Willem van Braam (admiraal)
| Willem van Braam | ||
|---|---|---|
![]() | ||
Willem van Braam met zijn gouden Doggersbank-medaille en -sabel en zijn schip de Piet Hein. | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboortedatum | 10 november 1732 | |
| Overlijdensdatum | 21 februari 1807 | |
| Werk | ||
| Beroep | marineofficier,[1] kapitein,[1] admiraal[1] | |
| De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata. U kunt die informatie bewerken. | ||
Willem van Braam (Werkhoven, 10 november 1732 – Loenen, 21 februari 1807) was een Nederlandse admiraal. Hij nam onder andere deel aan de Slag bij de Doggersbank in 1781 en leidde marine-eskaders op de Noordzee en de Middellandse Zee.
Bij de Admiraliteit
Willem van Braam werd op 19 oktober 1732 geboren uit het eerste huwelijk van de schout van het stadje Werkhoven Frans Thomas van Braam met Maria Helena van Rijssel. Zijn moeder stierf in februari 1734, waarna zijn vader een jaar later hertrouwde met Everharda Catharina van Nimwegen. Al op 12 jarige leeftijd ging hij naar zee als adelborst op het fregat Raaf van de Admiraliteit van Amsterdam. De kapitein, Dirk Wolter van Nimwegen, was een broer van zijn moeder. Hij bezocht de in 1747 door stadhouder Willem IV opgerichte eerste zeevaartschool in Amsterdam, destijds Zeemanscollege genoemd, en in 1748 werd hij bevorderd tot luitenant.[2] Ook zijn vijf jaar jongere halfbroer Jacob Pieter van Braam trad dat jaar als adelborst in dienst van de Admiraliteit. Willem nam deel aan het konvooieren van koopvaarders naar West-Indië en op de Middellandse Zee, waar ook gekruist werd op Barbarijse zeerovers. Deze routinetaken waren de enige activiteiten van de Admiraliteiten, aangezien de Republiek lange tijd buiten gewapende internationale conflicten wist te blijven. Oorlog of dreiging daarvan was er alleen met één of meerdere van de staten Marokko, Algiers, Tunis en Tripoli, maar na de vrede met Marokko in 1752 was ook daar geen actie te beleven.[3]
In dienst van de VOC

In 1753 trad Van Braam als tweede luitenant tijdelijk in dienst van de VOC-Kamer Amsterdam en reisde eind oktober met het nieuwe schip Ruiteveld naar Batavia, waar hij in mei 1754 aankwam. In oktober reisde hij weer terug op de Keukenhof, het vlaggenschip van de retourvloot met haar commandeur Jochem Outjes. Na terugkomst in mei 1755 werd hij het volgende jaar bij de Admiraliteit bevorderd tot commandeur[4] en hield hij zich bezig met het jaarlijks konvooieren van de terugkerende retourschepen van de VOC. In oktober 1761 vertrok hij weer in dienst van de VOC, nu als schipper van de Oudkarspel, terwijl hij door de Admiraliteit intussen werd bevorderd in de rang van extra-ordinaris kapitein-ter-zee.[5] In mei 1763 kwam hij op de Oudkarspel weer terug. Ditmaal was hij zelf commandeur van de retourvloot.[6] Na bij de Heren XVII en de Staten-Generaal verslag van de reis te hebben uitgebracht werd hij vereerd met de gebruikelijke gouden ketting met penning, een traditie die terugging tot het begin van de 17e eeuw. Op 27 november van dat jaar trouwde hij in Amsterdam met de 19-jarige Suzanna Agneta Binkes, dochter van de kapitein-ter-zee en latere schout-bij-nacht Jan Binkes. Zij zouden een zoon en twee dochters krijgen. Van eind 1764 tot juli 1766 ging hij voor de derde keer als schipper voor de VOC naar Batavia, ditmaal op de Vredenhof, en kwam via Kanton (het huidige Guangzhou) met dat schip weer terug.[7] In mei 1767 ging hij voor de laatste keer, op de Overnes,[8] en kwam op 8 mei 1770 op de Pallas van de VOC-Kamer Zeeland terug. De Pallas was de eerste driedekker, een nieuw type schip, waarvan er in Middelburg 12 gebouwd werden.
