Hans Heg

Hans Louis Heg (Maartensdijk[noot 1], 11 oktober 1936)[1] is een Nederlandse muziekjournalist, documentairemaker, drijvende kracht achter muzikaal talent als Lavinia Meijer en pleitbezorger van (destijds in Nederland) nog onbekende musici als Philip Glass. Hij was recensent klassieke muziek bij uiteenlopende dagbladen en tijdschriften, drie decennia muziekredacteur bij de Volkskrant, medewerker van muziekprogramma’s van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS), bijna een kwart eeuw panellid van het NTR-radioprogramma Diskotabel en maker van muziekdocumentaires voor de NOS over onder anderen Bruno Maderna.

Heg schreef als muziekjournalist niet alleen recensies, maar maakte ook interviews, reportages en nieuwsberichten, vaak primeurs over de muziek- en kunstsector.[2] Hij schuwde de controverse niet, had uitgesproken standpunten die hem niet altijd in dank werden afgenomen en soms tot conflict leidden met zijn werkgevers, zoals PCM, of musici, zoals Peter Schat.[2]

Opleiding

Na de lagere school in Tuindorp ging Heg naar de ‘bijzondere’ en enigszins deftige[3] Hogereburgerschool (HBS) aan de Plompetorengracht 9-13 in Utrecht. De school stond ook bekend als ‘HBS De Munnik’ naar haar eerste directeur Frans de Munnik[4] (1871-1937) en leidde alleen op voor het HBS-b diploma, een vijfjarige cursus.[5] Doordat hij in de vijfde klas tbc (‘vliegende tering’) kreeg en lang moest herstellen, miste Heg het examenjaar.[6][7] Hij pakte de draad in januari 1955 weer op, ditmaal in de vierde klas van het Gemeentelijk Lyceum[8] aan de Van Asch van Wijckskade 20 in Utrecht, waar hij zijn HBS-a diploma behaalde.[6]

Vanwege zijn tbc-verleden werd hij afgekeurd voor militaire dienst en kon hij direct na zijn middelbare schoolopleiding verder studeren.[2] Hij speelde net als zijn moeder piano en klavecimbel[9] en had les gekregen van de in Wenen opgeleide Elly Kautetzky[10], maar het conservatorium lag niet voor de hand, want ondanks een goed auditief geheugen kon hij geen stukken uit zijn hoofd spelen.[11] Wel had hij een grote kennis van het klassiek repertoire, aangezien hij de periode dat hij met tbc ziek op bed lag constant luisterde naar de muziek op zijn Erres-radio.[6]

De nabijheid van concertzaal Tivoli aan de Kruisstraat in Utrecht hielp ook bij zijn ontwikkeling tot muziekliefhebber en -kenner.[6] Het eerste concert dat hij als tiener bijwoonde (tijdens een excursie met zijn lagere school), werd gedirigeerd door Willem van Otterloo (1907–1978), die tot 1949 de vaste dirigent was van het Utrechts Stedelijk (vanaf 1946: Symfonie) Orchest, zoals het destijds werd gespeld.[12][13][noot 2][14] De keuze om in zijn woonplaats muziekwetenschap te studeren bij Hélène Nolthenius, Herman Strategier en Eduard Reeser aan de Universiteit van Utrecht lag voor de hand, al moest hij daarvoor tevens worden onderwezen in Latijn en Grieks, die immers geen onderdeel uitmaakten van het curriculum van de HBS.[15]

Loopbaan

Heg, zelf afkomstig uit een niet-religieus gezin, stopte na een paar jaar met zijn studie omdat hij die te conservatief en vooral te katholiek vond. Bevrijd van deze last, stortte hij zich in het kunst- en vooral het muziekleven.[6][16] Om zijn eigen broek op te houden, ging hij werken op een verzekeringskantoor in Den Haag, De Nederlanden van 1845, waaruit in 1963 de Nationale-Nederlanden is ontstaan.

