Graduale van Johannes van Deventer


Het graduale van Johannes van Deventer is een koorboek voor de liturgie met gregoriaanse gezangen voor de heilige mis die door het hele jaar gezongen worden. Het woord graduale komt van het Latijnse gradus, trede, trap. Dit verwijst naar een oude praktijk waarbij werd gezongen vanaf de trappen van het altaar. Dit graduale bestaat uit vijf onderdelen en opent met de temporale, gevolgd door de sanctorale. Deze twee onderdelen volgen de cyclus van het liturgische jaar waarbij de temporale bestaat uit alle feestdagen die jaarlijks van datum veranderen en de sanctorale uit alle feestdagen (voor de heiligen) die elk jaar op dezelfde datum gevierd worden. Het graduale bevat alle gezangen voor deze feestdagen. Het kyriale bevat het ordinarium, een vaste reeks wederkerende gezangen van de mis. Het bevat meer dan 150 gezangen en wordt door koor, diaken, priester en cantor gezongen. Tot slot volgen de sequensen. Dit zijn misgezangen met een syllabische melodie die bij belangrijke feestdagen na het alleluia nog werden gezongen
Het koorboek is lang toegeschreven aan alleen Johannes van Deventer, een kruisheer in het Kruisherenklooster in Sint Agatha. Johannes van Deventer werd in 1465 geboren in Nijmegen en overleed in Sint Agatha op 9 september 1537. Er komt tweemaal het jaartal 1512 in het boek voor op een wijze die het waarschijnlijk maakt dat dit het jaar was dat het boek voltooid werd. De pagina’s zijn 55 centimeter hoog en 40 centimeter breed. Het heeft deze omvang om het mogelijk te maken dat alle stemmen in het koorlied op een pagina zichtbaar werden en van enige afstand door de zangers gelezen konden worden.
Het bevat 311 perkamenten bladen met voorzijde (recto/r) en achterzijde (verso/v . Het graduale telt 2146 hoofdletters, waarvan de meeste versierd zijn. De beginletters van de gezangen voor hoogfeesten in het klooster zijn voorzien van geschilderde miniaturen. Daaronder zijn achttien figuratieve penschetsen in en rond tekstinitialen en twaalf gehistorieerde initialen van vier of zes regels hoog. Deze worden vergezeld door randversiering die bijna de hele pagina omvat. Het boek weegt 22 kilo. Het is het enige boek in Nederland van deze kwaliteit en omvang dat altijd in het bezit is gebleven van het instituut waarvoor het gemaakt is. Het is dan ook altijd bewaard gebleven in het klooster.
Beeldvorming over het graduale
Een van de onderzoeksvragen m.b.t. het graduale is of nu alleen Johannes van Deventer de maker van het werk is. In 1912 schreef Titus Brandsma het artikel "De miniaturen van den kruisheer Joannes van Deventer".[1] Het artikel was voor een aanzienlijk deel gebaseerd op een " Kroniek van Sint Agatha" die in 1785 geschreven werd door Wilhelm Wijnantz, de toenmalige procurator van het klooster. In de kroniek is een wat hagiografische beschrijving van Johannes van Deventer. Deze wordt in de kroniek beschreven als 'eximius et primarius in Calligrafia Magister'. Dat is een schrijver, een kopiist. De kroniek vermeldt ook het bestaan van een tweede graduale in het klooster dat eveneens door Johannes van Deventer zou zijn geschreven. De kroniek vermeldt echter niets over het mogelijk illumineren, schilderen of decoreren door Johannes.
In het artikel van 1912 neemt Brandsma de conclusies uit de kroniek over maar voegt er aan toe dat ook alle illustraties in het graduale dat nu de naam heeft van Johannes van Deventer door hem zouden zijn vervaardigd. Het artikel van Brandsma legde de basis voor de these dat Johannes van Deventer beide graduales geheel in zijn eentje had vervaardigd. Dat is tot in de eenentwintigste eeuw een veel verwoorde en beschreven opvatting geweest. In het artikel is zelfs sprake van een derde graduale dat Brandsma in het klooster had gezien en dat hij eveneens aan Johannes van Deventer toeschreef.
Er zijn echter ook toenemende twijfels aan de juistheid van die veronderstellingen. Nader onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat dit derde graduale dateert uit de tijd dat Johannes van Deventer nog niet geboren was. Het tweede - veel minder geïllustreerde - graduale is niet gedateerd en niet te identificeren op basis van archiefbronnen. Onderzoek in de eenentwintigste eeuw komt tot de conclusie dat er zeker overeenkomsten tussen beide gradualia zijn maar ook verschillen. Het toeschrijven van het tweede graduale aan Van Deventer is dus op zijn minst problematisch en aanvechtbaar.
Onderzoekers in de eenentwintigste eeuw achten het ook vrijwel onmogelijk dat Johannes van Deventer het graduale dat naar hem is genoemd geheel in zijn eentje zou hebben vervaardigd. De moderne opvatting is dat dit graduale gemaakt moet zijn door verschillende kopiisten en verluchters. Die opvatting wordt ook gebaseerd op geconstateerde duidelijke verschillen in kwaliteit tussen meerdere illustraties. Dat leidt dan tot de conclusie dat Johannes van Deventer zeker niet bij het boek was betrokken als verluchter maar alleen zoals hij in de kroniek van 1785 wel wordt beschreven als eximius scriptor, excellent schrijver.
