Clyde R. Lo A Njoe

Clyde R. Lo A Njoe
Clyde R. Lo A Njoe in 2016
Clyde R. Lo A Njoe in 2016
Persoonsgegevens
Geboortedatum 29 augustus 1948
Geboorteplaats Santa Cruz
Geboorteland Vlag van Aruba Aruba
Opleiding en beroep
Beroep Beeldend kunstenaar, schrijver
Werken
Uitgeverij(en) In de Knipscheer
Dbnl-profiel
Website
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Clyde Roël Lo A Njoe[1] (Santa Cruz (Aruba), 29 augustus 1948) is een Nederlands beeldend kunstenaar en schrijver van Arubaans-Surinaamse afkomst. Hij beschouwt het maken van beeldend werk en het schrijven als gelijkwaardige disciplines.[2]

Leven

Clyde R. Lo A Njoe werd geboren te Santa Cruz, Aruba, als derde kind van Surinaamse ouders: een Chinese vader en een mestiezenmoeder wier overgrootmoeder nog slavin was geweest. Hij verliet het eiland op tienjarige leeftijd voor Nederland. Met zijn moeder, Hélène H.J. Brandon, een jonger zusje en een broertje (resp. 8 en 5 jaar), kwam hij in Amsterdam terecht (een oudere broer was hun al voorgegaan naar Nederland, de tweede broer was overleden in Paramaribo). Clyde Lo A Njoe volgde een opleiding tot tekenaar-schilder en woonde en reisde hij in vele landen van Europa en Azië.

Lo A Njoe was in 1988–1989 medeontwerper van het Orakelkunstuurwerk van Holland-Nagasaki Village in Nagasaki, Japan.[3] Ook bij de totstandkoming van het monument van de nieuwe basiliek van de Virgen de Guadalupe, 1989–1990 in het centrum van Mexico-Stad was hij medeontwerper, tevens de schilder van het astrolabium en het contemporaine Aztekencalendarium (objecten met een diameter van 3 meter),[3] In 2008 maakte hij voor het Cirque du Soleil het reliëfschilderij Saltimbanco.[4]

Lo A Njoe werkte als free lance recensent beeldende kunst voor de Brabant Pers.

Werken van Lo A Njoe werden met regelmaat gebruikt als omslagillustratie voor boeken (bijvoorbeeld van Maryse Condé).

Met zijn poëzie trad Lo A Njoe op tijdens de Vlaamse Poëziedagen in Blankenberge (België), tijdens de De Nacht der Narren (de Poëziedagen van Helmond en Venray, 1983) en tijdens Poetry Park in Rotterdam (1984, 1985 en 1986).

Verspreid verscheen zijn werk in de Boekenbijlage van Vrij Nederland (1989)[5] en in het Album van de Caraïbische poëzie (2022).

Literair werk

Poëzie

In zijn debuutbundel Dansen / Baliamentu (1982), poëzie met vertalingen naar het Papiamentu door de Curaçaose dichter Luis Daal[6] en voorzien van Lo A Njoe's eigen illustraties, komen twee werelden samen: hij heeft een (soms zeer kritische) blik op zijn geboorte-eiland Aruba, maar ze zitten vol met geografische aanduidingen van Europa en referenties aan de culturen van Europa. Zo bevat de titel van bijna elk gedicht de naam van een dansvorm, achtereenvolgens tarantella, salsa, gavotte, valeta, sarabande, csárdás, rumba, tango, flamenco, serenade, merengue, polka, menuet, bolero, a capella, paso doble, smartlap en rondo - sommige komen meermaals voor. Het gaat om zelfbespiegelingen van een ik-figuur, die zichzelf positioneert in verschillende situaties, die vaak door geweld worden getekend. Zoals deze versregels uit het eerste gedicht, ‘Voorbereidingen bij een bal’, het verwoorden:

Clyde Roël Lo A Njoe, Ecce homo, 1991. Acryl op paneel.
En de ruimte tolde vol sterren,
maar ik vond de Melkweg in kleuren
waarvoor ik geen namen kende
en voordat deze carrousel door
de dampkring gewenteld werd,
zocht ik mijn evenbeeld in een golf
van rode wijn en valse lach;
vond mezelf vol vragen kijken
achter deze leugens,
bleef ik berusten met mijn mombakkes,
als een incognito voor deze enkele keer,
maar schrok, toen ik mijn eigen ik zag,
die sprankelend door het masker kierde.
En niemand die deze oude façade merkte,
die zo mezelf geworden was.
Met jou draag ik mijn eigen huid,
herkennen jij en ik
wat wij herkennen moeten
en proberen te ontdekken
wie wie is en wie niet.

In de tweede bundel, Echolood van 1989, verwijdt de actieradius zich en ontplooit zich een mondiaal perspectief: Oud-Aziatisch, Latijns-Amerikaans en Westers, in de allesomvattende kringloop van leven en dood. De dichter peilt de diepte en de hoogte van het leven als een echolood.