Bureau Premsela Vonk

Via zijn Haagse vriendenkring leerde de 25-jarige Heg in 1962 de zestien jaar oudere vormgever, interieurarchitect en voorvechter van homo-emancipatie Benno Premsela (1920-1997) kennen.[noot 3] Die haalde hem weg uit Den Haag en gaf hem niet alleen een baan op zijn eigen ontwerpbureau dat hij net was begonnen met Jan Vonk, maar stelde zijn ‘liefdespartner’[17] ook voor bij hem te komen wonen op de Keizersgracht.

Nieuwe Rotterdamsche Courant (1963-1969)

Via diezelfde Haagse vriendenkring, onder wie muziekmedewerker Martinus van Doorninck van de NRC, was ook met succes contact gelegd met de verantwoordelijke muziekredacteur van die krant, Alex van Amerongen (1920–1985).[18] Zo zette Heg zijn eerste stappen in de journalistiek. Behalve recensies voor de Rotterdamse krant, ging hij ook kritieken schrijven voor de Verenigde Noordhollandse dagbladen in Alkmaar en programmatoelichtingen en interviews voor het blad Luister.[19]

Algemeen Handelsblad (1969-1971)

Heg vertrok in november 1969 met een knallende ruzie in Rotterdam. Hij had een conflict gekregen met Van Amerongen, die zonder dit tegen hem te zeggen een afkeurend commentaar had geplaatst bij Hegs interview met drie opstandige componisten, Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw en Peter Schat, naar aanleiding van de Aktie Notenkraker.[noot 4][20] Van Amerongen noteerde in zijn commentaar op het interview van zijn medewerker: ‘Vaagheden spreken publiek noch musici aan.’[21]

Heg stapte over naar het Algemeen Handelsblad in Amsterdam, waar de in Hongarije geboren Hans Reichenfeld (1914–1983) de scepter zwaaide over de muziekredactie en in wiens opvattingen Heg zich geheel kon vinden. Het was immers Reichenfeld geweest die al drie jaar eerder een open brief[22] had afgedrukt van de opstandige componisten die Heg had geïnterviewd. Heg kon direct beginnen omdat Reichenfelds medewerker Henk van Royen zojuist had opgezegd. Heg bleef als medewerker aan de krant verbonden tot na de samenvoeging van het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot NRC Handelsblad op 1 oktober 1970. Alex van Amerongen kwam ook bij de fusiekrant terecht, maar kwam onder Reichenfeld te werken.

de Volkskrant (1971-2001)

In januari 1971 begon Heg bij de Volkskrant omdat hij daar een vaste baan als redacteur kreeg aangeboden als opvolger van Jan Mul (1911-1971). Tot dan toe was hij steeds freelancer geweest, wat een onzeker financieel bestaan betekende zonder uitzicht op een pensioenvoorziening. Onzeker bleef wel of zijn stukken werden geplaatst. Destijds had de kunstredactie van de Volkskrant geen eigen pagina’s en het kunstnieuws, alle recensies en interviews moesten concurreren met de rest van het aanbod.[23]

Dit veranderde pas met het aantreden van Jan Paul Bresser (1941-2015) als chef van de kunstredactie en Jan Blokker als adjunct-hoofdredacteur in 1979. Er kwamen vaste kunstpagina’s (niet alleen voor film) en een kunstbijlage, waarmee de Volkskrant ook op cultuurgebied uitgroeide tot grote concurrent van NRC Handelsblad.[23]

Heg behoorde tot de jonge opstandige progressieve garde bij de Volkskrant, die de krant vooruitstrevend maakte en liet aansluiten bij een jonger leespubliek waardoor de krant sterk in oplage groeide. Bij Hegs afscheid in 2001 riep hoofdredacteur Pieter Broertjes deze fase in herinnering door te memoreren dat ‘Heg altijd wel [zorgde] voor opwinding, fanfare, journalistieke scherpte en vooral nieuws’. Met Heg was er altijd rumoer, aldus Broertjes. ‘Ik hoef alleen maar de naam van Peter Schat te noemen. Incidenten waarbij de affaires rond Willem Oltmans kinderspel lijken.’[24]

