Comité tot de Zaken van de Marine

De Bataafse vloot in 1797.

Het Comité tot de Zaken van de Marine was tussen 27 februari 1795 en 1 februari 1798 het centrale bestuursorgaan van de Nederlandse marine. De 21 leden werden door de Staten-Generaal, en later door de Nationale Vergadering, zonder onderscheid uit de gehele Bataafse Republiek benoemd. Zeven leden hielden zich bezig met de scheepsbouw, equipage en directie van de zeemacht, zeven met financiën en zeven met de convooien en licenten. Als compromis werden de vijf admiraliteiten van de oude Republiek der Verenigde Nederlanden niet afgeschaft maar als departementen onder het Comité geplaatst. Zij werden ieder geleid door twee commissarissen-directeur vanuit het Comité. Ook het loodswezen werd voortaan bij de marine ondergebracht.[1]

Geschiedenis

De Slag bij de Doggersbank in 1781.

Hervormingsvoorstellen voor de marine

In de jaren ‘80 van de 18e eeuw nam vooral van de kant van de patriotten de kritiek op de Nederlandse zeemacht steeds meer toe. De prestaties in de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog waren ver achtergebleven bij die in de 17e eeuw en de decentrale organisatie met vijf admiraliteiten was achterhaald en inefficiënt. De vloot was verwaarloosd als gevolg van de neutraliteitspolitiek en de focus op de koopvaardij. Hervormingsvoorstellen van vlagofficieren en diverse bestuurders aan de Staten-Generaal hadden weinig effect.

Het in 1795 ingestelde Comité tot de Zaken van de Marine had een voorloper in de in 1782 door de advocaat-fiscaal van de Admiraliteit van Amsterdam Joan Cornelis van der Hoop opgerichte Geheime Raad der Marinezaken, bedoeld om de stadhouder en prins Willem V in zijn rol van admiraal-generaal te ondersteunen.[2] De vijf leden waren Van der Hoop, de advocaat-generaal van de Admiraliteit van de Maze Dirk Bisdom, en de vlagofficieren Johan Zoutman, Jan Hendrik van Kinsbergen en Pieter Hendrik Reynst. In 1785 werd Bisdom opgevolgd door Pieter Paulus. Dat jaar stelden de Staten-Generaal ook een uitgebreidere Personele Commissie tot het Defensiewezen in. In 1786 kwam Paulus met voorstellen tot hervorming van de marineorganisatie, waarin een ‘generaal college van admiraliteit’ gevormd zou moeten worden waaraan de stadhouder als admiraal-generaal leiding moest geven. Bijgestaan door adviseurs zou dit college verdere hervormingen door moeten voeren. De admiraliteiten stelden zich echter op tegen dit centralisatieplan en hun eigen opheffing. Zij werden daarin gesteund door Van der Hoop en andere leden van de commissie, waarna Paulus er in april 1787 de brui aan gaf.[3]

Het Comité ingesteld

Pieter Paulus.

Nadat de revolutie van 1787 in eerste instantie gesmoord was door het leger van Pruisen kwamen de patriotten in 1795 dankzij het revolutionaire leger van Frankrijk alsnog aan de macht, en riepen zij de Bataafse Republiek uit. Zoals andere gevluchte patriotten keerde ook Pieter Paulus terug uit Parijs en werd lid van de Staten-Generaal. Hij wist die te overtuigen van de noodzaak de marine alsnog te hervormen. Op 27 februari werden de vijf admiraliteiten, de functie van admiraal-generaal en het hele korps marineofficieren opgeheven (de zogeheten cassatie) en vervangen door het Comité tot de Zaken van de Marine, met Paulus als voorzitter. Het was een van de vier uitvoerende comités die kort na elkaar werden ingesteld. De andere waren het West-Indische en het Oost-Indische Comité, die de directies van de beide genationaliseerde compagnieën vervingen, en het Comité te Lande, dat de afgeschafte Raad van State verving.[4][5]

