Grand National Films

Grand National Films, Inc.
Locatie
Land van hoofdzetel Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Hoofdkantoor Los Angeles
Industrie en producten
Industrie(ën) Film
Status en tijdlijn
Oprichting 1936
Opheffing 1939
Oorzaak einde Faillissement
Bedrijfsstructuur
Rechtsvorm kapitaalvennootschapBewerken op Wikidata
Oprichter(s) Edward L. Alperson
Portaal  Portaalicoon   Economie

Grand National Films (of Grand National Pictures, Grand National Productions en Grand National Film Distributing Co.) was een Amerikaans filmproductie- en distributiebedrijf dat van 1936 tot 1939 actief was. Grand National behoorde tot de zogenaamde Poverty Row-studio's, een groep van onafhankelijke bedrijven die voornamelijk B-films uitbrachten.

Geschiedenis

Grand National werd in het voorjaar van 1936 opgericht door Edward L. Alperson op basis van First Division Pictures, waar hij in de raad van bestuur zetelde. Wat United Artists was voor grote onafhankelijke producenten, was First Division voor lowbudgetproducenten: een handig distributiekanaal voor individuele films die succesvol waren binnen de eigen markt.[1] De speelfilms, meestal geproduceerd door Mayfair Pictures, Willis Kent of Bernard B. Ray, waren verdeeld in westerns, mysteryfilms, melodrama's en actiefilms.

In april 1936 nam Alperson de distributiekanalen, de bestaande productlijn en de contracten van First Division over. De naam First Division was synoniem geworden voor lowbudgetproducties, dus hernoemde Alperson het bedrijf tot Grand National Film Distributing Company, met als doel hoogwaardigere films uit te brengen voor onafhankelijke bioscoopzalen, net als mede-start-up Republic Pictures. Tegen de zomer was hij begonnen aan het uitbouwen van een productie-eenheid in Californië, Grand National Productions, die de productiefaciliteiten deelde met het comedy-kortfilmbedrijf Educational Pictures. In oktober had hij zijn eerste eigen films klaar voor release.

Producent Edward Finney, die via Grand National zijn films uitbracht, bezorgde het nieuwe bedrijf zijn eerste sterattractie: de zingende cowboy Tex Ritter.[2] De studio produceerde vervolgens nog meer westerns met de gevestigde actiefilmster Ken Maynard, en twee korte series met nieuwkomers: de zingende cowboy Tex Fletcher en de zingende cowgirl Dorothy Page.[2] Naast westerns was comedyregisseur Charles Lamont misschien wel het meest consistente talent. Producent George Hirliman maakte een aantal speelfilms in een tweekleurendruk die hij "Hirlicolor" noemde, vergelijkbaar met Cinecolor.[3] Hirliman produceerde ook een serie van vier films met zijn vrouw Eleanor Hunt en Conrad Nagel als federale agenten Reynolds en O'Connor. Rod LaRocque, een ster uit het stommefilmtijdperk, verscheen in een aantal mysteryfilms als het populaire fictie- en radiopersonage The Shadow. Producent Franklyn Warner maakte in 1938-39 vier goed ontvangen speelfilms voor Grand National (onder de naam "Fine Arts Pictures").

De studio had een distributieovereenkomst in het buitenland met Associated British Pictures Corporation en kocht de rechten op een Britse film van Boris Karloff, Juggernaut (uitgebracht door Grand National in 1937).

In 1936 slaagde Grand National erin James Cagney te contracteren, nadat hij ruzie had gekregen met zijn thuisstudio Warner Bros.[1] Na de productie van Great Guy voor Grand National kreeg Cagney een gangsterverhaal aangeboden, Angels with Dirty Faces. Cagney maakte zich zorgen dat hij getypecast zou worden als gangster, zoals bij Warner Bros. het geval was geweest. Daarom koos hij in plaats daarvan voor een musicalsatire op Hollywood genaamd Something to Sing About, geregisseerd door Victor Schertzinger. De naam Cagney was een enorme aanwinst voor Grand National en het bedrijf investeerde veel meer geld dan normaal in zijn Cagney-films, in de verwachting ze een succes aan de kassa zouden worden. Ondanks Cagney's aanwezigheid maakte echter geen van beide films winst. De Cagney-films waren simpelweg te duur voor de beoogde markt. De klantenkring van Grand National bestond uit kleine onafhankelijke buurtbioscopen die gewend waren om goedkope lowbudgetfilms af te huren. Grand National kon zijn investering dus niet terugverdienen, een belangrijke factor in de dreigende ondergang van het bedrijf.[1] De eigendomsrechten op Angels with Dirty Faces gingen naar Warner Bros., net als Cagney zelf.

In 1938 bundelde filmdirecteur Earle W. Hammons, baas van Educational, zijn krachten met Grand National in een poging beide bedrijven uit te breiden.[4] De poging mislukte echter en Grand National ging in 1939 failliet.[1] De voltooide maar niet uitgebrachte films werden verkocht aan Universal Pictures, Columbia Pictures en RKO Radio Pictures. De filmbibliotheek van Grand National werd verdeeld over heruitgavedistributeurs, voornamelijk Screencraft Pictures en Astor Pictures. De filmstudio van Grand National werd overgenomen door Producers Releasing Corporation (PRC).[2]

Films (selectie)