Adoptievrijmetselarij

Aanneming van een jonge vrouw in een adoptieloge tijdens het Eerste Franse Keizerrijk.

Adoptievrijmetselarij (Frans: Rite d'Adoption) is een vorm van vrijmetselarij waarbij vrouwen werden ingewijd volgens een eigen ritueel. De ritus ontstond in het midden van de 18e eeuw in Frankrijk, maar werd ook elders in Europa toegepast. Adoptieloges stonden aanvankelijk los van mannelijke loges, maar kwamen vanaf 1774 onder toezicht van het Grootoosten van Frankrijk en waren toen uitsluitend toegankelijk voor vrouwen. Adoptievrijmetselarij geldt als de eerste institutionele mogelijkheid voor vrouwen om deel te nemen aan het vrijmetselaarsleven.[1]

Ontstaan en vroege experimenten

De term adoption werd in vroege Engelse bronnen gebruikt als synoniem voor 'inwijding' of 'toelating' tot de vrijmetselarij, ter onderscheiding van een loge van instructie of een tafelloge.[2] In Frankrijk ontstond in de jaren 1720–1730 een netwerk van Jacobitische Harodimloges. Omdat deze niet vielen onder de in 1723 gepubliceerde Constituties van Anderson, waren zij niet gebonden aan het daarin vastgelegde verbod op de inwijding van vrouwen.

In deze periode werden ook paramaçonnieke genootschappen opgericht waarin ook de vrouw werd toegelaten. Genoemd worden onder meer het Ordre de la Félicité en het Ordre des chevaliers et chevalières de l’ancre.[3]

De eerste bekende inwijdingen van vrouwen vonden plaats in 1744. In tegenstelling tot latere opvattingen waren deze adoptieloges aanvankelijk gemengd: zowel mannen als vrouwen werden er ingewijd. Voorbeelden zijn loges in Jena (1748), Kopenhagen (1750) en Den Haag (1751), waar de Loge de Juste in enkele maanden tijd tien mannen en twee vrouwen opnam.[4][5] Deze Haagse loge is het bekendste vroege voorbeeld van adoptievrijmetselarij in Europa.[6]

Regularisatie in 1774

Op 10 juni 1774 besloot het Grootoosten van Frankrijk de adoptieloges officieel te erkennen en nieuwe regels vast te stellen. Vanaf dat moment werkten zij uitsluitend met vrouwelijke kandidaten, onder toezicht van een 'moederloge' voor mannen. Mannelijke vrijmetselaren met minimaal de tweede graad hadden toegang tot de bijeenkomsten, maar vrouwelijke vrijmetselaren kregen geen toegang tot reguliere mannenloges.[2][3]

Rituele families en bronnen

De rituelen van de adoptievrijmetselarij zijn in meerdere varianten overgeleverd. Het oudst bewaard gebleven, officieel verzegelde rituaal dateert uit 1761, onder de titel Maçonnerie des Dames of La Maçonnerie d'Adoption, toegeschreven aan de Louis de Bourbon-Condé, prins van Clermont (1709–1771). Dit werk beschreef vier graden en werd als een soort modelrituaal verspreid.[7]

Daarnaast zijn er de manuscripten van de markies de Gages, die in 1767 in Bergen (toen in de Oostenrijkse Nederlanden) een uitgebreide versie van het adoptierituaal liet optekenen. Deze teksten bevatten veel catechetische elementen en sluiten aan bij de Harodimtraditie.[8]

Een derde belangrijke bron is de druk van Louis Guillemain de Saint-Victor, Recueil précieux de la Maçonnerie Adonhiramite (1779), waarin de adoptieritus werd gepubliceerd naast andere hogere graden. Dit werk zorgde voor een gestandaardiseerde versie die veel navolging kreeg.[9]

Het Woordenboek voor vrijmetselaren verwijst daarnaast naar het Essai sur les mystères et le véritable objet de la confrérie des Francs-Maçons (Den Haag 1771; Amsterdam 1776) als bron voor het destijds gebruikelijke adoptierituaal.[3] Dit kende een inleidende graad en acht symbolische graden, gebaseerd op verhalen uit Genesis.

Onderzoekers onderscheiden op basis van deze en andere manuscripten verschillende rituele families:[10]

  • Clermont-familie: gebaseerd op het rituaal van 1761, relatief eenvoudig en bedoeld als standaard voor loges in Parijs.
  • Grand Orient-familie: versies die na 1774 in omloop kwamen onder toezicht van het Grootoosten van Frankrijk.
  • Troisième Tradition: varianten die waarschijnlijk lokaal circuleerden en in manuscripten zoals dat van de markies de Gages te vinden zijn.
  • Gemengde vormen: rituelen waarin elementen van meerdere tradities gecombineerd werden, zoals de latere gedrukte versies in de 1770–1780er jaren.

Door de grote verspreiding en het ontbreken van één centrale autoriteit vóór 1774, zijn er meer dan honderd verschillende versies van adoptieritualen bekend, variërend van beknopte catechismussen tot uitgebreide rituele reeksen.

