Charlotte Kaletta

Charlotte Kaletta
Algemene informatie
Geboortedatum 16 juni 1908Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Ilmenau
Overlijdensdatum 13 juni 1986Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Amsterdam
Familie
Partner(s) Fritz Pfeffer
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.

Charlotte Martha Kaletta (Ilmenau, 16 juni 1908Amsterdam, 13 juni 1986) was een Duits-Nederlandse vrouw die vooral bekend is geworden als de levenspartner van Fritz Pfeffer, een van de onderduikers in het Achterhuis in Amsterdam. In het dagboek van Anne Frank wordt zij meerdere malen aangeduid als mevrouw Pfeffer.[1] Zo beschrijft Anne Frank op 14 juni 1942, de verjaardag waarop zij haar dagboek cadeau kreeg, de ontvangen geschenken en noemt zij daarbij onder meer een rolletje zuurtjes dat afkomstig was van mevrouw Pfeffer.[2]

Biografie

Kaletta werd geboren in Ilmenau in Duitsland. Volgens haar archiefkaart in het Stadsarchief Amsterdam had zij als voornamen Martha Charlotte.[3] De Anne Frank Stichting duidt haar aan als Charlotte Martha. Kaletta trouwde met Ludwig Löwenstein, van wie zij in december 1932 scheidde.[3] Het echtpaar had een zoon Gustav, die na de scheiding bij zijn vader in Berlijn bleef wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vader en zoon van Berlijn naar Raasiku in Estland, richting het concentratiekamp Jägala, gedeporteerd en aldaar vermoord.[4]

In de jaren dertig kreeg Kaletta een relatie met Fritz Pfeffer, een joodse tandarts. Door de Neurenberger rassenwetten van 1935 was een huwelijk tussen de katholieke Kaletta en de joodse Pfeffer in Duitsland verboden.

Na de Kristallnacht emigreerden Kaletta en Pfeffer naar Amsterdam. Ook in Nederland bleek een huwelijk niet mogelijk, aangezien het Haagse Huwelijksverdrag van 1902 (Trb. 1904, 121) bepaalde dat huwelijken die in het land van herkomst ongeldig waren, elders evenmin gesloten konden worden.[5] België had dit verdrag al na de Eerste Wereldoorlog opgezegd. In juni 1939 verbleef Kaletta een korte tijd in Brussel, in een poging om daar met Pfeffer te trouwen, maar deze poging mislukte omdat Pfeffers paspoort was verlopen en het Duitse consulaat weigerde om het te verlengen. Kaletta keerde begin juli 1939 terug naar Nederland.[6]

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog woonden Kaletta en Pfeffer enkele maanden beiden in de Rivierenlaan,[7] voordat Pfeffer verhuisde naar de Bernard Zweerskade.[3][8] Pfeffer dook in 1942 onder in het Achterhuis. Hij hield via Miep Gies contact met Kaletta, die niet wist waar Pfeffer ondergedoken was. In augustus 1944 werden de onderduikers in het Achterhuis gearresteerd. Pfeffer overleed in december 1944 in concentratiekamp Neuengamme.

Kaletta overleefde de oorlog. Na de bevrijding bouwde zij haar leven in Amsterdam opnieuw op. In 1946 verhuisde ze van de Rivierenlaan naar de Deurloostraat.[3] In augustus 1947 vond zij werk als handschoennaaister bij de firma Ceba. Vanaf 1949 werkte zij als assistente van de arts M. van Wien aan de Deurloostraat. Vanaf 1953 verhuurde zij kamers.[1]

In februari 1953 werden door een besluit van de Berlijnse Senator für Justiz de huwelijken die door de Duitse rassenwetten onmogelijk waren gemaakt, met terugwerkende kracht als rechtsgeldig erkend.[6] In het geval van Kaletta en Pfeffer werd de huwelijksdatum vastgesteld op 31 mei 1937.[3] Als gevolg hiervan ontving Kaletta vanaf 1955 een weduwenpensioen.[1] In 1958 werd ze genaturaliseerd tot Nederlander.[9]

Kaletta leidde haar leven in de anonimiteit. De publicatie van het dagboek en de daarop gebaseerde film- en toneelbewerking bezorgden haar veel verdriet, omdat daarin een negatief beeld van Pfeffer werd neergezet.[10]

Charlotte Kaletta overleed op 13 juni 1986 in Amsterdam, drie dagen voor haar 78ste verjaardag.[3][11]

Pfeffer-Kaletta-collectie

Op 17 oktober 1987 ontdekte Joke Kniesmeijer, medewerker van de Anne Frank Stichting, op het Waterlooplein boeken en een foto van Fritz Pfeffer en Charlotte Kaletta.[12][13][14][15] De gevonden voorwerpen waren afkomstig van Kaletta en waren na haar overlijden bij een handelaar terechtgekomen. Later vond zij ook nog fotoalbums en brieven in zijn winkel. Een van de brieven was de afscheidsbrief die Pfeffer op 15 november 1942 aan Kaletta schreef, vlak voordat hij onderdook in het Achterhuis.[16][13]

De vondst van de Pfeffer-Kaletta-collectie leidde tot een nieuw beeld van Fritz Pfeffer, die door Frank in haar dagboek als een irritante man was omschreven.[14] Nanda van der Zee publiceerde in 1990 het boek De kamergenoot van Anne Frank met deze nieuwe kijk op Pfeffer.[10]