Hendrik Jan van de Graaff
| Hendrik Jan van de Graaff | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Hendrik Jan van de Graaff | ||||
| Algemeen | ||||
| Volledige naam | Hendrik Jan van de Graaff | |||
| Geboortedatum | 3 september 1779 | |||
| Geboorteplaats | Suratte | |||
| Overlijdensdatum | 1 maart 1827 | |||
| Overlijdensplaats | Westkapelle | |||
| ||||
Hendrik Jan (Henri) van de Graaff (Suratte, 3 september 1779 – op zee bij Westkapelle, 1 maart 1827) was financieel deskundige in het bestuur van gouverneur-generaal Godert van der Capellen van Nederlands-Indië, en Van der Capellens voornaamste raadgever. Hij wordt beschouwd als een van de voorlopers van de latere ethische politiek, waarin zowel de belangen van het moederland als die van de kolonie bevorderd werden. In mei 1820 werd hij lid van de Raad van Indië. Toen hij in 1826 werd teruggeroepen naar Nederland kwam hij om het leven bij een schipbreuk bij Westkapelle.[1]
In het stadsbestuur van Alkmaar

Hendrik Jans vader was Willem Jacob van de Graaff, een hoge VOC-bestuurder en van 1785 tot 1794 de op een na laatste gouverneur van Nederlands-Ceylon. Zijn moeder was Christina Elisabeth van Angelbeek, dochter van Johan Gerard van Angelbeek, de laatste gouverneur van Nederlands-Ceylon. Zijn vader werd in 1781 als directeur van de VOC-factorij in Suratte door de Britten krijgsgevangen gemaakt tijdens de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog en kwam begin 1782 door een gevangenenruil via Cochin op 11 mei in Colombo op Ceylon aan.[2] Daar werd hij ad-interim commandeur van Galle. Zijn gezin zal met hem mee- of hem nagereisd zijn. Hendrik Jan bracht dus vermoedelijk zijn kindertijd op Ceylon door en was een van de vijf zonen die Willem Jacob op jonge leeftijd naar Nederland stuurde voor een opleiding.[3][4]

In Nederland studeerde hij rechten in Groningen, Berlijn en Utrecht. Hij maakte als student de Bataafse revolutie mee, waarbij de oude Republiek der Verenigde Nederlanden door de patriotten werd vervangen door de Bataafse Republiek. Hij trouwde er met Maria Anna van Nes, dochter van een zus van Daniël Carel de Dieu, orangistisch burgemeester van Alkmaar in 1793-1794, maar zij overleed al vroeg. In 1801 werd Van de Graaff officieel burger van Alkmaar, en hertrouwde daar op 22 mei 1803 met Agatha de Dieu, een dochter van Daniël Carel de Dieu en Maria Eva van Foreest, zus van Cornelis van Foreest, burgemeester van Alkmaar in 1795 en een patriot. Agatha's zus Cornelia Frederica was getrouwd met Gijsbert Fontein Verschuir, een bekende advocaat en bestuurder in Alkmaar, die ondanks zijn orangistische sympathieën recent weer in de gratie was gekomen. Van de Graaff maakte daarna carrière in het Alkmaars stadsbestuur. In december 1804 overleed zijn vader in Utrecht. Hij was eind 1797 teruggekomen uit Indië, zijn carrière gesneuveld in de proxy-machtsstrijd tussen orangisten en patriotten in Batavia.