Thematiek en symboliek

De adoptieritus kende aanvankelijk drie graden, ontwikkeld uit de eerste twee graden van de Harodim-ritus:

  • Eerste graad: thema's uit Genesis zoals de Ark van Noach, de Toren van Babel en de Jakobsladder.
  • Tweede graad: een herinterpretatie van het verhaal van de Zondeval, waarbij de kandidaat de rol van Eva speelt en op gelijke hoogte wordt geplaatst met Jezus – een protofeministische lezing die Eva presenteert als degene die de mensheid toegang tot kennis en deugdelijkheid verschaft (Felix culpa).
  • Derde graad: voortzetting van thema's uit de eerste graad, met toevoeging van verdere verhalen uit Genesis.

Het centrale symbool in de tweede graad was de boom van kennis van goed en kwaad, vaak afgebeeld op damestabliers uit de Napoleontische tijd. Net als in de mannenvrijmetselarij droegen de zusters een schootsvel en witte handschoenen.[11]

Hogere graden

Aan de drie symbolische graden werden in sommige systemen hogere graden toegevoegd, waarvan niet zeker is of zij ooit daadwerkelijk zijn beoefend. Een voorbeeld is de graad Princesse de la Couronne, geïnspireerd op de Koningin van Sheba, als hoogste graad in een reeks van tien.[12]

Sociale context

Vooral de Parijse loges La Candeur en Les Neuf Sœurs het glanspunt van de vrouwenloges aan het einde van de achttiende eeuw. Het hoogtepunt vormde de Loge Impériale des Francs-Chevaliers, die van Straatsburg naar Parijs werd overgebracht en waarin keizerin Joséphine op 15 september 1805 met haar hofdames werd ingewijd en werd geinstalleerd Grande Maîtresse.[3]

Onder de leden en beschermvrouwen van de adoptievrijmetselarij bevonden zich invloedrijke vrouwen uit de hoogste adel:

  • Prinses van Bourbon – van 1775 tot de Franse Revolutie Grande Maîtresse van alle adoptieloges in Frankrijk;
  • Prinses van Lamballe – Voorzittend Meester van de adoptieloge Le Contrat Social in Parijs.

Internationale verspreiding

De adoptievrijmetselarij bleef grotendeels tot Frankrijk beperkt. Het Grootoosten der Nederlanden vaardigde in 1810 een verbod uit op adoptieloges. In Engeland ontstonden geen adoptieloges, maar werden gemengde bals georganiseerd waarbij ook niet-vrijmetselaren aanwezig waren. In de Verenigde Staten ontwikkelden zich ladies' degrees voor vrouwen en verwanten van vrijmetselaren, terwijl in Duitsland en Nederland zogeheten zusterloges en bijeenkomsten plaatsvonden om vrouwen kennis te laten maken met de vrijmetselarij.[3]

Terugloop en heropleving

Na de val van Napoleon in 1815 nam de belangstelling af. De rituelen werden aangepast aan een meer traditionele interpretatie van Eva, wat de aantrekkingskracht op vrouwen deed verminderen.

In 1882 werd de feministe Maria Deraismes ingewijd in een Franse loge die onder de Grootoosten viel. Dit leidde in 1893 tot de oprichting van de gemengde orde Le Droit Humain, die mannen en vrouwen op gelijkwaardige basis toeliet.[13] In 1901 volgde een heropleving onder de Grande Loge de France, wat uiteindelijk in 1945 leidde tot de oprichting van de Grande Loge féminine de France. Deze Grootloge stapte in 1959 over op het Aloude en Aangenomen Schotse Ritus. Alleen Loge Cosmos werkte daarna nog met een variant van de adoptieritus.[14]

Betekenis en historiografie

Historici hebben adoptievrijmetselarij verschillend beoordeeld: sommigen zagen het als een emancipatoire stap in de richting van gelijkberechtiging, anderen als een paternalistische vorm van symbolisch spel.[15]

In de literatuur circuleren bovendien hardnekkige misverstanden, die door recent onderzoek zijn weerlegd:

  • Alleen voor vrouwen: tot 1774 werden zowel mannen als vrouwen ingewijd; pas na de regularisatie door het Grootoosten van Frankrijk werden adoptieloges exclusief vrouwelijk.
  • Altijd ondergeschikt aan mannenloges: vóór 1774 stonden adoptieloges los van mannelijke loges en waren zij volledig zelfstandig.
  • 'Adoption' betekent aanhechting: in de 18e-eeuwse context betekende het woord 'adoptie' 'inwijding', niet het 'adopteren' door een andere loge.
  • Louter sociaal vermaak: hoewel bijeenkomsten vaak gepaard gingen met feesten en liefdadigheid, waren de rituelen inhoudelijk verwant aan de aristocratische Harodim-traditie en volwaardig maçonniek.
  • Geen adoptieloges in Engeland: er verschenen Engelse edities van het rituaal in 1765 en 1791, wat wijst op actieve adoptieloges in Engeland vóór de eerste Franse druk van 1772.
  • Altijd vier graden sinds 1779: sommige auteurs koppelen de adoptieritus uitsluitend aan de vier graden uit de publicatie van Louis Guillemain de Saint Victor, maar er bestonden ook andere structuren.[2]

Zie ook