Terug bij de Admiraliteit
Vanaf 1771 voer hij weer voor de Admiraliteit. Na nog weer diverse missies op de Noordzee en de Middellandse Zee nam hij in 1778-1779 deel aan een eskader van 8 schepen naar West-Indië onder de schout-bij-nacht Lodewijk van Bylandt. Hij was kapitein van een van de twee kleinere schepen met 26 kanonnen; de Alarm. Het doel was het beschermen van handelsschepen tegen Britse piraten, die hen hinderden of zelfs in beslag namen om te voorkomen dat ze handel zouden drijven met de Amerikaanse rebellen. Van Bylandt had speciale instructies om overal duidelijk te maken dat hij alleen kwam om te konvooieren en niet om oorlog te voeren. Ongelukkigerwijs ging het fregat Alphen verloren toen het in de haven van Curaçao door een onbekende oorzaak in de lucht vloog. Het grootste deel van de bemanning kwam daarbij om het leven.[9]
De Slag bij de Doggersbank
%252C_RP-P-OB-85.153.jpg)

Op 20 december 1780 brak na een Britse oorlogsverklaring toch de Vierde Engels-Nederlandse oorlog uit, na een ononderbroken alliantie vanaf 1689. Willem van Braam was toen kapitein van de Admiraal Piet Hein, een schip met 54 kanonnen. Hij maakte met dat schip in augustus 1781 deel uit van een eskader onder schout-bij-nacht Johan Zoutman dat 71 Nederlandse koopvaarders op weg naar de Oostzee konvooieerde. Op 5 augustus kruiste de vloot op de Noordzee het pad van een Britse vloot van meer dan 200 koopvaarders op de terugweg van de Oostzee naar Engeland. Ze werden begeleid door 14 oorlogsschepen en nog wat kleine vaartuigen onder bevel van admiraal Hyde Parker. De ontmoeting leidde tot de Slag bij de Doggersbank.

Twee eskaders van ieder 7 schepen stelden zich in gesloten linie tegenover elkaar op en beschoten elkaar drieënhalf uur met kanonskogels. De Britten waren veel zwaarder bewapend maar trokken zich als eerste terug, met 104 doden en honderden gewonden. Aan Nederlandse kant vielen 150 doden en het schip Holland was zo zwaar beschadigd dat het later zonk. De Nederlandse koopvaarders konden veilig hun thuishavens weer opzoeken maar konden niet meer uitvaren. De Britse koopvaarders voeren verder naar huis. De Piet Hein had in de op een na laatste positie gelegen, achter Zoutmans vlaggenschip Admiraal de Ruyter en voor de Holland van Salomon Dedel. Tegenover zich trof Van Braam vooral de Princess Amelia. Beide schepen kwamen zwaar gehavend uit de strijd en de Britse kapitein John MacCartney sneuvelde. De Piet Hein telde 10 doden en meer dan 50 gewonden. Van Braam wist de behoorlijk lek geschoten Piet Hein behouden terug te brengen naar Texel, waar het aangeslagen eskader pas acht dagen na de zeeslag aankwam.[10] De slag werd in de Republiek als een overwinning beschouwd omdat de Britten waren vertrokken en niet meer terugkwamen, ondanks dat de Nederlanders nog een half uur op hen bleven wachten.
Op 18 augustus bevorderde stadhouder Willem V Zoutman tot viceadmiraal. De vier oudste kapiteins, Jan Hendrik van Kinsbergen, Salomon Dedel, de gesneuvelde Wolter Jan Bentinck (postuum) en Willem van Braam werden bevorderd tot extra-ordinaris schout-bij-nacht. Alle deelnemers kregen de Doggersbank-medaille uitgereikt en twee maanden extra soldij. Het regende verder onderscheidingen aan alle officieren. Dedel had zijn zesjarig zoontje als adelborst meegenomen aan boord en ook hij kreeg een gedenkpenning. De kapiteins kregen daarnaast nog een Doggersbank-sabel. Zoutman, Van Kinsbergen en Van Braam ontvingen van Willem V hun Doggersbank-medaille tijdens een plechtige ceremonie op 30 november in Huis ten Bosch. De vele onderscheidingen en promoties verstoorden wel de bestaande rangorde en eensgezindheid onder de marineofficieren van de diverse Admiraliteiten.
