica bevat is felsisch, een samenvoeging van het Engelse "feldspar" (veldspaat) en silica. Pure silica komt in dieptegesteente meestal voor in de vorm van het mineraal kwarts. Het bekendste felsische dieptegesteente is graniet.
Mafisch gesteente bevat minder silica; de naam is een samenvoeging van magnesium met het Latijnse "ferrum" (ijzer). Mafisch gesteente bestaat uit amfibool, biotiet, pyroxeen, olivijn en oxiden van ijzer en titanium. Het meest voorkomende mafische dieptegesteente is gabbro.
Intermediair gesteente zit van samenstelling tussen felsisch en mafisch in. Een voorbeeld is dioriet. Ultramafisch gesteente is relatief zeldzaam aan het aardoppervlak; het is nog armer aan silica dan mafisch gesteente. De dieptevariant van ultramafisch gesteente is peridotiet, dat voor een groot deel uit olivijn bestaat.
De IUGS deelt faneritisch gesteente in op basis van de belangrijkste (gesteentevormende) mineralen.[1] Deze worden in vijf groepen ingedeeld: kwarts (Q), kaliveldspaat (A), plagioklaas (P), veldspaatvervangers (F) en alle mafische mineralen (M; mica, amfibool, pyroxeen, en andere). De groepen samen vormen altijd 100% van gesteente. Omdat de groepen Q en F nooit samen voorkomen bevat dieptegesteente maximaal vier verschillende groepen. In een QAPF-diagram worden de groepen op de hoekpunten geplaatst, waarna de samenstelling van gesteente geplot kan worden. Het diagram is in velden verdeeld. In welk veld de samenstelling ligt bepaalt de naam van het gesteente.
Voorkomen
Dieptegesteenten worden gevormd diep onder het aardoppervlak en raken ontsloten na tektonische opheffing en erosie.
Lichamen van dieptegesteente worden intrusies of plutonen genoemd. Intrusies kunnen een omvang hebben van meer dan 25.000 km². Dergelijke grote intrusies worden batholieten genoemd.

De belangrijkste vormen waarin dieptegesteente voorkomt zijn:
- batholiet, een zeer grote, onregelmatig gevormde intrusie
- dike, een relatief smal vlakvormig intrusief lichaam in nagenoeg verticale (loodrecht op het aardoppervlak) positie
- sill, een relatief smal en vlak intrusief lichaam in nagenoeg horizontale (parallel aan het aardoppervlak) positie
- vulkanische pijp, een buisvormig, vrijwel verticaal lichaam dat als aanvoerkanaal van magma aan een vulkaan kan hebben gefungeerd
- laccoliet, een koepelvormige intrusie met een vrij vlakke basis, doorgaans gevoed door een vulkanische pijp
- lopoliet, een komvormige intrusie met een vrij vlakke top, gevoed door een vulkanische pijp;
- pegmatiet, een niet al te grote intrusie van sterk geëvolueerd magma. (De naam pegmatiet wordt ook gebruikt voor het gesteente dat de intrusie vormt).
Lichamen van dieptegesteente komen voor in veel tektonische omstandigheden: bijvoorbeeld langs passieve marges, boven hotspots, onder spreidingszones en in orogenen.
Zie ook
| Dieptegesteente | ||||
|---|---|---|---|---|
| Indeling der stollingsgesteenten | ||||
| % SiO2 | uitvloeings- gesteente |
gang- gesteente |
diepte- gesteente | |
| felsisch | >~70 | ryoliet | granofier | graniet |
| ~70-63 | daciet | granodioriet | ||
| intermediair | 63-52 | andesiet | dioriet | |
| mafisch | 52-45 | basalt | doleriet | gabbro |
| ultramafisch | <45 | komatiiet | peridotiet | |
Voetnoten
- ↑ Le Maitre et al., 2022
Bronnen en verwijzingen
- (en) Best, M.G., 2003: Igneous and Metamorphic Petrology (2nd ed.), Blackwell Publishing, ISBN 1-405 10-588-7.
- (en) Le Maitre, R.W. (ed.); Streckeisen, A.; Zanettin, B.; Le Bas, M.J.; Bonin, B.; Bateman, P.; Bellieni, G.; Dudek, A.; Efremova, F.; Keller, J.; Lameyre, J.; Sabine, P.A.; Schmid, R.; Sørensen, H. & Woolley, A.R., 2002: Igneous Rocks, A Classification and Glossary of Terms, Recommendations of the International Union of Geological Sciences Subcommission on the Systematics of Igneous Rocks (2nd ed.), Cambridge University Press, ISBN 978-0-521-66215-4.
- (en) Philpotts, A.R. & Ague, J.J., 2022: Principles of Igneous and Metamorphic Petrology (3rd ed.), Cambridge University Press, ISBN 9781108492881.