Muziek is ook belangrijk in zijn derde bundel, Mijn lief mijn leed (2015), waarin opnieuw het zwerven over de wereld uitgangspunt van verbeelding is. De dichter neemt in zijn gedichten verwijzingen en tekstfragmenten op van allerlei muzikanten: Neil Diamond, Édith Piaf, Otis Redding, Leonard Cohen, de Nilson Brothers, Barbra Streisand, Charles Aznavour, Hildegard Knef, Dusty Springfield, Gerry & the Pacemakers, Tom Jones, Willy DeVille, David Summerford, The Kingston Trio, Jimi Hendrix, Mozart, Linda Ronstadt, Frank Sinatra, Pink Floyd, Max Woiski, Ray Charles, Vera Lynn, Richard Tauber en Etta James en van volksmuziek. Al die gedichten tonen verschillende aspecten van liefde. Wim Rutgers schreef over de bundel:

"Clyde Lo-A-Njoe schrijft hermetische en doorgeconstrueerde poëzie waarin de aardse menselijke existentie resoneert. In de eerste bundel kwamen nogal wat aan de Bijbel ontleende beelden voor; de poëzie in deze bundel is weliswaar onaards in die zin dat ze de aarde ontstijgt, maar desondanks volstrekt geseculariseerd."[7]

Proza

Zijn eerste roman, het vuistdikke Parelmoerpoeder verscheen in 2016.[8] Het is een terugblik op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam en de tijd daarrond. Het is een epische vertelling over de anonieme helden van de oorlog. Het eerste exemplaar werd aangeboden aan de in 1922 geboren Leo Wienesen die in de oorlog werkte in de Amsterdamse gaarkeuken en ook in de hongerwinter als anoniem vrijwilliger bleef werken voor de voedselvoorziening. Het boek is opgedragen aan de Antilliaanse verzetshelden George Maduro en Boy Ecury.

In 2018 volgde de tweede roman, Mallura, dat een onderzoek in verhaalvorm naar de dood van de Amerikaanse schrijver en dichter Edgar Allan Poe is. Het is altijd een raadsel gebleven hoe Poe aan zijn einde kwam: was hij drankzuchtig, gebruikte hij de pijnstiller laudanum (opiumtinctuur), bezweek hij aan de cholera of tuberculose? Of is hij beroofd: hij droeg altijd grote hoeveelheden geld bij zich. Twee mannen volgen de sporen die naar zij aannemen het raadsel kunnen oplossen: de plantagehouder Manos Mallura die nog lang met Poe gesproken heeft kort voor diens dood, en de jonge journalist Robert Q. Dempsey die werkt voor een New Yorks tijdschrift. De laatste zegt: "Misschien is het wel beter als Poe’s dood een mysterie blijft, want daarin kan de geschiedenis zich voor eens en altijd verbergen. Vaak is de schijn veel milder en vol begrip, terwijl de waarheid – net als ik nu – onverbiddelijk en onvergeeflijk kan zijn."

Lo A Njoe’s derde roman, Het dossier van de drakendoder (2020), speelt zich deels af in een parallelle wereld, de ondergrondse misdaadwereld van Hongkong die zich letterlijk onder de grond bevindt, in de catacomben van de stad.[9] Het is het Hongkong toen het nog onder Britse heerschappij viel, de jaren ’60 en ’70. Het weeskind Wong Xiao Xie is opgevangen door een van de grote misdaadorganisaties (triades) van Hongkong. Voor deze triade, K14 genoemd, runt hij een gokhuis, maar als hij valselijk beschuldigd wordt van een moord, moet hij acht kilo heroïne smokkelen naar Europa en zo komt hij in Amsterdam terecht, ‘de stad van gokken, illegaliteit en drugscriminaliteit’. Ook daar woont hij ‘ondergronds’, te weten in een souterrain aan de Geldersekade (Lo A Njoe woonde er vlakbij, in de Bethaniënstraat 10). Met Mesut, de zoon van een eigenaar van een paardenfokkerij in Algerije, zet hij een eigen drugsnetwerk op, maar het zaakje loopt uit op moord en doodslag. Maar er ontrolt zich geen zwart-witverhaal: mensen kunnen welvarend en crimineel zijn, duistere zaakjes doen in de onderwereld maar verlangen naar een normaal bestaan in de bovenwereld. Er lopen wel rechercheurs rond – net als in de misdaadromans van Baantjer die in dezelfde Amsterdamse buurt spelen – maar het boek is geen detective, maar eerst en vooral een psychologische roman. Het gaat om de schrijver om het zien van de menselijkheid (Ecce Homo), ook als het om gespuis gaat.