Op 3 juni 1805 werd Van de Graaff benoemd tot een van de drie stadssecretarissen. In 1807 werd ook Verschuir burgemeester van Alkmaar. Op 24 januari 1811 werd Van de Graaff benoemd tot rechter in de ‘rechtbank van eerste aanleg’, later arrondissementsrechtbank genoemd. Die rechtbank was dat jaar ingesteld toen de Bataafse Republiek door Napoleon werd ingelijfd in het Eerste Franse Keizerrijk. Op 30 april 1812 werd hij ook lid van de municipale raad. Na de bevrijding en de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd hij op 28 december 1815 benoemd in de gemeenteraad.[5]
Oost-Indisch ambtenaar

Van de Graaff schijnt met zijn gezin (hij zou uiteindelijk 11 kinderen krijgen) op te grote voet geleefd te hebben en zich daarom vooral om financiële redenen in 1814 direct aangemeld te hebben toen bekend werd dat de door de Britten overgenomen VOC-bezittingen in Azië zouden worden overgedragen aan de nieuwe Nederlandse autoriteiten.[5] Zijn broers Sebastiaan en Frederik Jacob (Frits) zouden in 1819 hetzelfde doen. Hij werd aangenomen als Oost-Indisch ambtenaar eerste klasse, en vertrok op 24 maart 1816 met zijn gezin op het koopvaardijschip Cornelia naar Batavia, waar hij op 8 augustus aankwam, nog geen drie maanden na de aankomst van de drie commissarissen-generaal Cornelis Elout, Arnold Buyskes en Godert van der Capellen.[6] Hij was hiermee een van de eerste ambtenaren van het koloniaal bestuur van Nederlands-Indië. In september volgden er nog meer met het oorlogsschip Nassau, dat onderweg door de Cornelia was ingehaald. Op 16 augustus werd een Raad van Financiën ingesteld met een president en vier, later zes, leden, waaronder Van de Graaff. De raad was verantwoordelijk voor de Indische staathuishouding, zoals men de overheidsfinancieën toen noemde.
Van de Graaff reisde in 1817 met Elout en Van der Capellen op een inspectiereis door Java, om het tijdens het Britse tussenbestuur geïmplementeerde landrentestelsel aan de praktijk te toetsen. Het landrentestelsel was een belastingheffing aan de Javaanse boeren in de vorm van pacht, in plaats van de in de VOC-tijd gebruikelijke levering van exportproducten voor de internationale markt via de traditionele herendiensten. In het landrentestelsel waren de boeren vrij om te bepalen in hoeverre zij de exportproducten wilden verbouwen. Het systeem bleek nogal wat nadelen te hebben, met name omdat Java geen monetaire economie had en ruilhandel de norm was. Toch besloten de commissarissen-generaal het nieuwe stelsel grotendeels te behouden, tot vreugde van Van de Graaff. Alleen in de Preanger werden voor de gouvernementskoffiecultuur de herendiensten gehandhaafd. Hier werd dus van de liberale principes van de commissie-generaal afgeweken, maar het was ook de enige sector waarin de jaren daarna winst werd gemaakt. Vanaf 1830 zou het daarom door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch over heel Java worden uitgebreid onder de naam cultuurstelsel. Van de Graaffs inspectiewerkzaamheden op de reis werden door Van der Capellen zo gewaardeerd dat hij na terugkomst in Batavia op 12 november werd bevorderd tot adjunct-inspecteur-generaal over de inkomsten van de landrente op Java. Zijn chef was Pieter Lawick van Pabst.
