Genetische geschiedenis van Afrika

Vroege verspreiding van mitochondriaal DNA

De genetische geschiedenis van Afrika vat de genetische samenstelling en bevolkingsgeschiedenis van Afrika samen, samengesteld uit de algehele archeogenetica, inclusief de regionale genetische geschiedenis van Noord-Afrika, West-Afrika, Oost-Afrika, Centraal-Afrika en Zuidelijk Afrika, evenals de recente oorsprong van de moderne mens in Afrika.

De Sahara diende als een transregionale doorgang en woonplaats voor mensen in Afrika tijdens verschillende vochtige fasen en periodes in de geschiedenis van Afrika. Het diende ook als een biologische barrière die de genstroom tussen de noordelijke en centrale delen van Afrika beperkte sinds de woestijnvorming, wat bijdroeg aan de diverse en verschillende bevolkingsstructuren op het continent. Niettemin verhinderde dit niet het contact tussen volkeren ten noorden en ten zuiden van de Sahara op verschillende punten, vooral in prehistorische tijden toen de klimaatomstandigheden warmer en natter waren.

Het fylogenetische model laat drie belangrijke radiaties binnen Afrika zien: een fase vroeg in de geschiedenis van de moderne mens, een fase vlak na de migratie uit Afrika die leidde tot het ontstaan van niet-Afrikanen, en een fase in de afgelopen millennia. De huidige West-Afrikanen en sommige Oost-Afrikanen hebben, evenals de Zuidelijk Afrikaanse jagers-verzamelaars, nog steeds afkomst uit de eerste fase, die daarmee nog steeds vertegenwoordigd is in het grootste deel van de menselijke diversiteit in Afrika.

Er kunnen vier genetisch, etnisch, taalkundig en nu ook archeologisch duidelijk verschillende Afrikaanse populaties worden onderscheiden op basis van de L0 mutatie in het mtDNA van het menselijke genoom.

Basale West-Afrikanen

Zie Basale West-Afrikanen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De basale West-Afrikanen zijn een hypothetische afstammingslijn (spookpopulatie) waarvan sporen terug te vinden zijn in verschillende moderne West-Afrkaanse volkeren. Basale West-Afrikanen kunnen de groep zijn geweest die zich het vroegst van moderne mensen (Homo sapiens) heeft afgesplitst, zelfs vóór 300.000 tot 200.000 BP, toen de voorouders van de moderne Khoisan zich afsplitsten van andere moderne mensen.

Zuidelijk Afrikaanse jagers-verzamelaars

Zie Khoisan (volk) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Zuidelijk Afrikaanse jagers-verzamelaars (L1 = mtDNA, M91 = Y-chromosoom (chr) Haplogroep A genomen) leidden tot de evolutie van de moderne Khoisan (San en Khoikhoi) en deels de Hadzabe van Tanzania.

Volgens sommigen heeft deze groep veel kenmerken van de vroege moderne mens bewaard die niet meer bij andere populaties voorkomen. Zo zijn de klikgeluiden van de Khoisanvolkeren uniek (ze hebben meer dan 130 taalklanken tegenover 40 taalklanken in het Engels) en ook verder hebben ze eigenschappen die bij andere menselijke populaties verloren zijn gegaan. Deze groep kan afstammen van populaties die veel lijken op de vondsten bij de Border Cave, de Klassiesrivier en de Lion Cave in zuidelijk Afrika waar een lang bestaande Middle Stone Age-technologie wijst op een variatie in de voeding die kenmerkend is voor Homo sapiens en op het bestaan van handel in goederen met naburige groepen. De dominante technologie van dit gebied is het Sangoan genoemd naar de typesite bij de Sangobaai in Oeganda. De Sangoantechnologie was in gebruik van 120.000 tot 10.000 BP. De Blombosgrot, opgegraven tussen 1997 en 2000, moet dateren van vóór 70.000 BP, maar was een typisch Middle Stone Age-culturele assemblage die mogelijk verwant is aan de naburige Stilbaai-assemblages. Aangetroffen werden een verzameling van benen gereedschappen, nauwkeurig gemaakte tweezijdig bewerkte stenen punten, stukken oker waarin volgens een duidelijk ontwerp gegraveerd is, een gegraveerd botfragment en bewijzen voor 'moderne' middelen van bestaan zoals vissen, die kenmerkend zijn voor laatpaleolothische culturen vanaf 40.000 BP. Een gegraveerde kerfstok van 77.000 BP is het eerste geboekstaafde bewijs dat mensen systematisch telden.

Soedanvolken

De West-Afrikaanse genomen van de Niger-Congotalen en Nilo-Saharaanse talen (mtDNA = L2 (59-78.000 BP), Y chr. = M60; begon 50 – 60.000 BP) leidden tot de West-Afrikaanse populaties van de Ivoorkust en Slavenkust en de moderne Bantoevolken. Deze groep voerde culturele innovaties door die pasten bij het leven in het regenwoud en bosgebied. De aanpassing aan deze ecologische gebieden was 90.000 BP duidelijk al vergevorderd, met de uitvinding van de Katandaharpoen, die leidde tot de ontwikkeling van de Semlikiharpoencultuur.

Zie ook: Bantoe-expansie

Centraal- en West-Afrikaanse jagers-verzamelaars

Zie West-Afrikaanse jagers-verzamelaars voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De genomen van de volkeren van de Mbuti en Bayakapygmeeën uit het Ituri en andere regenwoud van de Kongo hebben ook het M60 Y-chr. Em L2-mtDNA leidden tot de evolutie van de kleinere groepen die in de regenwouden van de Kongo overleven. Deze groep boog waarschijnlijk al vroeg af van de West-Afrikaanse genomen omdat de twee groepen nogal wat overeenkomstige kenmerken hebben. Hoewel de pygmeeën maar een klein percentage van de totale bevolking van Afrika vormen, neemt L2, dat alleen in Afrika voorkomt, wel een derde van de totale bevolking van dat continent voor zijn rekening. In het bosland en de regenwouden zijn weinig fossielen gevonden, wat deels te wijten is aan de zure grond en de ongunstige omstandigheden voor fossilisatie.

Oost-Afrikanen

De Ethiopische mtDNA L3-genomen van de itisch sprekende mensen (overwegend afgeleid van de haplogroepen M en N, ongeveer 80.000 BP ontstaan) van deze groep splitsten waarschijnlijk alle andere Koesjitische volkeren zich af. Y-chr. M168 (gedateerd 30-79.000 BP), die voor het eerst in deze groep verscheen, komt ook voor in Jemen en Zuid-Arabië en is daarmee een aanwijzing voor de eerste golf uit Afrika. L3 kan afkomstig zijn van groepen mensen die lijken op de vondsten bij Ngaloba en Laetoli die gedateerd zijn op 120.000 BP. Deze groep had waarschijnlijk meer gemeen met de Khoisanvolkeren dan met de West-Afrikanen en de Mbutipygmeeën van de L2-lijnen. Schelpenhopen aan de Zulagolf van Eritrea duiden op het belang van schaaldieren.