Tweede Boni-expeditie

Zuidwest Celebes ca. 1824.

De Tweede Boni-expeditie (1825), destijds ook de Makassaarsche of Celebesche expeditie genoemd, was een militaire operatie van het gouvernement van Nederlands-Indië tegen de vorstendommen Boni en Supa op Celebes die in opstand waren gekomen tegen het bestuur en de Eerste Boni-expeditie (1824) hadden verslagen.

Aanloop

Joseph van Geen.

Na de nederlaag in 1824 wilden gouverneur-generaal Van der Capellen en luitenant-generaal De Kock - bevelhebber van de Indische landmacht - zo snel mogelijk het gezag op Celebes herstellen, om te voorkomen dat de opstand zich zou consolideren. Men voelde zich extra gesterkt omdat de opstand van Boni geen reactie was op onderdrukking maar op de redelijke en verlichte voorstellen van Van der Capellen en de afschaffing van als primitief beschouwde gewoontes als bloedgeld, mensenroof en slavernij in allerlei vormen.[1] Het gouvernement zag het na lange en vriendschappelijke onderhandelingen met de diverse rijken op Celebes overeengekomen gewijzigde Bongaais Verdrag van de VOC als bijzonder schappelijk. Boni’s plotselinge weigering om het verdrag te tekenen en de daarop volgende opstand zag het als verraad. Als leider van de expeditie werd aangesteld Joseph van Geen, veteraan uit de Napoleontische oorlogen. Zijn zoon Matheus ging mee als 1e luitenant bij de artillerie. De panembahan van Sumenap rustte zijn eigen prauwenvloot en leger uit om het gouvernement te helpen, en ging zelf mee aan boord van de korvet Comeet.

Gezien het verloop van de eerste Boni-expeditie (een 'hinderlaag-oorlog' op onbekend en moeilijk terrein) zou de aanpak heel anders moeten zijn: Europese tactiek en Indische strategie.[2] De Congrevische brandpijlen,[3] een nieuwe uitvinding die tijdens de eerste expeditie hadden gefaald, werden na succesvol testen toch weer meegenomen. De schepen van de expeditie stonden onder bevel van kapitein-ter-zee Pietersen, met onder andere de brik Dourga onder luitenant 1e klasse Dirk Hendrik Kolff. Op de brik Orestes bevond zich de adelborst 1e klasse Jan van Speyk, die later het bevel voerde op een gewapende barkas.[4] In de bestrijding van het rijk van Boni zou Van Geen volgens zijn instructies 'altoos zoo veel doenlijk de voorkeur geven aan de zoodanigen die, met een gelijk vooruitzigt op goed gevolg, het meeste strekken kunnen om het vertrouwen der inlandsche bevolking te winnen; mitsdien zullen bij elke gelegenheid de strengste bevelen worden gegeven om alle inlanders, welke ongewapend worden ontmoet, met zachtheid te behandelen.'[5]

Uitvoering

Kaart van Celebes, 1918.

Op 1 januari 1825 vertrok de expeditie uit Surabaya met ongeveer 1500 man, gewapend met lichte kanonnen, houwitsers en handmortieren, aangevuld met nog eens 1900 man inheemse hulptroepen. In Makassar voegden zich nog 8000 man hulptroepen van de sultan van Gowa en andere bevriende vorsten bij de expeditie.[6] Kort voor de aankomst van Van Geen in Makassar was de oude sultan van Gowa gestorven, maar zijn opvolger, Abdul Rahman, wilde zijn leger graag bij de veldtocht inzetten en ging persoonlijk met Van Geen mee aan boord van de vloot. De Boniërs hadden zich intussen teruggetrokken in de bergen.

Bajoa

De gouvernementscommissarissen van Makassar Jan David van Schelle[7] en Johan Hendrik Tobias probeerden Van Geen over te halen eerst Boni’s bondgenoten Supa en Tanette ten noorden van Makassar aan te vallen omdat vanaf die kant Fort Rotterdam en het onversterkte stadje Vlaardingen gevaar liepen. Van Geen volgde echter de Napoleontische tactiek om onverzwakt direct de vijandelijke hoofdmacht aan te vallen. Toen hij het fortje Valkenburg in de vlakte van Maros iets ten noorden van Makassar liet versterken gaf Boni's bondgenoot Tanette zich al gewonnen en was alsnog bereid het vernieuwde Bongaais Verdrag te tekenen. De staatjes Tanette en Sidenreng konden nu Makassar aan de noordkant beveiligen tegen Boni's andere bondgenoot Supa, zodat Van Geen begin februari zijn volle aanvalsmacht op Boni kon richten.

Zuidwest Celebes ca. 1910.