Geldgebrek

Nederland was na de Vierde Engels-Nederlandse oorlog en daarna de Franse bezetting een arm land geworden. Het opzetten van een bestuur voor Nederlands-Indië werd daarom vooral bemoeilijkt door geldgebrek. Dat gold ook voor de nieuwe ambtenaren, die met hun gezinnen rond moesten komen van karige salarissen. Het gezin Van de Graaff woonde in eerste instantie op Kampong Melajoe, het buitenverblijf van de voormalige gouverneur-generaal van de VOC Willem Alting, tegenstander van zijn vader. Dat bleek niet te betalen te zijn van zijn inkomen. Agatha keerde daarom in 1819 met haar vier kinderen terug naar Nederland. Ze hadden in Indië ook weinig toekomstmogelijkheden. Van de Graaff ging inwonen bij zijn vriend en collega-lid van de Raad van Financiën Isaac Bousquet. Toen deze verhuisde kocht hij omdat er niets te huren was een nieuw huis, te betalen in termijnen, maar verkocht dat weer samen met al zijn meubilair. In 1821 ging hij, nog steeds klagend over gebrek aan inkomsten, samenwonen met Daniël François de Loches, destijds lid van de weeskamer van Batavia.[5]
Naast geldgebrek liet ook de kwaliteit van de uitgezonden ambtenaren te wensen over. Van de Graaff was een van de uitzonderingen. Elout schreef op 4 juli 1817: 'Ik reken onder de goeden bijzonderlijk den heer Van de Graaff, lid van den Raad van Financiën'.[7] Een ander probleem was dat het Britse tussenbestuur een slechte administratie had achtergelaten,[8] zodat men qua kennis van de Indische omstandigheden vaak was aangewezen op de ‘oudgasten’ uit de VOC-tijd. Deze waren echter lang niet zo hervormingsgezind als de commissarissen-generaal. Volgens hen was de inheemse feodale samenleving met zijn bestaanseconomie nog lang niet toe aan liberale Verlichtingsideeën over een modern rationeel bestuur en een vrije markt met entrepreneurs. Economen als Adam Smith, François Quesnay en David Ricardo waren daarentegen bij Van de Graaff en de zijnen veel geciteerde bronnen.[9]
Reizen door Java en de Molukken

Na het vertrek van Elout en Buyskes in februari 1819 trad Van der Capellen aan als gouverneur-generaal, met Van de Graaff als zijn rechterhand. Van der Capellen en zijn naaste medewerkers worden wel als voorlopers van de latere ethische politiek beschouwd.[10] Van de Graaff woonde met zijn broer Sebastiaan in bij Van der Capellen in het nieuwe gouvernementshuis in Buitenzorg. Hier werkte hij verder aan het landelijk stelsel, te weten het nieuwe bestuur van Nederlands-Indië. Eind dat jaar maakte hij met Van der Capellen een tweede inspectiereis door Java, en werd aansluitend benoemd tot hoofdinspecteur van financiën, waarmee zijn verantwoordelijkheid werd uitgebreid tot controle van alle publieke inkomsten en uitgaven in heel Nederlands-Indië. Niet dat daar buiten Java veel zicht op was.
Van maart tot oktober 1820 maakte hij samen met zijn inspecteur van financiën Germain Felix Meylan een inspectiereis naar de Molukken en Zuid-Celebes. Op 5 juni 1821 leverden ze naar aanleiding daarvan een rapport van 400 bladzijden op. Bij gebrek aan archiefmateriaal ter plaatse was noodgedwongen veel gebruik gemaakt van François Valentijns Oud en Nieuw-Oostindië uit 1726.[11] In het rapport betoogden zij dat de afschaffing van het monopolie op specerijen niet alleen in Ambons maar in ieders voordeel zou zijn. De gouverneur van de Molukken Pieter Merkus onderschreef dat. Van der Capellen was onder de indruk van het rapport, maar durfde in zo'n belangrijke kwestie nog geen beslissing te nemen. Hij had Van de Graaff intussen in mei al benoemd in de Raad van Indië als opvolger van de overleden Jacob Andries van Braam. Deze werd tot de oudgasten gerekend, zodat de benoeming als een overwinning werd gezien door Van de Graaff en zijn medestanders, zoals Bousquet[12] en Meylan.[13] De Raad van Indië fungeerde als adviesraad van de gouverneur-generaal en bestond uit vier leden. De andere drie waren Herman Muntinghe, Petrus Chassé[14] en Reynier D'Ozy.[15] Van de Graaff bleef daarnaast nog enkele jaren verantwoordelijk voor de financiën omdat daar geen andere geschikte kandidaat voor gevonden kon worden. Extra salaris wenste hij er ondanks zijn geldzorgen niet voor te ontvangen.