Het idee van cassatie en opnieuw solliciteren had Paulus in Frankrijk opgedaan, waar het Comité de Salut Public dat ook had gedaan. De marineofficieren konden allen opnieuw solliciteren bij de nieuwe organisatie en dan de eed niet afleggen aan de stadhouder en de Staten-Generaal maar aan het volk van Nederland. Zo kon hun loyaliteit worden vastgesteld en kon de op patronage en willekeur gebaseerde oude organisatie op een rationelere manier worden ingericht. De veelal orangistische oudere officieren met voldoende financiële middelen beschouwden dit als hun ontslag en/of besloten de verdere ontwikkelingen af te wachten. Ervaren officieren als Van Kinsbergen, Willem van Braam en Jacob Pieter van Braam, Lodewijk en Frederik Sigismund van Bylandt en andere ervaren marineofficieren gingen zo voor de dienst verloren. Veel luitenants solliciteerden wel. Zij waren vaker patriotsgezind en konden mogelijkerwijs een sprong in hun carrière maken.[6]

Het Comité in actie

De Slag bij Camperduin in 1797.

Het Comité maakte een begin met het sluiten van veel scheepswerven, havenfaciliteiten, pakhuizen en andere gebouwen, waarvan alles in vijfvoud bestond, maar dat stuitte vanwege het verlies van werkgelegenheid op veel weerstand, zodat het erg langzaam ging. Opperbevelhebber van de zeestrijdkrachten werd de patriot en viceadmiraal Jan Willem de Winter. Hij was ook verantwoordelijk voor het lastige probleem van de plaatsing van sollicitanten en hun rangorde. De reorganisatie en het herstel van de vloot werden ambitieus aangepakt, maar werden bemoeilijkt door gebrek aan geld, hout en mensen, en aan de eis van de Franse ‘bondgenoot’ om zo snel mogelijk zeven oorlogsschepen met uitrusting en bemanning aan de Franse vloot te leveren.

In maart 1796 overleed Paulus aan een longontsteking en werd hij opgevolgd door Gerrit Jan Jacobson. Hij was minder bekend met het marinekorps dan Paulus en vanwege het gebrek aan ervaren officieren werden er tegen de zin van De Winter veel mensen aangenomen die bekendstonden als aanhangers van het oude bewind. Ook de werving van scheepsvolk was voor het Comité net zo moeilijk als onder de oude Republiek, ondanks een beroep op vaderlandsliefde, revolutionair idealisme en de belofte op een moderne, humane behandeling: ‘Meent niet dat gij thans meer beschouwd wordt als een hoop deugnieten, gedoemd om op de oorlogsschepen als op gevangenhuizen te varen’.[7]

De Bataafse vloot was echter, evenals de Franse, niet opgewassen tegen de Britse, die havens blokkeerde, koopvaarders kaapte en VOC-bezittingen overnam op grond van de brieven van Kew geschreven door de naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V. In februari 1796 vertrokken toch twee eskaders naar Oost- en West-Indië, waarvan de bemanningen echter deels patriotse/pro-Franse en deels orangistische/pro-Britse sympathieën hadden. Slechts één schip zou terugkeren, wat een groot verlies betekende aan schepen, officieren, soldaten en matrozen. Het hele eskader voor Oost-Indië onder Engelbert Lucas gaf zich in augustus in de Saldanhabaai bij de Kaap de Goede Hoop zonder meer aan de Britten over.

Het einde van het Comité

De Slag bij Camperduin.

Het was vooral Jacobsons opvolger Henricus Aeneae die de steeds feller wordende kritiek vanuit de Nationale Vergadering en de Bataafse kranten moest ondergaan, en eind 1796 was het politieke krediet van het Comité ondanks de doorgevoerde hervormingen volledig verspeeld. Het werd toen onder controle gesteld van de Commissie voor Buitenlandse Zaken van de Nationale Vergadering.[8] In oktober 1797 volgde de rampzalige Zeeslag bij Camperduin, toen De Winter werd opgedragen met de veel te zwakke Bataafse vloot de Britse blokkadevloot onder admiraal Adam Duncan aan te vallen. Na deze nederlaag moest de Commissie voor Buitenlandse Zaken zich in de Nationale Vergadering verantwoorden en werd er een onderzoek ingesteld naar de competentie van de leden van het Comité tot de zaken van de Marine. Tijdens dat onderzoek vond de staatsgreep van januari 1798 plaats en werd het Comité opgeheven.[9] Onder het nieuwe bewind werd een aantal agentschappen ingesteld, waaronder de Agent van Marine onder leiding van Jacob Spoors.