Zeven-getijdencolleges

Zeven-getijdencolleges waren in de periode van ca. 1440 tot 1572 of enkele jaren daarna groepen betaalde professionele zangers in parochiekerken in de Noordelijke Nederlanden. Zij werden betaald om meerdere keren per week of dagelijks het getijdengebed (Heilig Officie) te zingen. Het is het dagelijkse officiële publieke gebed van de Rooms-Katholieke Kerk. Het is de invulling van het 'Ik loof U zevenmaal op een dag om Uw rechtvaardige bepalingen' uit Psalm 119.

Achtergrond en ontstaan

Het motet Peccata mea Domine van Johannes Cleeff uit de koorboeken van het Leidse getijdencollege met linksboven de partij van de superius, linksonder de tenor, rechtsboven de contratenor en rechtsonder de bassus

Het zingen van de getijden was een taak die oorspronkelijk uitgevoerd werd door alleen monniken in een klooster en later ook van kanunniken verenigd in een kapittel. Die zongen de getijden in hun kapittelkerk. Dat waren acht gebedsstonden.

Elke week werd in dagelijkse diensten het volledige boek van de psalmen gezongen, vaak nog aangevuld met andere liturgische gezangen zoals cantica en hymnes. Veel van de kapittelkerken stonden in een stedelijke omgeving, vaak in het centrum van een stad, waar een wat ander dagelijks ritme aanwezig was dan in een vaak meer besloten klooster. De meeste kapittelkerken namen dan ook het besluit om de lauden direct na de metten te zingen. Het aantal gebedsstonden kwam in die kerken dus op zeven uit.

Met name in belangrijke parochiekerken werd het als een groot gemis ervaren dat in hun kerk de getijden niet gezongen werden. Hier ligt de grondslag voor het ontstaan van de zeven-getijdencolleges van betaalde en professionele zangers. In Vlaanderen heetten ze ook wel Commuun (van communitas chori, koorgemeenschap). Het initiatief tot de oprichting van een dergelijk college lag meestal bij bemiddelde burgers en parochianen, maar ook stadsbesturen speelden hierin vaak een belangrijke rol.

In een aantal steden heeft mogelijk nog een ander aspect een rol gespeeld bij de oprichting van de getijdencolleges. Het bidden voor overledenen had in de vijftiende eeuw een enorme omvang verkregen. Het werd een van de belangrijkste taken van de geestelijkheid. Het gebed van priesters voor de ziel van de overledene zou het verblijf in het vagevuur kunnen bekorten. Nabestaanden konden een mis reserveren. Vermogende mensen konden dat ook wekelijks bespreken of nieuwe altaren stichten. Voor minder draagkrachtigen ontstond in de vijftiende eeuw de memoriedienst. Dat waren korte herdenkingsdiensten aan de vooravond van de te memoreren dag waarbij priesters het graf van de overledene bezochten, daar een gebed uitspraken en meestal twee van de boetepsalmen reciteerden. Vaak psalm 50 en psalm 130. Op een aantal plaatsen hadden priesters die deze diensten leidden zich midden vijftiende eeuw verenigd in een college van memoriemeesters. In een aantal gevallen was vastgelegd dat uit naam van de overledene de zeven getijden gebeden of gezongen diende te worden. In een aantal steden is dit stadium direct voorafgegaan aan de stichting van een zeven-getijdencollege. Het maakte ook mogelijk dat vanaf midden vijftiende eeuw memoriediensten besteld konden worden bij het getijdencollege.

In het begin werden de zeven getijden vaak alleen op belangrijke kerkelijke hoogtijdagen gevierd, maar spoedig waren de financiële middelen toereikend om ze op iedere dag van de week ten gehore te brengen. Belangrijk onderdeel van het officie was het wekelijks zingen van de 150 psalmen, in combinatie met andere gezangen als antifonen (liturgische gezangen voor en na de psalm), responsoria (‘antwoordgezangen’) en hymnes (‘lofzangen’). Behalve het officie werd dagelijks ook een mis gezongen, meestal tussen de terts en de sext, dus in de ochtend.

Organisatie

De zangschool van Leonhard Beck (1521)

Het oudste getijdencollege was dat van de Pieterskerk in Leiden, de hoofdkerk van die stad. Uit een document van 23 april 1440 wordt duidelijk dat Gijsbrecht van Zwieten, de schout van de stad, en zijn vrouw Catherina van Diemen de getijdenmeesters een jaarlijkse rente van 1 pond schenken om in deze kerk daarmee 'die zeven getyden alle dage mede te singen'. Het is mogelijk dat het getijdencollege toen al enige tijd bestond, maar daar zijn geen gegevens over bekend. Vanaf 1443 doet Boudewijn van Swieten relatief omvangrijke schenkingen ten behoeve van dat getijdencollege. Ook in andere steden worden initiatieven genomen. Eind vijftiende eeuw zijn er in 15 steden in de Noordelijke Nederlanden getijdencolleges. In de zestiende eeuw loopt dat aantal op tot 26 in 1567. Daarvan waren er 22 in Holland en daarnaast in de Magdalenakerk in Goes, de Sint-Janskerk in Roosendaal en de Sint Nicolaaskerk en Onze-Lieve-Vrouwe ten Hemelopnemingkerk in Kampen.