In 1822 maakte hij met Van der Capellen een derde inspectiereis door Java. In de zogeheten vorstenlanden Surakarta en Yogyakarta was door de liberale resident Huibert Nahuys de vorsten toegestaan land te verhuren aan Europese en Chinese ondernemers (waaronder Nahuys zelf). Deze legden een onscrupuleus groot beslag op de herendiensten die de boerenbevolking aan de grondeigenaar verplicht waren. Samen met Meylan ontwierp Van de Graaff de op 6 mei 1823 uitgevaardigde verordening die een eind maakte aan deze landverhuur. De liberale principes van Van der Capellens bestuur betroffen zowel een vrije markt als de bescherming van de boerenbevolking tegen willekeur en onderdrukking. De Javaanse vorsten werden voor hun inkomstenverlies echter niet gecompenseerd, wat voor spanningen zorgde die een van de oorzaken waren van de Java-oorlog in 1825. Nahuys nam ontslag en vertrok naar Nederland, waar hij bij koning Willem I tegen de Indische regering ageerde over de naar zijn mening illiberale maatregelen. Ironisch genoeg werd hij daarin gesteund door de oudgast maar ook collega-landeigenaar Nicolaas Engelhard, die toen ook Nederland bezocht.[16] Van de Graaff vermoedde toen al dat zij hem als 'den boozen raadgever' zouden afschilderen omdat ze Van der Capellen niet zouden durven aanvallen.[17]
Met Van der Capellen naar de Molukken en Celebes

In 1824 ging Van der Capellen zelf met Van de Graaff naar de Molukken en Banda, reizend met het fregat Euridice. Samen met gouverneur Merkus werd opnieuw een onderzoek ingesteld. Op 15 april gaf Van der Capellen zijn bekende proclamatie waarin hij onder meer aankondigde dat de hongitochten en het kappen van overtollige kruidnagelbomen definitief tot het verleden behoorden. 'Wij zijn (…) niet tot u gekomen om u te bestraffen, maar om u op te beuren en te redden’.[18] De verbouw van kruidnagels en muskaatnoten werd volledig vrijgegeven, maar de exclusieve verkoop ervan aan het gouvernement bleef vooralsnog verplicht, zij het voor een betere prijs dan voorheen.[19] De proclamatie was waarschijnlijk grotendeels door Van de Graaff geschreven.[20] Max Havelaars toespraak tot de hoofden van Lebak in de roman van Eduard Douwes Dekker is hier wellicht door geïnspireerd.[21]
Op de terugweg werd nog Zuid-Celebes aangedaan, waar in Makassar uitgebreid werd onderhandeld met de vorsten van de diverse Celebese staten over vernieuwing van het oude Bongaais Verdrag van de VOC. De vorsten wilden het behouden zoals het was, het gouvernement wilde hervormingen. Op 17 juli werd een vernieuwd verdrag bekrachtigd. De weigering van de staten Boni en Tanette om te tekenen leidde enkele maanden later tot de Eerste Boni-expeditie. Van der Capellen en Van de Graaff waren toen al vertrokken en waren op 2 oktober in Batavia terug.
Het landelijk stelsel

Ondanks de slechte financiële omstandigheden werd het koloniaal bestuur toch ruim opgezet, zodat de tekorten nog toenamen. Van de Graaff en zijn medestanders bleven echter beweren dat de financiële situatie gezond was. De tekorten zouden tijdelijk zijn, en slechts het gevolg zijn van het ontbreken van voldoende werkkapitaal. Op den duur zouden de uitgaven verminderen en de opbrengsten toenemen.[22] De minister van koloniën Anton Reinhard Falck meldde aan Koning Willem I op 1 augustus 1820 na het beschrijven van de Nederlandse armoede: 'De Oostersche finantiën daarentegen, … zijn in een bloeijenden toestand'.[23] Een deel van de hoofdambtenaren in het koloniaal bestuur, zoals de president van de Algemene Rekenkamer J.G. Bauer, vonden dat de door Van de Graaff opgeleverde begrotingen de zaken te gunstig voorstelden. Een kritiek die ook de regering in Nederland ter ore kwam.