Liturgische aspecten

Op een aantal punten week de liturgie van de kruisheren af van de Romeinse liturgie. Bij de kruisheren werd in navolging van de dominicanen het getijdengebed veel beknopter gehouden dan in de Romeinse liturgie. De kruisheren legden ook veel meer nadruk op het temporale, de belangrijkste christelijke feesten van advent en Kerstmis tot Pasen en Pinksteren. In de Romeinse liturgie was deze cyclus steeds meer verder uitgebouwd met een immense hoeveelheid heiligenfeesten, het sanctorale.In 1469 werd vanuit het generaal-kapittel van de orde actie ondernomen om alle koorboeken in de orde te (laten) corrigeren aan de hand van een modelexemplaar van de dominicanen. Er waren echter ook verschillen met de dominicanen. Deze orde legde een sterke nadruk op studie. De kruisheren legden een sterke nadruk op gebed en contemplatie met heel veel aandacht voor het kruis.
De inhoud van het graduale maakt duidelijk dat dit een koorboek moet zijn dat bestemd was voor een klooster van de kruisheren. Het reportoire in het graduale bevat gezangen van een aantal voor de kruisheren typerende feesten. Naast de feesten van de de kruisvinding en dat van de kruisverheffing zijn dat voor de kruisheren kenmerkende feesten als bijvoorbeeld het feest van Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote die het kruis waaraan Jezus stierf zou hebben ontdekt. In het graduale is ook een feest opgenomen van Quiriacus, die in de legende Helena over de vindplaats van het kruis informeerde en later bisschop van Jeruzalem zou zijn geworden. Quiriacus zou later tijdens veronderstelde christenvervolgingen in het tijdperk van keizer Julianus Apostata als martelaar gestorven zijn.
Volstrekt uniek voor de kruisheren zijn de in het graduale opgenomen gezangen voor het feest van de Heilige Odilia. In 1504 werden een aantal nieuwe feesten op de relatief beknopte kalender van de kruisheren geplaatst. Het handelt dan om het feest van de zeven smarten van Maria, momenten van verdriet en pijn in het leven van Maria, waaronder die van het aanwezig zijn bij de kruisdood van Jezus, het ontvangen van het dode lichaam van hem en zijn begrafenis. Het tweede was het feest van Monica, de moeder van Augustinus. In het graduale zijn gezangen voor deze feesten opgenomen die aangepast zijn op basis van reeds bestaande. Een vergelijking van dit graduale met een in dezelfde periode geschreven graduale van de dominicanen maakt ook duidelijk dat in het laatste aanzienlijk meer feesten zijn toegevoegd. Een tweede verschil is dat een aanzienlijk hoger deel van de sequinsen in het graduale van Johannes van Deventer gewijd is aan het kruis.
Verwantschap met andere koorboeken
Onderzoek heeft uitgewezen dat de twee gradualia die nu nog aanwezig zijn in het klooster in Sint Agatha verbonden zijn met drie andere koorboeken afkomstig uit kloosters aan de Maas. Het eerste is een tot begin eenentwintigste eeuw onbekend antifonale dat nu bewaard wordt bij het Cultura Fonds in Dilbeek. Het is vermoedeljk gemaakt in het kruisherenklooster Kolen in Kerniel. Het tweede koorboek is ook een antifonale. De codex van dit werk is versneden, maar een aantal bladen zijn bewaard gebleven bij vijf musea. Het oorspronkelijke werk was bestemd voor het kruisherenklooster Sint Cornelius in Roermond. Van het laatste bekende werk van deze groep koorboeken zijn ook alleen bladen van dit graduale in musea bekend. Dit werk was waarschijnlijk bestemd voor de Sint-Lambertuskathedraal in Luik. Naast verschillen zijn er ook opmerkelijke overeenkomsten tussen meerdere van deze koorboeken. Dat heeft aanleiding gegeven tot de gedachte dat er mogelijk een rondreizende groep verluchters is geweest die in soms wisselende samenstelling deze koorboeken heeft geïllustreerd.
- Oosterman, Johan (2025)' Johannes van Deventer, Sint Agatha en de Nederrijn in ' Koorboeken aan de Maas'. Amsterdam University Press
- Marrow, James H. (2025 ) ' De ' " Johannes van Deventer " Manuscripten' in 'Koorboeken aan de Maas'. Amsterdam University Press
- Op de Coul, Thomas (2025) 'Het Graduale van Johannes van Deventer als liturgisch handschrift' ' in 'Koorboeken aan de Maas'. Amsterdam University Press
- Van de Pasch. A. (1952) 'De tekst van de constituties der Kruisheren van 1248 ' Bulletin de la Commission royale d'Histoire.
- ↑ Titus Brandsma (1912) De miniaturen van den kruisheer Joannes van Deventer