Ingenieurs-Maatschap „Eigen Beheer"

De Ingenieurs-Maatschap „Eigen Beheer" was een samenwerkingsverband van zelfstandige ingenieurs in de vorm van een maatschap, opgericht in 1916 en heeft gefunctioneerd tot 1937. Het initiatief ging uit van ir. Willem Elenbaas en ir. Justinus Cornelis Voorduin. Zij vormden in eerste instantie de directie. Verdere leden van de directie waren: ir. J. Homan van der Heide, oud-directeur van Burgerlijke Openbare Werken ( B.O.W.) in Ned.-Indië; ir. Th. L. W. Steinmetz, oud-voorzitter van het Comité van beheervan de Ned.-Indische Spoorweg-Maatschappij; ir. N. de Vicq, oudhoofdingenieur-chef van het Stoomwezen in Ned.-Indië.
Als leden van Maatschap waren in 1917 al toegetreden: ir. R. H. Bloemendal, oud-administrateur van de. Ned.-Indische Tramweg Maatschappij ; ir. J. Haringhuizen, oud-hoofdingenieur van de Waterstaat en 's Lands B.O.W. in Ned.-Indië en leraar aan de Rijks Hogere Land-, Tuin- en Bosbouwschool te Wageningen; ir. J. W. van Marle, oud-ingenieur van de Waterstaat en 's Lands B.O.W. in Ned.-Indië; ir. G. J. Meyers, raadgevend ingenieur te Amsterdam; jhr. ir. R. R L. de Muralt, oud-ingenieur van Schouwen, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; ir. H. Polano, raadgevend ingenieur, Ingenieurs-Bureau Cramer & Polano te 's-Gravenhage; W. G. J. Vogelpoel, oud-gecommitteerde der Regering bij de Droogdok-Maatschappij Tandjong-Priok en oud-chef van het Baggermaterieel der B.O.W. in Ned.-Indië.
Opzet van de Maatschap
De Maatschap wil gaan optreden als uitvoerster van werken en als ingenieursbureau. Aanbesteding „en bloc" is in Nederland regel, ondanks slechte ondervinding, omdat de bouwheer veelal in de onmogelijkheid verkeert tot uitvoering met eigen personeel over te gaan, zelfs al beschikt hij over bekwaam technisch personeel. In plaats daarvan trad het „cost plus percentage”-stelsel in Engeland en Amerika, dat in de praktijk voldoet. De Maatschap wil dat ook in Nederland invoeren. De Maatschap richt zich vooral op Ned.-Indië.
Het idee is om werken uit te voeren voor rekening van besturen, corporaties en particulieren (gebouwen, waterstaatswerken, spoorweg werken, wegen en bruggen, drinkwaterleidingen, rioleringen, cultuurtechnische werken, enz.) tegen vergoeding van de “zelf-kosten” (kosten van plaatselijke administratie en toezicht inbegrepen), vermeerderd met een zeker percentage van de raming van kosten als vergoeding voor de algemene deskundige bemoeienis van de Maatschap. De toevertrouwde werken worden uitgevoerd met eigen of speciaal aangenomen werklieden. Bijzondere onderdelen, zoals grondwerken, heiwerk, metsel- en betonwerk, steenhouwers-, timmer- en verfwerk, smidswerk, worden tegen een vastgesteld bedrag uitbesteed aan groepen werklieden, uitvoerders of aannemers, die een speciale ervaring op hun gebied hebben. Het werkkapitaal wordt verschaft door de bouwheer, hem worden alle kosten in rekening gebracht.
Het voordeel van deze aanpak was dat meerdere uitvoerende partijen konden inschrijven op kleine onderdelen, bij aanbesteding “en bloc” kunnen eigenlijk alleen grote, kapitaalkrachtige bedrijven inschrijven. Dus bij het “cost plus percentage “-stelsel is meer concurrentie en meer keuze in de onderaannemers. Dat staat tegenover dat het voor de opdrachtgever gecompliceerder is. De Maatschap wil deze taak overnemen.
De Maatschap stelt zich voor ook op te treden als Ingenieurs-Bureau. Voorlopig kan de Maatschap zich, wat Ned.-Indië betreft, enkel belasten met het opmaken van ontwerpen, waarvoor de gegevens reeds te voren door anderen werden verzameld. Zij stelt zich echter voor al spoedig aldaar connecties te zoeken en binnen niet te langen tijd vertegenwoordigers aan te stellen, zoodat zij tevens alle voorbereidende werkzaamheden kan doen verrichten, noodig voor het geven van adviezen, het opmaken van ontwerpen op allerlei gebied en het uitvoeren van werken.
Werken
- 1922, watervang in de Bah Hapal
- 1922, Van 1927 is de Maatschap actief bij de wegenaanleg op Atjeh
- 1925, waterkrachtstations Bahlimbingan, Bah Bolon /Bah Hapal, Bah Tonggoeran
- 1926, afsluitdam t.b.v. de wadoek Pagak
- 1927, aanleg van de Wadoek Ngasem
- 1927, dam Tirip
- 1927, herstel dam Pendowo
- 1927, Kebonanganwerken
- 1927, Dam en Leiding Krawak c.a.
- 1928, Syphon Djombor
- 1928, weg Patrol - Tjisewoe (grens Krawang)
- 1928, wegaanleg Peureula - Lokop - Blang Kedjeren
- Bononganwerken 1928, 1929
- 1930, dam Djoemeneng
- In de periode 1925-1932 is de Maatschap werkzaam voor de Tjipoenegarawerken. Voor dit werk is ir. Willlem van Tijen aangenomen, die kort daarvoor aan de Technische Hoogeschool in Bandung was afgestudeerd.
- Kebonanganwerken, 1929-1932[1]
- 1931, Storthelling Van der Wijck leiding
- 1932, Pamanoekan- en Tjiasemlanden, Pamanoekankanaal
- 1933, Krawangwerken
- 1933, Kandanghaoer
Bronnen
- ↑ (16 juni 1926). Opening der Kebonangonwerken in Djocja. De Indische Mercuur 49, 1926, no. 24, 16-06-1926 (24)
- (14 april 1917). Ingenieurs- maatschap “ Eigen beheer”. De Ingenieur 32 (15)
- Archief van de “Mij. Eigen Beheer”. Geraadpleegd op 14 januari 2026.