De financiële problemen werden vooral Van de Graaff kwalijk genomen. Cornelis Elout, begin 1824 benoemd tot Minister van Koloniën als opvolger van Falck, had zijn bedenkingen gekregen over het Indische bestuur, aangezien de door Van de Graaff beloofde toenemende belastingopbrengsten uit een vrije markteconomie nog steeds uitbleven. Om de tekorten te dekken had Van der Capellen in 1823 zelfs geld geleend van de Britse bank Palmer & Co. in Calcutta met de Preanger en haar opbrengsten in koffie als onderpand, tot verbijstering van Elout. Hij kwam nu tegenover Van der Capellen en Van de Graaff te staan. In maart werd op voorstel van Muntinghe de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) opgericht, met alleenrecht op vervoer, opslag en verkoop van producten uit Indië, om de inkomsten te vergroten. Van de Graaff voorzag ‘onoverkomelijke onheilen’ en vreesde voor ‘de vernieuwing van monopolie en dwangwetten en de vernieling van den geheelen vrijen handel’.[24] Nadat Elout in december 1824 het bestuur in Batavia de opdracht had gegeven om aan de NHM 12000 pikols koffie te leveren tegen een lage prijs werd het in Batavia aangekomen NHM-schip Rotterdams Welvaren slechts met 2000 pikols geladen. De overige 8 à 9000 pikols werden in Batavia verkocht. In de Raad van Indië hadden vóór weigering van Elouts opdracht gestemd: Van der Capellen, Van de Graaff en D’Ozy. Tegen waren Muntinghe, Chassé en Hendrik de Kock. Van der Capellens stem telde echter dubbel.
Ontslag
De koning, die geen interesse in Indië had zolang het maar geen verlies opleverde, wilde niet langer wachten op de voorspelde economische voorspoed. Hij stuurde eind 1825 een nieuwe commissaris-generaal: Leonard du Bus de Gisignies, die financieel orde op zaken moest stellen door vooral te bezuinigen. Du Bus liet iedereen weten dat hij een einde ging maken aan tien jaar wanbestuur, tot verontwaardiging van Van de Graaff, die het bestuur en de staatsinrichting onder Van der Capellen hartstochtelijk bleef verdedigen. Du Bus legde op 15 juli 1826 een geheel verbeterd en vereenvoudigd stelsel van Bestuur voor Nederlandsch-Indië voor aan de Raad van Indië. Na twee weken tevergeefs op een reactie te hebben gewacht schreef hij een boze brief waarin hij opriep om zijn ‘onvermoeide pogingen tot herstel der Indische zaken‘ niet langer te vertragen en tegen te werken'.[25] In februari had de koning besloten dat Van de Graaff en D’Ozy vanwege de weigering koffie te leveren aan de NHM terug moesten keren naar Nederland, tenzij ze alsnog bereid waren mee te werken aan het nieuwe beleid. Toen Du Bus dat bericht ontving had hij net zijn boze brief geschreven. Blijkbaar had hij geen vertrouwen in de verdere samenwerking want op de raadsvergadering van 29 augustus werd Van de Graaff en D’Ozy duidelijk gemaakt dat ze moesten vertrekken. Ze werden vervangen door de hoofddirecteur van financiën Johan Christiaan Goldman en de schout-bij-nacht James John Melvill van Carnbée. Ook Meylan werd van zijn post ontheven en werd opperhoofd in het verre Dejima tegen een veel lager salaris. Van de Graaff en D'Ozy verlieten Batavia op 2 november met het fregat Java Paket, geladen met koffie.
Hard lot

'Hoe hard mijn lot ook is', schreef Van de Graaff in zijn op een na laatste brief op 22 september, 'ik ga, God zij dank, met zuivere handen en een vlekkeloos geweten van hier en Hij, die de harten kent, weet, dat ik steeds belangloos, nimmer iets anders dan het algemeen welzijn voor oogen heb gehad'. Op 14 december in zijn laatste brief, geschreven aan boord van de Java Paket zeilende langs de kust van Zuid-Afrika: 'Mijn geweten is gerust en indien deugd en waarheid niet in Nederland verbannen zijn, kan er niets ten mijnen laste zijn'.[26] Hij wist niet dat de koning hem inmiddels op 1 december al ontslagen had.