Eerder al hadden drie brikken en een barkas Boni van de zeezijde (de Baai van Boni) bestookt. Nu trok Van Geen met de vloot langs de zuidkust en voerde hier en daar landingen uit. Een colonne onder majoor Joseph le Bron de Vexela[8] trok tegelijkertijd langs het strand en door het binnenland, eerst naar het door de Boniërs belegerde Bonthain (Bantaeng) en Bulukumba aan de zuidkust, en toen verder naar Katjang, Mangarabombang en Sinjai aan de oostkust. Bentengs (fortjes) werden veroverd en kampongs werden volgens inheems gebruik in brand gestoken als ze geen schatting in vee wilden betalen of geweld pleegden nadat ze zich al hadden overgegeven. Vervolgens maakte Le Brons colonne van 23 tot 29 maart een zware tocht door sawa's en moerassen van Sinjai naar het noordelijker aan de kust gelegen Bajoa, terwijl Van Geen met de hoofdmacht daar over zee naar toeging. Bajoa was de eigenlijke hoofdstad van Boni, hoewel de residentie van de sultan - de dalem - meer landinwaarts was gelegen. Het zwaar versterkte en voor onneembaar gehouden Bajoa werd op 27 maart stormenderhand veroverd ten koste van slechts 6 doden en 26 gewonden.[9] Er was weinig tegenstand want de meeste Boniërs waren gevlucht. Toch was Van Geen niet tevreden, omdat Le Brons colonne niet op de afgesproken tijd was gearriveerd. Ondertussen hadden de troepen honderden mensen verloren aan ziekte en ontbering. De Europeanen moesten marcheren op hard brood en arak, de inheemse soldaten op rijst en opium. De rantsoenen werden aangevuld met plundering.

Boni

Na aankomst van Le Brons colonne ging Van Geen de volgende dag met de sultan van Gowa en een kleine verkenningsmacht naar de ongeveer 5 kilometer landinwaarts gelegen hofstad van Boni, maar die bleek verlaten te zijn, en de dalem van de vorstin Aru Data stond in brand. Ook in de omliggende kampongs werd geen vijand gezien. De vestingwerken werden daarop gesloopt en alle kanonnen werden meegenomen. In de moskee werd een grote voorraad buskruit gevonden, die op verzoek van de sultan van Gowa gebruikt werd om de moskee op te blazen, als wraak voor het vernielen van een moskee van Gowa door de Boniërs. Ook zo'n 4000 woningen werden verbrand.[10] Aru Data was met haar broer Aru Lompu en andere getrouwen gevlucht naar de bergen van het neutraal gebleven Wajo, en reageerde niet op een 'proclamatie' om de vrede te komen tekenen.[11] Een achtervolging was volgens Van Geen onverstandig vanwege het zware terrein, het verlopen van de westelijke moesson en de vele zieken.[10] Boni werd door de Nederlanders zonder bezetting achtergelaten. De colonne van Le Bron begon de terugtocht uit Bajoa op 9 april en trok dwars door het binnenland, waarbij door de inheemse ‘hulpbenden’ veel geplunderd werd. De vloot vertrok op 11 april. Op 25 april was iedereen terug in Makassar voor de veldtocht tegen Supa. Die werd vanwege de moesson pas op 20 juni aangevangen.

Supa

'Plan van Soupa en Omstreken', met de 'manoeuvres op den 26 en 27 Junij 1825', de ondersteunende schepen en de profielen van de verdedigingswerken van Supa.

De door ziektes aanzienlijk geslonken krijgsmacht werd voor de veldtocht tegen Supa in 4 divisies verdeeld, onder bevel van de majoors De Bast, Le Bron De Vexela, Van Coehoorn van Houwerda[12] en Sollewijn[13]. Bij elke divisie waren 100 Sumenappers en 12 pioniers met stormladders ingedeeld. De troepen werden aangevuld met 'hulpbenden' van Sidenreng, Gowa, en zelfs van Tanette. De scheepsmacht stond weer onder bevel van kapitein Pietersen, en bestond uit het fregat Javaan, de korvet Comeet en de brikken Orestes en Shiva. Vier particuliere schepen vervoerden de reguliere troepen. Inheemse vaartuigen vervoerden de rest.[14]

Op 23 juni verscheen de vloot in de baai van Parepare. De Sidenrengers hadden hier al maanden in belegering gelegen. Drie dagen later stonden de troepen gereed voor de aanval op Supa, dat door dikke aarden wallen, hoge palissaden en een met struikgewas en valkuilen versterkte gracht was beschermd. De artillerie die werd opgesteld bestond uit 6 kanonnen, 2 mortieren, 4 handmortieren en bokken voor de Congrevische brandpijlen.[15] Ondertussen werden onderhandelingen gevoerd met sultan Adam van Supa, die leidden tot acceptatie van het Bongaais Verdrag voordat het tot gevechtshandelingen kwam. De sultan vroeg om een bezetting door Europese soldaten om Supa te beschermen tegen plunderingen door de hulptroepen. Kanonnen en geweren werden ingeleverd en de wallen werden geslecht.[16]