Volgens Broertjes zat Heg bovenop het nieuws uit de kunstsector. Hij had dan ook groot netwerk, vooral in Amsterdam. Na zijn relatie met Premsela was hij bevriend met hem gebleven en werd hij regelmatig uitgenodigd als die weer Nederlandse, maar ook buitenlandse gasten uit de kunstsector te eten had, zoals de Amerikaanse componist Virgil Thomson (1896-1989) en diens landgenoot, de beeldend kunstenaar Bill Katz (1926-2003).[25] Premsela kende iedereen die er toe deed in en buiten de kunstsector. De choreograaf Hans van Manen beschouwde hem als mentor.[26] Zijn huis aan de Keizersgracht was een zoete inval.[27] Via Premsela leerde Heg ook diens neef Arthur van Schendel kennen, kleinzoon van schrijver Arthur van Schendel (1874-1946), die Hegs vader Rudolf Heg nog had gekend via zijn dochter.[noot 5] Als directeur van het Amsterdamse Uit Buro was Van Schendel een spil in de hoofdstedelijke kunst- en cultuurwereld.

Omdat hij naast zijn werk voor de krant steeds meer betrokken raakte bij radio- en televisieproducties in Hilversum, besloot Heg in 1983 zijn volledige contract bij de Volkskrant om te zetten in een deeltijdcontract, dat hem meer vrijheid bood ook voor andere opdrachtgevers te werken zonder dat de hoofdredactie van de krant daar veel bezwaar tegen kon maken.[23]

Hij bleef dertig jaar aan de krant verbonden en bij zijn afscheid op vrijdag 23 maart 2001 was er een afscheidsconcert en een feestrede van Michael Zeeman in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam en een receptie in de Pleinfoyer van Concertgebouw. Uit handen van de kersverse burgemeester van Amsterdam, Job Cohen kreeg hij een koninklijke onderscheiding opgespeld, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.[28] Tevens verscheen er een selectie uit drie decennia stukken van Heg in de Volkskrant, getiteld U komt er niet meer in en een speciaal nulnummer van het kunsttabloid van de Volkskrant dat geheel aan Heg was gewijd.

Publieke Omroep

Als muziekmedewerker van toonaangevende en onder journalisten veelgelezen dagbladen en makkelijke prater werd Heg al vroeg in zijn carrière ingeschakeld door de omroepen in Hilversum. Zowel als redacteur en documentairemaker bij de NOS als achter de microfoon en in beeld.

Radio

In 1970 werkte hij mee aan een deel van de zeventien radioprogramma’s die waren geprogrammeerd rond het Holland Festival van dat jaar.[29] Bijna een kwart eeuw (van 1990[30] tot 2014[31]) was hij onder presentator Menno Feenstra[32] en later Hans Haffmans regelmatig te horen als panellid van het goed beluisterde[33] radioprogramma Diskotabel.[noot 6] Door dit programma werd hij bij een breed publiek bekend ‘als oude rot in het vak’.[11] Het vestigde zijn reputatie als kenner, aangezien hij vaak de orkesten, dirigenten en solisten wist te raden.[34]

Televisie

In 1971 was hij panellid van het televisieprogramma Uit de kunst.[noot 7][35] Samen met filmcriticus Charles Boost, journalist Ageeth Scherphuis en theatermaker Agna Arens besprak hij in het programma diverse kunstuitingen.[36][37][38]

Stefan Felsenthal, chef culturele programma’s van de NOS, rekruteerde Heg als adviseur, redacteur. en maker van televisieprogramma's en documentaires. Zo bewerkte hij een twee uur durende Franse film over de pianist Glenn Gould (Glenn Gould speelt en praat), die op 13 mei 1988 werd uitgezonden op Nederland 3.[39] Hij maakte ook losse items voor kunstprogramma’s van de NOS, vaak interviews met componisten, zoals de Italiaan Luciano Berio in Rome (1972)[40] en de Argentijns-Duitse componist, dirigent en librettist Mauricio Kagel.[41]

Heg werd vooral bekend van zijn televisiefilm uit 1983 over Italiaanse dirigent en componist Bruno Maderna, maar tekende ook voor een serie andere televisieportretten. Zoals over de aanstormende maar nog onbekende choreograaf Jiri Kylian (1971), de violist Willem Noske (1982), en de componist Kirill Kondrašin (1989). Hij maakte ook documentaires over het Holland Festival (1987) en de Nederlandse Opera (1988).