Oorlog
%252C_RP-P-OB-85.186.jpg)
Van Braam kreeg in september 1781 het bevel over een eskader met de opdracht Oostzeevaarders en Oostindiëvaarders vanuit Texel te begeleiden. Van Kinsbergen en Dedel hadden ruzie gekregen en gunden elkaar het commando niet, zodat Van Braam ermee vandoor ging. Hij moest echter al spoedig met alle schepen weer terugkeren toen er elf Britse oorlogsschepen bij Egmond waren gesignaleerd en het seizoen voor een tocht naar het noorden te ver gevorderd was.[11] In het verdere verloop van de oorlog hadden de Nederlanders niet veel in te brengen. De vloot was verwaarloosd als gevolg van de jarenlange neutraliteitspolitiek. Amper zestig fregatten en oorlogsschepen waren beschikbaar, vaak oud en in slechte staat verkerend.[12] Zowel de koopvaarders als de oorlogsschepen zaten daarom vaak opgesloten in de havens als er sterkere Britse eskaders in de buurt waren. Toen de Britse vloot in de zomer van 1782 korte tijd de Noordzee verliet om een Spaans-Franse vloot te bestrijden lukte het toch om het konvooi koopvaarders naar de Oostzee te brengen en enkele Oostindiëvaarders op te halen uit Trondheim.[13] Een plan om de Nederlandse vloot met de Franse vloot bij Brest te verenigen werd begin oktober 1782 eensgezind afgeblazen door de vlagofficieren,[14] in strijd met de opdracht van de Staten-Generaal. Volgens de officieren was ook de gecombineerde Nederlandse en Franse vloot niet sterk genoeg om de Britse vloot te verslaan. Bovendien waren de meeste officieren niet bepaald pro-Frans, en verdachten ze de Fransen ervan de Nederlandse vloot op den duur te willen inpalmen. Deze zogeheten Brest-affaire zorgde voor grote opschudding in het land en een felle pamflettenstrijd. Commissies die het falen van de vloot onderzochten losten niets op maar vergrootten de politieke spanningen.[12] Dit was de tijd van de opkomst van de Patriotten, die niet alleen democratisering wilden van het regenteske ancien régime van de Republiek maar ook herstel van de in verval geraakte marine en van het internationale aanzien dat de Republiek in de Gouden Eeuw had genoten. De kritiek richtte zich vooral op Willem V in zijn functie van stadhouder en admiraal-generaal van de marine.
Vrede

In januari 1783 werd een wapenstilstand getekend die in de praktijk het einde van de oorlog betekende.[15] Viceadmiraal Pieter Hendrik Reynst werd in december vanwege het hoog nodige vlagvertoon met acht schepen naar de Middellandse Zee gestuurd om daar te kruisen tegen zeerovers, met Van Braam als schout-bij-nacht op de Admiraal de Ruiter. De tocht was geen succes. Na op 20 januari nog in vol ornaat op de rede van Malaga gelegen te hebben voor de viering van de verjaardag van koning Karel III van Spanje raakten de schepen in de nacht van 2 op 3 februari bij Narbonne in een hevige storm verzeild. Alle schepen werden zwaar gehavend. Van Braams schip verloor alle bovenste delen van de masten. De Drenthe kapseisde en zonk met alle 450 opvarenden. Na herstelwerkzaamheden in Toulon kruiste Van Braam met vier van de schepen nog bij de Azoren om de retourvloot van de VOC op te vangen en naar huis te konvooieren.[16]
De Bataafse Republiek

In het revolutiejaar 1787 hield Van Braam zich zoals de meeste marineofficieren buiten de partijstrijd. De ambities van de Patriotten werden onderdrukt door het leger van Pruisen. In 1789 werd Van Braam bevorderd tot viceadmiraal. In 1791 leidde hij een eskader van 6 schepen dat kruiste in de Middellandse Zee. Daar werd Kapitein Alexander Bols van de Brakel als gezant naar het Marokkaanse hof in Tetuan gezonden om met de nieuw aangetreden koning het bestaande vredesverdrag te vernieuwen. Kapitein Cornelis van Kerchem van de Zeepaard bezocht het hof van Tripoli om bestaande geschillen glad te strijken.[17]
In 1793, ten tijde van de eerste aanvallen op de Republiek door het Franse revolutionaire leger, werd Van Braam bevorderd tot luitenant-admiraal van Holland,[18] de hoogste rang bij de Admiraliteit van Amsterdam. Een rang die hij deelde met Van Kinsbergen en Hendrik Rietvelt. De enige hogere rang, admiraal-generaal, was voorbehouden aan de stadhouder. Toen in 1795 de Patriotten met steun van het Franse leger de Bataafse Republiek uitriepen en Willem V naar Engeland vluchtte werden als onderdeel van de hervormingen de vijf Admiraliteiten verenigd in het centrale Comité tot de Zaken van de Marine, gevestigd in Den Haag. De Britten waren nu weer de vijand. Toch werden op voorstel van de revolutionair Pieter Paulus alle officieren op 17 februari door het nieuwe bewind ontslagen, omdat velen bekend stonden als aanhangers van de stadhouder en het oude bewind.[19] Iedereen kon in principe opnieuw solliciteren en dan de eed niet op de stadhouder maar op het Nederlandse volk afleggen. Zoals veel oudere en prinsgezinde officieren met voldoende financiële middelen verkoos Van Braam met pensioen te gaan en toekomstige ontwikkelingen af te wachten.