Eind februari in een hevige storm bij de Vlaamse kust aangekomen nam de Java Paket een visser uit Blankenberge aan boord om het schip naar Vlissingen te loodsen. Bij de monding van de Westerschelde raakte het schip echter stuurloos door problemen met het roer en liep het op de zandbanken voor Westkapelle, waar het op de ochtend van 1 maart 1827 in korte tijd door de golven in stukken werd geslagen. Enkele wrakstukken en lijken spoelden later aan bij Oostkapelle. De 23 bemanningsleden en 6 passagiers verdronken allen op de visser na, die zich aan de mast had vastgebonden en bewusteloos aanspoelde. Onder de passagiers waren ook Van de Graaffs neef Timon, zijn jonge achterneef T.A. van Angelbeek ('mijn pupil’) en D’Ozy’s jongste dochter Helena. Van de lading werd niet meer geborgen dan een baal koffie en een paar kisten met opgezette vogels en andere dieren.[27]
Ook Van de Graaffs papieren spoelden aan, waaronder aan hem geschreven brieven. Ze werden door de opperstrandvonder aan de familie overhandigd. Via een kleinzoon van Van de Graaff kwamen ze bij de historicus Pieter van der Kemp terecht, die ze in 1901, vermeerderd met brieven van Van de Graaff aan zijn zwager Verschuir en zijn vrouw, uitgaf via het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. De door zeewater beschadigde brieven aan Van de Graaff zijn tegenwoordig onderdeel van het Nationaal Archief. Ze geven een goed beeld van het verloop van de eerste, door Verlichtingsideeën geïnspireerde staatsinrichting van Nederlands-Indië, die door gebrek aan inkomsten en diverse opstanden teloor ging.[28]
- ↑ Mr. Hendrik Jan van de Graaff. Inventaris van het archief van het Ministerie van Koloniën, 1814-1849. Nationaal Archief (1857). Geraadpleegd op 20 november 2025.
- ↑ Van Dulm, Frits (2012). ‘Zonder eigen gewinne en glorie’. Mr. Iman Wilhelm Falck (1736-1785), gouverneur en directeur van Ceylon en onderhorigheden. Leiden Universiteit, p. 364. ISBN 978-90-8704-273-8.
- ↑ Van den Belt, A. (2008). Het VOC-bedrijf op Ceylon: een voorname vestiging van de Oost-Indische Compagnie in de 18de eeuw. Universiteit Leiden, p. 260.
- ↑ Secundaire bronnen geven verschillende geboortedatums en -plaatsen aan voor Hendrik Jan van de Graaff. Hier wordt als bron gebruikt een opgave uit Batavia van 1857 met benoemingen en mutaties van Oost-Indische ambtenaren teruggaand tot 1816.
- 1 2 3 Blok, P.J.; P.C. Molhuysen, Graaff, Hendrik Jan van de. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1 (1911). Geraadpleegd op 20 november 2025.
- ↑ Naast de ambtenaren op de Nassau werden er met particuliere schepen in totaal 212 ambtenaren, met 64 vrouwen en 175 kinderen (waarvan 131 jonger dan twaalf jaar) naar Indië gezonden.
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Eerste deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen Deel LII, p. 18.
- ↑ Jeurgens, Charles (2011). Op zoek naar betrouwbare informatie - De commissarissen-generaal en de stichting van de koloniale staat, 1816-1819, in Het Verre Gezicht, Politieke en culturele relaties tussen Nederland en Azië, Afrika en Amerika. Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, p. 276. ISBN 9789051944228.
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Eerste deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen Deel LII, p. 23.
- ↑ Van den Doel, H.W. (1996). Het Rijk van Insulinde. Prometheus, p. 26. ISBN 9053333746.
- ↑ (en) Huigen, Siegried (2023). Shaping a Dutch East Indies. François Valentyn’s VOC Empire. Brill, p. 283. ISBN 9789004545816.