Controverses

Zoals hoofdredacteur Pieter Broertjes bij Hegs afscheid van de de Volkskrant in 2001 al memoreerde[42], is diens carrière niet zonder controverses verlopen. Zo had hij een conflict met onder anderen zijn werkgever PCM en de componist Peter Schat.

Gewonnen rechtszaak om auteursrechten

In 1997 begon Heg, op verzoek van de journalistenvakbond NVJ samen met twee andere freelancers van de Volkskrant, de columnist en voormalige profvoetballer Jan Mulder en de filmrecensent Huib Stam een proefproces tegen PCM Uitgevers, uitgever van de krant waarvoor ze schreven. De uitgever had hun stukken als onderdeel van de hele jaargang 1996 op een cd-rom had gezet zonder aan hen toestemming te hebben gevraagd. Ze beschouwden dit als een schending van hun auteursrecht. Anders dan journalisten in vaste dienst, die hun auteursrechten overdragen aan de uitgever, blijven freelancers eigenaar van hun artikelen. De rechter gaf de drie gelijk en de uitgever moest het trio, na een nieuwe rechterlijke uitspraak, uiteindelijk een schadevergoeding van 68 duizend gulden (bijna 31 duizend euro) betalen.[43] En hun bijdragen moesten van de cd-rom worden gehaald en van de website worden verwijderd. [44]

Peter Schats brouille

Heg en Peter Schat begonnen goed. Heg gaf de componist een podium in de Nieuwe Rotterdamsche Courant toen die met andere componisten ageerde tegen de leiding van het Concertgebouworkest. Een paar jaar later interviewde hij hem opnieuw voor het Algemeen Handelsblad.[45] En als lid van de jury[46] van de Matthijs Vermeulenprijs gunde Heg hem deze compositieprijs voor zijn werk To You (1972). Desondanks ontstond er een ‘brouille’, zoals Schat het zelf noemde[47], tussen de muziekrecensent en de componist, die tot het overlijden van de laatste in 2003 voortduurde.

Aanleiding was Hegs negatieve bespreking[48] uit 1985 in de Volkskrant van Schats opera Symposion over de dood van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Maar Schat verweet de Volkskrant en Heg ook dat ze al in 1979 een slechte recensie (‘Bijna alles aantrekkelijk, behalve de muziek’) van zijn opera Houdini (1977) uit The New York Times[49] vertaalden en in de krant afdrukten.[50] ‘Heg is een verklaard vijand van mij’, aldus Schat in Vrij Nederland.[51] Daarna liet Peter Schat geen gelegenheid voorbijgaan om zich negatief uit te laten over Heg. Zoals in Vrij Nederland van 12 november 1983: ‘Want die man, Hans Heg, is natuurlijk een perfect braakmiddel.’[52] Ooit had hij Heg getypeerd als ‘een Zeeuwse boterbabbelaar - lekker om op te zuigen maar rot voor je tanden’. Hij vermoedde dat dit tot een wraakactie van Heg in de krant had geleid.[53]

Hans Kox aangeslagen

De componist Hans Kox (1930-2019) was erg aangeslagen door een negatieve recensie van Heg in de Volkskrant van zijn opera Dorian Gray (1974), nadat Heg eerst een uitvoerige, neutrale, voorbeschouwing had gepubliceerd voorafgaande aan de première op 30 maart 1974 in Scheveningen.[54] In zijn recensie noemde Heg het werk een ‘opera-draak’, een term die ook in de kop belandde, en ‘een grauwe tornado’. Hij besluit met: Dorian Gray is op zijn eigen vervelende bek gevallen.’[55] Ook Hans Reichenfeld was in NRC Handelsblad negatief (‘een gaap verwekkende afknapper’ en ‘gênant om over te schrijven’’)[56] en in Amsterdam moest de componist boegeroep incasseren.[57]