Van Braam, inmiddels 62, ging in Amersfoort wonen. Daar overleed eerst zijn vrouw, en de jaren daarna zijn beide dochters. Zijn oudste dochter Margrieta was getrouwd met de kapitein-ter-zee Dirk Hendrik Kolff. Kolff was een van de Orangistische kapiteins die betrokken waren bij het Vlieter-incident in 1799, waarbij een deel van de Bataafse vloot ‘overliep’ naar de Britten op verzoek van Willem V en zijn zoon, de Erfprins. Ook Dirk Hendrik Kolff junior zou later carrière maken bij de marine. Willems broer Jacob Pieter, die het tot viceadmiraal had gebracht, was door de Erfprins gevraagd het bevel te gaan voeren op de over te lopen vloot, maar hij werd in Zwolle teveel in de gaten gehouden door het Bataafse bewind.[20] In juli 1803 stierf ook hij. In augustus stierf in Suriname ook nog Willems naar zijn vader genoemde zoon Frans Thomas, toen luitenant-ter-zee. Willem verhuisde dat jaar naar Loenen.
In 1807 riep koning Lodewijk Napoleon van het Koninkrijk Holland (de opvolger van de Bataafse Republiek) een nieuwe orde in het leven: de Orde der Unie. Ook Willem van Braam werd benoemd tot ridder in die orde, maar hij kon de onderscheiding, zo hij dat wilde, niet meer in ontvangst nemen. Hij was al ziek en stierf op 21 februari 1807 in zijn huis in Loenen, aan 'een langsaam verval van levenskragten'.[21]
- 1 2 3 Catalogus van de Nationale Bibliotheek van Duitsland; geraadpleegd op: 10 juni 2020; GND-identificatiecode: 1011261650.
- ↑ De Jonge, J.C. (1861). De Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen. Deel 4. A.C. Kruseman, p. 291.
- ↑ Bruijn, J.R. (1994). Varend Verleden. De Nederlandse Oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw. Balans, p. 198. ISBN 9050184073.
- ↑ Een commandeur bij de marine was geen kapitein maar mocht het commando voeren op hulp- en transportschepen e.d. Bij de VOC werd de term gebruikt in de zin van bevelhebber.
- ↑ Een ordinaris kapitein had een vast maandsalaris en kreeg bij toerbeurt een schip toegewezen voor periodes van 2 of 3 jaar. Extra-ordinaris kapiteins kregen geen vast maandsalaris en werden bij oproep ingezet. Ze vormden in feite de reserve voor de ordinaris-kapiteins.
- ↑ VOC: Opvarenden, 1699-1794. Nationaal Archief (2025). Geraadpleegd op 3 november 2025.
- ↑ Gegevens VOC-schip Vredenhof (1763). De VOCsite (2025). Geraadpleegd op 3 november 2025.
- ↑ Gegevens VOC-schip Amerongen (1754). De VOCsite (2025). Geraadpleegd op 3 november 2025.
- ↑ De Hoogd, Charlotte, Alphen. MaSS. Stapstenen van maritieme geschiedenis (2025). Geraadpleegd op 3 november 2025.
- ↑ Van der Aa, A.J. (1855). Willem van Braam. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Derde en vierde stuk.
- ↑ De Jonge, J.C. (1861). De Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen. Deel 4. A.C. Kruseman, p. 564.
- 1 2 Bruijn, J.R. (1998). Varend Verleden. De Nederlandse Oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw. Balans, p. 197-199. ISBN 9050184073.
- ↑ Prud'homme van Reine, R.B. (1990). Jan Hendrik van Kinsbergen 1735-1819. Admiraal en filantroop. De Bataafsche Leeuw, p. 156. ISBN 9067072370.
- ↑ Elk van de vijf Admiraliteiten had drie vlagofficieren. In oplopende rang: een schout-bij-nacht, een viceadmiraal en een luitenant-admiraal.
- ↑ Prud'homme van Reine, R.B. (1990). Jan Hendrik van Kinsbergen 1735-1819. Admiraal en filantroop. De Bataafsche Leeuw, p. 158. ISBN 9067072370.
- ↑ Mollema, J.C. (1942). Geschiedenis van Nederland ter Zee, Deel 3. Uitgeverij Joost van den Vondel, p. 331.
- ↑ De Jonge, J.C. (1862). De Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen. Deel 5. A.C. Kruseman, 110, 111.
- ↑ Ottens, Reinier (1794). Het edel mogende Collegie ter Admiraliteit, resideerende binnen Amsterdam, nevens derzelver bediendens en hunne woonplaatsen.. Schouten, Josia Amsterdam.
- ↑ De Jonge, J.C. (1862). De Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen. Deel 5. A.C. Kruseman, p. 208.
- ↑ Colenbrander, Herman (1916). Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840. Martinus Nijhoff, LXII.
- ↑ Mooij, Willem, Juliette Jonker-Duynstee (2000). Een Admiraal in Loenen. Willem van Braam. Vechtkroniek 12