Meestal werd door het stadsbestuur een aantal personen benoemd die van parochianen en anderen ontvangen goederen en gelden voor de zeven getijden moesten administreren. Dat waren de getijdenmeesters. Ook stadsbesturen droegen regelmatig bij. In Alkmaar was er een periode dat het stadsbestuur de opbrengst van de accijns op brandewijn doneerde aan het getijdencollege. De getijdenmeesters dienden ook de zangers te betalen. In de eerste perioden van het koor waren dat meestal priesters die wel een geschoolde zangstem dienden te hebben. Vanaf begin zestiende eeuw werd het aantal priesters in de getijdencolleges steeds minder en werden die vervangen door leken die van het zingen hun professie hadden gemaakt. De getijdenmeesters stelden de zangers aan. Dat waren er meestal ongeveer 8, maar het konden er ook meer zijn. Er was daarnaast altijd een relatie met de in de stad aanwezige Latijnse school. Op die scholen werden kinderen onderwezen in het zingen van het gregoriaans. Naast de betaalde zangers maakten dan ook vaak enkele jongens deel uit van het getijdencollege. Deze koorknapen, koralen, zongen de sopraanpartijen.

De zangmeester was de primus inter pares van het koor. Hij was vaak verantwoordelijk voor het repertoire en voor de verdere scholing van de koorknapen. De zangmeester kon vaak ook componeren. Hij tekende een contract met de getijdenmeesters voor een overeengekomen periode. Na die periode zochten zij vaak een contract in een andere stad. Dat kon een contract zijn voor het leiding geven aan een koor in opnieuw een parochiekerk maar in sommige gevallen werd het een koor van een kapittelkerk of een nog andere organisatie zoals de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Gheerkin de Hondt had gedurende zijn carriere de artistieke leiding over alle drie instituten.

De werkdruk op een getijdenkoor kon hoog zijn. Naast de dagelijkse getijden in de parochiekerk werden ze geacht bij memoriediensten te zingen. In de meeste steden hadden zij ook ook een zingende rol bij de de in die stad gebruikelijke processies. Er zijn dus ook ook nogal wat documenten waarin melding wordt gemaakt van gedrag dat niet correct werd geacht. Kunstenaars hebben deze notie ook een aantal malen verbeeld.

Repertoire

Prent van Pieter van der Heyden (1562) naar een ontwerp van Jheronimus Bosch waar het liederlijk gedrag van zangers en muzikanten wordt bespot

De beste bron voor het repertoire zouden uiteraard de koorboeken van de getijdenkoren zijn. Van alle getijdencolleges in de Noordelijke Nederlanden zijn alleen zes van de in totaal acht oorspronkelijke koorboeken van het college in Leiden bewaard gebleven. [1] Die bevatten werk van vooral renaissance componisten uit de Franco-Vlaamse School. Van Jacobus Clemens non Papa, Thomas Crecquillon, Josquin des Prez, Benedictus Appenzeller, Nicolas Gombert, Hieronymus Vinders, Lupus Hellinck, Pierre de Manchicourt, Johannes Lupi zijn meerdere composities opgenomen in deze Leidse koorboeken. Van Jacobus Clemens non Papa en Thomas Crecquillon zijn resp. 42 en 36 composities opgenomen. De componist met de meeste opgenomen composities is Johannes Flamingus, zangmeester van het Leidse getijdenkoor in 1566-1567 met 62.

Uit die koorboeken wordt ook duidelijk dat gedurende de gehele periode van het koor zowel het eenstemmige gregoriaans als meerstemmig werd gezongen. Tijdens de hoogmissen werd de mis vaak polyfoon gezongen, maar ook hier kwam gregoriaaans voor. In het Magnificat waren de oneven verzen gregoriaans en de even verzen meerstemmig getoonzet. De financiers van het getijdencollege lieten hun wensen in verordeningen vastleggen. In Haarlem werd vastgelegd dat meerstemmige muziek gezongen moest worden 'in missen vesperen ende loven'. In een contract met een zangmeester in Gouda werd vastgelegd dat polyfoon moest worden gezongen 'op wercke dagen int salut (lof) ende op sondaege ende feestelicke ofte heilige dagen in die misse ende vesper'

Einde

In de jaren '70 van de zestiende eeuw werd in de Noordelijke Nederlanden de katholieke eredienst verboden. Dat betekende ook het verdwijnen van de zeven-getijdencolleges.