De deconfiture werd vooral Heg aangerekend. Kox was zo ontdaan dat hij stopte als artistiek leider van het Concertgebouworkest, een baan die hij nog maar net had.[58] Toen zijn biograaf Bas van Putten hem jaren later interviewde, bleek Kox getraumatiseerd door de catastrofale ontvangst van zijn opera.[59] Van Putten: ‘Kox zag zichzelf als slachtoffer van een cultuurpolitieke intrige.’[noot 8] de Volkskrant-medewerker Frits van der Waa kon hem bijna vier decennia niet helemaal ongelijk geven in een bespreking van de cd-uitgave van de opera.[60] Hoewel het niet om een ‘ten onrechte verguisde meesterwerk gaat’, constateert Van der Waa dat Kox de tijdgeest niet mee had.[noot 9]

Boze Jan Huckriede

Als tegenhanger van het Holland Festival dat hij te internationaal en elitair vond, begon Jan Huckriede[61] de Kunstmaand en het Kunstmaandorkest onder leiding van Anton Kersjes, waaruit het Amsterdams Philharmonisch Orkest en vervolgens het Nederlands Philharmonisch Orkest ontstond. Heg vond de uitvoeringen van Kunstmaandorkest nogal tuttig, waarna Huckriede hem vanuit de kassa van het Concertgebouworkest toeschreeuwde: ‘U komt er niet meer in.’ Waarop Heg reageerde met: ‘Maar u kunt me niet verbieden gewoon een kaartje te kopen.’[62] Heg gebruikte de uitroep van Huckriede in 2001 als titel voor de gebundelde selectie van zijn stukken uit de Volkskrant.

Pleitbezorger

Zoals zijn vriend Premsela zich inspande voor de homo-emancipatie, zo toont Heg zich pleitbezorger van zijn ‘ontdekkingen’ als Philip Glass, Lavinia Meijer en Clara Haskil. Dat hij een ‘doordrammer’[11] is, komt daarbij wellicht goed van pas.

Kerstmatinee

Geïnspireerd door het jaarlijks op televisie uitgezonden Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker benaderden Heg en Stefan Felsenthal, chef culturele programma’s van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS), begin jaren zeventig het Concertgebouworkest in Amsterdam om iets dergelijks te bewerkstelligen in Nederland.[63] Dit leidde tot het Kerstconcert dat nog steeds elk jaar op Eerste Kerstdag rechtstreeks op televisie wordt uitgezonden vanuit de Grote Zaal van het Concertgebouw. De eerste vijftien jaar, net als het Nieuwjaarsconcert in Wenen, uitgezonden door Eurovisie in samenwerking met de NOS-televisie en sinds 1995 door AVROTROS.[64] Al in het tweede jaar (1976) begon dirigent Bernard Haitink zijn project om de in vele landen uitgezonden kerstmatinee te benutten om alle symfonieën van Gustav Mahler uit te voeren, elk jaar een.[65]

Philip Glass

Samen met Arthur van Schendel zag Heg in 1974 in de Leo Castelli Gallery in New York een optreden van de toen nog onbekende Amerikaanse componist Philip Glass (1937), die destijds nog zijn brood verdiende als verhuizer, loodgieter en taxichauffeur. Dat optreden maakte een ‘verpletterende indruk’[66] op Heg. Het was tevens zijn eerste grote kennismaking met minimal music.[7] Nadat ze hem na afloop van het concert hadden gesproken, zetten de twee vrienden vervolgens alles in werking om de exponent van minimalistische muziek naar Nederland te halen.[7] Via hun contacten met onder anderen Jo Elsendoorn (1915-2015), programmeur van het Holland Festival, slaagden ze hierin. In 1975 was Glass een van de gasten van het festival en trad hij op met zijn Philip Glass Ansemble. Heg interviewde hem voor de NOS op het terras van het Kurhaus in Scheveningen.[67]