Op 30 juni bracht de commissaris Tobias een verzoening tot stand tussen de vorst van Supa en die van Sidenreng, en met het gouvernement. Op 5 juli keerde de expeditie terug naar Makassar. Van Geen bracht onderweg nog een bezoek aan de vorstin van Tanette, Daeng Tanisanga. Haar broer, de opstandige Lapatau, had haar weliswaar als vorstin erkend maar kwam niet opdagen. Beiden kwamen daarna wel naar Makassar om het Bongaais Verdrag te tekenen.

Terug in Makassar

In Makassar werd kolonel Benjamin Bischoff[17] aangesteld als gouverneur om Van Schelle te vervangen. Hij kreeg een garnizoen van meer dan duizend Europese en inheemse militairen onder leiding van Van Coehoorn van Houwerda. Ook een brik, een schoener en twee kanonneerboten bleven in Makassar. Van Geen vond de situatie nu zodanig dat de expeditiemacht ontbonden kon worden en naar Java kon terugkeren. Sollewijn vertrok met een deel van de expeditie naar Borneo. Kolff ging met de Dourga, Nautilus en Daphné eerst nog naar Ambon. Aan boord van de Dourga was door ziekte nog maar een vijfde deel van de bemanning in staat om dienst te doen.[18] Op 9 augustus schreef Van Geen aan De Kock: 'Men vertrouwde in alle gevallen dat Boni het niet licht zou wagen ons grondgebied aan te vallen', terwijl het, door alle bondgenoten verlaten, 'op het laatst genoodzaakt zou zijn om den vrede van ons gouvernement te moeten verzoeken'.[19] Op 25 augustus vertrok Van Geen naar Java. Tobias volgde drie weken later.[20] In 1826 greep Lapatau in Tanette opnieuw de macht en zag Bischoff zich genoodzaakt vanuit Makassar alsnog een expeditie naar Tanette te sturen.

Resultaat

Van Geen zelf was tevreden over de operatie. Hij was van mening ‘dat de behaalde aanzienlijke voordeelen weldra de geheele onderwerping van de oproerige rijken op Celebes zal ten gevolge hebben’.[21] Tobias, die meegegaan was met de expeditie, was pessimistischer over de mogelijkheden voor het koloniaal bestuur om zijn gezag waar te maken. ‘Wij hebben geene ambtenaren en geene marine’, schreef hij op 22 juni 1825 aan zijn collega Hendrik Jan van de Graaff. ‘Ik weet niet hoe men er toe gekomen is om te denken, dat een brik en een boot genoeg zijn voor het uitgestrekte Celebes’…’ik heb er vrede mede, doch beken openhartig, dat ik dom genoeg ben het niet te vatten.[22] De Boniërs voelden zich niet definitief verslagen en ze hadden het Bongaais Verdrag niet getekend. Ook Soppeng en Wajo hadden dat nog niet gedaan. Militair was de expeditie dus een succes maar het politieke doel was niet behaald.[23] De minister van Marine en Koloniën Cornelis Elout oordeelde in een brief van 27 november 1826 (na het uitbreken van de Java-oorlog) aan de gouverneur-generaal Du Bus de Gisignies dat de troepen Java beter niet hadden kunnen verlaten voor 'een oorlog, waarvan de noodzakelijkheid nog niet is gebleken; een oorlog eindelijk, waarvan de uitkomsten zeer onbeduidend zijn geweest'.[24]

Boni zou pas op 13 augustus 1838 na lange onderhandelingen met de toenmalige gouverneur van Makassar Reinier de Filiettaz Bousquet toetreden tot het Bongaais Verdrag. Het grootste struikelblok sinds 1824, de eis van Boni om behandeld te worden als het voornaamste rijk op Celebes, werd opgeheven door aan het verdrag toe te voegen 'dat de gecommitteerden van den oudsten in regeering zijnden vorst van Boni of van Gowa den voorrang zullen genieten'. Hiermee was Aru Pandjillé, opvolger van Aru Data, tevreden. Boni bleef zich daarna echter toch onafhankelijk opstellen en nam zelfs gouvernementsgebied in bezit, en zocht volgens geruchten contact met de Britten in Singapore, wat leidde tot een derde en een vierde Boni-expeditie in 1859 en 1860.