Wouter Deleen
Wouter Deleen (Balen, ca. 1500 – Londen, 1563), gelatiniseerd: Gualterus Delenus, was een Zuid-Nederlands geleerde met Lutherse sympathieën en de eerste docent Hebreeuws in Amsterdam.[1]
Biografie
Opleiding
Deleen schreef zich op 4 april 1516 in aan de universiteit van Leuven, waar hij de graad van magister artium behaalde en vervolgens die van baccalaureus, vermoedelijk in de theologie. Aangezien Delenus later zowel Grieks als Hebreeuws kende en doceerde, wordt aangenomen dat hij in Leuven ook onderwijs heeft gevolgd aan het in 1517–1518 opgerichte Collegium Trilingue.
Leraarschap
Net als verschillende andere vooruitstrevende theologen uit de Nederlanden reisde Delenus rond 1522, of iets eerder, naar Wittenberg, dat destijds het middelpunt vormde van de hervormingsbeweging van Maarten Luther.
Kort daarop verscheen Delenus in Holland, waar hij vermoedelijk van 1523 tot 1527 in Haarlem Grieks en Hebreeuws onderwees. Evenals later in Amsterdam werkte hij daar als zelfstandig leraar in dienst van de stad en gaf hij onderwijs aan scholieren en andere belangstellenden.
In juli 1533 werd Delenus benoemd tot docent te Amsterdam met een jaarsalaris van vijftig gulden. Hij werkte als leraar in dienst van de stad, een functie die hij bijna twee jaar uitoefende. Hij hield zijn inaugurele rede in de kapel van het Sint-Paulusklooster. Vanaf dat moment gaf hij, in het Latijn, onderwijs in het Hebreeuws en Grieks. Zijn twee dagelijkse lessen vonden plaats in de rederijkerskamer boven de Waag op de Dam.
Verdachte van ketterij
Tegelijk met Johannes Sartorius werd Delenus verdacht van ketterij. Onder de hervormingsgezinden in Amsterdam vormden de revolutionair georiënteerde wederdopers in 1535 een invloedrijke groep. Delenus raakte al of niet gewild betrokken bij het wederdopersoproer. Een half jaar eerder al had de stadhouder, Antoon I van Lalaing, het stadsbestuur verzocht Delenus per 1 mei 1535 te ontslaan wegens zijn verdachte opvattingen. Na de gebeurtenissen van 1535 kon het stadsbestuur dit verzoek niet langer negeren: op 9 juni van dat jaar werd hij ontslagen omdat hij zich niet had beperkt tot louter grammaticale exegese maar naar verluidt lutherse opvattingen had verkondigd. Een maand later bleek het verblijf in Amsterdam voor Delenus niet langer houdbaar. Hij verliet de stad en keerde terug naar Haarlem. Hoewel het Hof van Holland hem had vrijgesproken van betrokkenheid bij het oproer, werd al in augustus van datzelfde jaar een nieuwe rechtszaak tegen hem aangespannen wegens zijn ketterse opvattingen.
Engeland
In 1538 vestigde Delenus zich in Engeland, waar hij door koning Hendrik VIII werd benoemd tot koninklijk biblioscopus. Deze functie hield vermoedelijk in dat hij toezicht hield op de selectie van boeken uit onteigende kloosterbibliotheken die naar de koninklijke bibliotheek moesten worden overgebracht, of dat hij belast werd met een vorm van boekencensuur. Vanuit Engeland bezocht hij vermoedelijk Middelburg (in 1540) en Brugge (in 1545), waar hij met zijn prediking steun verleende aan pas gevormde hervormde gemeenten.
In 1550 benoemde koning Edward VI Delenus, samen met Marten Micron, tot predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen. Tijdens het bewind van de katholieke Maria Tudor week hij echter uit naar Emden, waar hij van 1554 tot 1559 verbleef. Hij hielp er Jan Utenhove bij het nakijken van diens Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament, gaf openbare lessen in het Grieks en vertaalde in het Nederlands De statu religionis et rei publicae Carolo V. Caesare commentarii, een vroege, humanistisch-protestantse geschiedschrijving van de Reformatie door Johannes Sleidanus.[2] Na de troonsbestijging van Elizabeth I keerde hij in 1559 terug naar Londen. Hij werd ouderling van de vluchtelingengemeente. In zijn laatste levensjaren gaf hij onderwijs aan huis. Zijn gezondheid verslechterde en in 1563 overleed hij als gevolg van een pestepidemie.
Nalatenschap
Een groot deel van Delenus’ literaire nalatenschap is ongepubliceerd. Van zijn gepubliceerde werken wordt alleen genoemd zijn bewerking van Erasmus’ Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament, voorzien van aantekeningen. Onder zijn nagelaten papieren bevindt zich een werk uit 1541 over joodse feesten en gebruiken. Eveneens uit zijn Londense periode (1550 of later) stamt een verhandeling over Genesis 1–3, die binnen de vluchtelingengemeente de basis vormde van zijn onderwijs over profetie.
Bronvermelding
- Jonge, H.J. de (1986) Gualterus Delenus: de eerste docent Hebreeuws in de Noordelijke Nederlanden. Amsterdam: Juda Palache Instituut
- Delenus, Gualtherus (Deleen, Wouter) in Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme
- ↑ Wijnman, H.F. "Wouter Deelen, de eerste professor in het Hebreeuwsch te Amsterdam", in Jaarboek Amstelodamum 27 (1930), blz 43-65
- ↑ Jonge, H.J. de (1978) Caro in Spiritum. Delenus en zijn uitlegging van Joh. 6:51. Uitgever:Tjeenk Willink