Lavinia Meijer

Heg leerde de harpiste Lavinia Meijer kennen na een optreden met het Utrechts Studentenorkest in de Geertekerk in Utrecht, zo schrijft ze in haar levensverhaal Vleugels van papier. Vanaf dat moment treedt hij op als haar promotor door haar overal te introduceren en gevraagd en ongevraagd te adviseren. Volgens haar stond hij destijds bovenaan de ‘klassiek-muziekpiramide’ en kon ze bij hem alles te weten komen ‘over de laatste ontwikkelingen, nieuwe releases, opkomende sterren en de nodige roddels’. Hij stimuleerde haar zich te kandideren voor de Nederlandse Muziekprijs, die ze in 2009 won. Ook bracht hij haar in contact met Philip Glass, waaruit een samenwerking voortkwam met de Amerikaanse componist.[68]

Clara Haskil

De net 17-jarige Heg hoorde en zag de Roemeense pianiste Clara Haskil (1895–1960) voor het eerst live spelen op dinsdag 24 november 1953 in de concertzaal Tivoli aan de Kruisstraat in Utrecht en was direct door haar sprankelende, intense en fijnzinnige spel geraakt.[69][70] Sindsdien is ze voor hem de bijna niet te overtreffen standaard waartegen hij andere pianisten, ook de hele grote, afzet, zeker als het gaat om bijvoorbeeld de pianoconcerten van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) of de vioolsonates van Ludwig van Beethoven (1770–1837) die zij met de violist Arthur Grumiaux (1921–1986) speelde in de Bachzaal in Amsterdam-Zuid en zijn uitgebracht op het Philips-label. Al in zijn eerste stukken voor de Volkskrant noemde hij haar en dat herhaalde hij nog vele malen.[71]

Clara Haskil. Le mystère de l’interprète

Voor zijn 88ste verjaardag (11 oktober 2024) huurde hij twee bioscoopzalen af (Cinema De Vlugt in Amsterdam-West en De Pletterij in Haarlem) om zijn vrienden, kennissen en belangstellenden te laten kijken (en luisteren) naar de documentaire die in 2017 over haar leven is gemaakt: Clara Haskil. Le mystère de l’interprète. Na afloop gaf hij een toelichting, zoals in De Pletterij in Haarlem.[13] Op de 65ste verjaardag van haar sterfdag, 7 december 2025, hield Heg een inleiding van een uur over Haskil in de uitverkochte grote zaal van het debatcentrum De Balie in Amsterdam, gevolgd door de vertoning van de documentaire.[72] Op 8, 11 en 13 december dat jaar was de documentaire nogmaals te zien in De Balie.

Kritiek en lof

Recensenten zijn zelden geliefd bij kunstenaars, tenzij ze altijd prijzen, en dat is niet de stijl van Heg. In recensies kan hij enthousiast zijn, maar ook vilein negatief, zoals Peter Schat, Hans Kox en vele anderen hebben ervaren. Hem is ook verweten, onder anderen door Willem Jan Otten in Vrij Nederland[73], dat hij iets te makkelijk nieuwe muziektrends omarmt.[noot 10] Zijn protegé Lavinia Meijer is in haar levensverhaal Vleugels van papier vol lof over Heg (‘intelligent’, ‘warmhartig’ en ‘betrokken') maar noemt hem ook een ‘doordrammer’ en ‘eigenwijs’.

NRC -columnist G.L. van Lennep (1930) schreef in 1974 ironisch over Heg in Maatstaf: ‘Hans Heg kunnen we - sinds hij doof is - schetsen als de Bum Verbiezen[noot 11] van de muziekwereld. Het is een echte oud-verslaggever. Als er ergens een ongeluk gebeurd is, komt hij het recenseren. Hij is ook de enige die op 21 februari zowel de Kleine Zaal, de Grote Zaal, de Doelen en Tivoli kan verslaan.’[74] De componist Peter Schat noemde Heg 'een braakmiddel' en typeerde hem als ‘een Zeeuwse boterbabbelaar - lekker om op te zuigen maar rot voor je tanden’.[75]