- ↑ Isaac Bousquet ging in 1816 als ambtenaar eerste klasse met de Nassau naar Indië en werd daar lid van de Raad van Financiën. In 1822 werd hij algemeen secretaris en in 1828 lid van de Raad van Indië. In 1831 ging hij met pensioen en overleed twee jaar later in Pekalongan.
- ↑ Germain Felix Meylan was al in 1806 in Indië en werkte toen als klerk bij de Raad van Justitie in Batavia. Hij klom op tot inspecteur van financiën en reisde in 1822 samen met Van de Graaff naar de Molukken, waarvan zij een uitgebreid verslag schreven voor het bestuur van Van der Capellen. Hij werd daarna directeur van de landelijke inkomsten op Java. Van 1826 tot 1830 was hij opperhoofd van Dejima in Japan, naar aanleiding waarvan hij een Geschiedkundig overzigt van den handel der Europezen op Japan schreef. Hij overleed op 12 juni 1831 in Batavia.
- ↑ Petrus Chassé was in de VOC-tijd twee jaar opperhoofd van Dejima (1790-1992) en vanaf 1800 twaalf jaar gouverneur van Makassar. Onder Daendels was hij directeur-generaal. De C.C.G.G. zonden hem in 1816 naar Makassar voor de overdracht door de Britten en stelden hem in 1819 als eerste aan in de Raad van Indië. Hij gold daarin als 'oudgast'. In 1826 werd hij nog waarnemend luitenant-gouverneur-generaal bij afwezigheid van generaal De Kock. Na 51 jaar in Indië te hebben doorgebracht werd hij in 1830 door Willem I in de adelstand verheven met de titel van baron. Hij stierf een jaar later. Hij was een broer van David Chassé.
- ↑ Reynier d’Ozy werkte in de VOC-tijd op het kantoor in Kanton, en ging als secretaris mee met het gezantschap naar Peking van Isaac Titsingh en Andreas van Braam Houckgeest in 1795. Hij schreef zijn naam toen nog als Dozy. Daarna werkte hij als secretaris in de Kaapkolonie. Na de overname daarvan door de Britten was hij vanaf 1807 in Nederland afdelingschef bij het Ministerie van Marine en Koloniën. In december 1814 werd hij benoemd tot secretaris van de commissarissen-generaal Elout, Buyskes en Van der Capellen. In 1818 werd hij in Batavia secretaris-generaal en op 16 januari 1819 werd hij benoemd in de Raad van Indië. Hij was een vertrouweling van Van der Capellen.
- ↑ Bossenbroek, Martin (2024). De wraak van Diponegoro, Begin en einde van Nederlands-Indië. Athenaeum, p. 206. ISBN 9789025313425.
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Tweede deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen Deel LII, p. 249.
- ↑ Van den Doel, H.W. (1996). Het Rijk van Insulinde. Prometheus, p. 27. ISBN 9053333746.
- ↑ Stapel, F.W. (1939). Geschiedenis van Nederlandsch-Indië, deel III. Uitgeversmaatschappij Joost van den Vondel, p. 259.
- ↑ Stapel, F.W. (1903). Een en ander over de Molukken-Publicatie van 1824. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië Deel 86, 1ste Afl.
- ↑ Van den Doel, Wim (2011). Zover de wereld strekt. Bert Bakker, p. 45. ISBN 9789035127791.
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Eerste deel. Geschiedkundig overzicht. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen LII: 66
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Eerste deel. Geschiedkundig overzicht. 1901 LII: 89
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Tweede deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen LII: 264
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Tweede deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen LII: 291-293
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Tweede deel. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen LII: 298, 299
- ↑ JAVA PAKET - ID 12898. Stichting Maritiem-Historische Databank (2025). Geraadpleegd op 25 november 2025.
- ↑ Van der Kemp, P.H. (1901). Brieven van en aan Mr. H.J. van der Graaff 1816-1826. Eene bijdrage tot de kennis der Oost-Indische bestuurstoestanden onder de regeering van G.A.G.P. baron van der Capellen. Eerste deel. Geschiedkundig overzicht. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen LII: 2