Boeken van Lo A Njoe

  • Clyde Lo-A-Njoe, Dansen / Baliamentu. Tradukshón/ vertaling di Luis H. Daal. Haarlem: In de Knipscheer, 1982. (Tweetalige poëziebundel, Papiaments/Nederlands, met 8 van Lo A Njoe's werken in meerkleurendruk.)
  • Clyde Roël Lo-A-Njoe, Ton Luiting, Raoul Maria de Puydt, Simon Vinkenoog, Doodverf. Hilversum/Brussel: Kofschip-kring, 1984. (Getijden-reeks nr. 50.) (Poëziebloemlezing.)
  • Clyde Lo A Njoe, Echolood. Utrecht: Kwadraat, 1989. (Poëziebundel.)
  • Clyde R. Lo-A-Njoe, Mijn lief mijn leed. Haarlem: In de Knipscheer, 2015. (Poëziebundel.)
  • Clyde R. Lo A Njoe, Parelmoerpoeder. Haarlem: In de Knipscheer, 2016. (Roman.)
  • Clyde R. Lo A Njoe, Mallura. Roman. Haarlem: In de Knipscheer, 2018.
  • Clyde R. Lo A Njoe, Het dossier van de drakendoder. Roman. Haarlem: In de Knipscheer, 2020.

Beeldend werk

Clyde R. Lo A Njoe, Dynamis (Haito 1291), 2009. Acryl op perkamentpapier.

Lo A Njoe maakt zowel driedimensionale werken als tweedimensionale: doeken en panelen in olieverf of acryl en grafisch werk, in sommige gevallen brengt hij gips aan op zijn doeken. In de jaren ’80 maakte hij ook textielappliqués. Soms zijn zijn werken relatief klein van afmeting, soms metershoog en -breed. Zo was hij mede-ontwerper van het Orakelkunstuurwerk van Holland-Nagasaki Village in Nagasaki, Japan, waarvoor hij 42 schilderstukken vervaardigde, en van het monument van de nieuwe Basiliek van de Virgen de Guadalupe in het centrum van Mexico-Stad[10], alsook schilder van het astrolabium en het Aztekencalendarium. De kunstwerken van Clyde R. Lo A Njoe zijn geplaatst in een grote moderne klokkentoren met uurwerken/kalenders uit zeven verschillende perioden en culturen. Ook voor het ziekenhuis in Maastricht zorgde hij voor de vormgeving en beschildering van een astrolabium. Voor het logegebouw van de Vrijmetselaren in Den Haag maakte hij, gefascineerd door het fenomeen Licht, lichtvensters van glas en ander transparant materiaal als doorschijnend polyester en polycarbonaat.[11]

Over het algemeen is zijn werk zeer kleurrijk, al was zijn kleurgebruik aan het begin van de jaren ’90 veel ingetogener. Hij maakt zowel werk dat is opgebouwd uit geheel geometrische, fijn uitgewerkte figuren, als figuratieve doeken met dramatisch uitgewerkte, expressieve taferelen. De geometrische vormen (die de wetmatigheden, de stelselmatigheden representeren) zijn voor hem essentieel om het menselijke reliëf en substantie te geven.

De inhoudelijke reikwijdte van het werk van Clyde R. Lo A Njoe is zeer breed. In wezen is er geen werelddeel dat hem geen elementen heeft aangereikt die hij heeft ingezet voor zijn verbeelding. Uit zijn vroegste werk uit de jaren ’60 en ’70 spreekt een grote fascinatie voor de wereld tussen droom en realiteit van het surrealisme. Lo A Njoe geeft echter altijd wel blijk van zijn maatschappelijke betrokkenheid. Hij maakt tekeningen in sepia en in Oostindische inkt, en ook een schilderijenreeks waarin hij esthetiek laat samengaan met een bijna morbide, van angsten vervulde schijnrealiteit.

Tussen 1980 en 1987 maakt hij streng geometrische werken waarin hij zoekt naar wat mogelijk is op het lineaire en grafische vlak. Met zijn Quipù-serie wordt de kleur ingetogener: pentekeningen in zwart, wit, grijs en een gedempt rood. De serie is gebaseerd op de rekensystemen en symbolische organisatiestructuren van Quipùcamacho's, Peruviaanse opperpriesters in dienst van de koning der Inca's. De orale overleveringen en mythologie van allerlei volkeren interesseren hem enorm, en dan die van de Zuid-Amerikaanse inheemsen in het bijzonder, zoals de mythe van El Dorado. In de jaren ’80 wijdde hij ook een hele reeks werken aan de geschiedenis van de Caquetíos-inheemsen die de Caraïbische eilanden hebben bewoond en die zo gruwelijk zijn uitgeroeid in de koloniale tijd. In zijn meer conceptuele werken experimenteert hij met het fenomeen Licht: hij probeert met de geometrische werken zoals die in zijn dichtbundel Dansen zijn afgedrukt de traditionele tijdruimtelijkheid te ontstijgen.

Aan het eind van de jaren ’80 komt de fascinatie voor figuratie en de natuur weer terug. In werken als De drie gratiën en Ecce homo staat de Mens centraal, vaak monumentaal verbeeld, zij het dan ook vaak kleurrijk-“exotischer” dan in de westerse kunst gebruikelijk is. De mens is superieur en aanmatigend, maar de vergankelijkheid en de dood gooien over die krachtige mens altijd een schaduw. Lo A Njoe blijft overigens verre van existentialistische en soms zelfs morbide tendensen in de kunst van de tweede helft van de 20ste eeuw; het geloof in een macht die boven ons staat (God) verlaat hem niet.

Exposities

Besprekingen

Referenties