Positieve geluiden zijn er ook. In een interview met Frits Abrahams in Vrij Nederland[76] van 16 juni 1984 noemt Willem Nijholt Heg ‘een hele goeie’.[noot 12] De dirigent Edo de Waart zegt in het dagblad Trouw[77] van 28 februari 1986 op de vraag of de kunstredacties zo diep zijn gezonken: ‘Toen Hans Reichenfeld nog leefde, deugde de kunstredactie van Het Handelsblad, zoals ook de Volkskrant ermee doorkon toen Hans Heg daar nog vast muziekredacteur was.’ En volgens NOS-presentator Hans Smit is Heg in Nederland ‘zonder overdrijving het muzikale geheugen van de 20ste eeuw’, die ‘nog steeds de internationale podia afstruint en alle grote musici en componisten heeft gezien, gehoord, gesproken en besproken’.[78]

Nevenfuncties

Heg was onder meer lid van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst[79], de jury van de Matthijs Vermeulenprijs[80], de jury van de Klassieke Edisons (in 1990[81] en 1994[82]) en de internationale jury van het muziekfestival Toonzetters (in 2008).

Lijst documentaires

Bibliografie

Boeken

Artikelen (selectie)

Honderden artikelen in de dagbladen Nieuwe Rotterdamsche Courant, het Algemeen Handelsblad, NRC Handelsblad, en de Volkskrant; en in de tijdschriften Klassieke Zaken (columns)[96], Luister en De Nieuwe Muze. En verder:

  • Hans Heg, ‘Otto Klemperer’, in: Vrij Nederland, 21 juli 1973.[97]
  • Hans Heg, ‘Azember sohasem érkezik túl késö Hans Heg beszélgetése Kurtág’ (Een man komt nooit te laat. Hans Heg in gesprek met György Kurtág, in: Muzsika 39 (1996), p. 12-15.[98]
  • Hans Heg, ‘Hommage aan Clara Haskil’, in: De Nieuwe Muze, nummer 2 (2025), p. 44-44.[99]

Teksten bij lp’s, cd’s en concerten

Archieven

Persoonlijk

Hij is de zoon van Rudolf Heg (1879-1960), directeur van Nederlands grootste transportonderneming, de samengevoegde transportbedrijven de Algemeene Transport Onderneming en Van Gend & Loos in Utrecht, en diens tweede echtgenote Jo Perquin (1909-2005). Zijn vader was al 57 jaar oud toen zijn zoon Hans werd geboren.

Omdat hij vaak met haar optrok en ze samen concerten en culturele evenementen in de hoofdstad bezochten, dachten sommigen ten onrechte dat hij was getrouwd met Riet Lina (1938-2020), de rechterhand van de achtereenvolgende hoofdredacteuren van de Volkskrant, Jan van der Pluijm (1964-1982), Harry Lockefeer (1982-1995) en Pieter Broertjes (1995-2010).[109][110]

Trivia

De links georiënteerde Heg speelde regelmatig tennis met VVD-coryfee Frits Bolkestein, zo meldt de laatste in een dagboeknotitie van 1 juni 1998.[111]

Zondag 6 mei 2001 vertelde hij anderhalf uur lang over zijn liefde voor muziek in het wekelijkse VARA-radioprogramma Kopstukken op Radio 4.[112]

Op 26 mei 2002 verscheen Heg in het televisieprogramma Harde Noten, uitgezonden op Nederland 1. In deze muziekquiz streed hij met ‘captain’ Roberta Alexander, de Amerikaanse sopraan, tevergeefs tegen dirigent Jan Willem de Vriend en contrabassist Guibert Vrijens, van het Concertgebouworkest.[113]

Ter gelegenheid van Hegs zeventigste verjaardag in 2006 componeerde Carlos Micháns (1950) in opdracht van Harry Otten het driedelige kamermuziekstuk Visions tantriques 'pour harpe et quatuor de saxophones' dat is opgedragen aan Lavinia Meijer en het Aurelia Saxofoon Kwartet.[114][115]

Zie ook