Expeditie naar Tanette

De Expeditie naar Tanette (1826) was een militaire operatie van het Nederlandse gouvernement in Makassar tegen het vorstendom Tanette op Celebes, naar aanleiding van het afzetten van de vorstin Daeng Tanisanga door haar broer Lapatau.
Aanleiding
In het staatje Tanette ten noorden van Makassar regeerde de vorstin Daeng Tanisanga. Zij was de opvolger van haar broer Lapatau, wiens weigering om net als de meeste andere vorstendommen op Celebes het door gouverneur-generaal Van der Capellen vernieuwde Bongaais Verdrag te tekenen had geleid tot de Eerste Boni-expeditie in 1824 en Lapatau's vlucht. Toen Tanette na de Tweede Boni-expeditie dat verdrag alsnog tekende kreeg Lapatau van het gouvernement toestemming om zich weer in Tanette te vestigen onder voorwaarde dat hij zijn zus als vorstin erkende. Toen de meeste Nederlandse troepen naar Java waren vertrokken, en daar de Java-oorlog uitbrak, greep hij in 1826 wederom de macht. Daeng Tanisanga werd afgezet en vluchtte naar het gouvernementsgebied. Lapatau wierp bentengs (fortjes) op gericht tegen Makassar. De gouverneur van Makassar, kolonel Bisschof,[1] besloot daarop dat Lapatau tot de orde geroepen moest worden, ook al was er geen steun te verwachten van Java.
De expeditie

Op 31 mei 1826 voer met een ingehuurd particulier schip uit Makassar de majoor Menno baron Van Coehoorn van Houwerda[2] met 200 man infanterie, 25 man artillerie onder tweede luitenant Lemmens en 20 huzaren onder tweede luitenant Lahure langs de kust naar het noorden.[3] De volgende dag arriveerde de krijgsmacht voor Tanette. Daar lagen sinds de Tweede Boni-expeditie de brik Orestes, de schoener Daphné, een kanonneerboot en wat kleinere vaartuigen onder eerste luitenant Johannes Rambaldo.[4] Ook de vorst van het naburige staatje Sidenreng werd gevraagd deel te nemen aan de operatie.
Opmars
De troepen werden aan land gezet bij de monding van de Pantjana rivier. Verderop aan de rivier bevond zich de hoofdplaats van Tanette, Tjerowali, ook wel Tjinrapole genoemd, en aan beide oevers waren versterkte kampongs. De infanterie trok met het geschut (twee 1-ponders en 2 handmortieren) door de rijstvelden langs de rechteroever van de Pantjana naar de kampong Boengi, vanaf de rivier gesteund door vier gewapende sloepen met ieder 60 matrozen. Boengi werd in een half uur veroverd ten koste van slechts 10 gewonden, maar de sloepen moesten met 2 doden en 11 gewonden terugkeren vanwege aanhoudend vuur vanaf de linkeroever. Van Coehoorn besloot toen Boengi weer te verlaten. De kampong werd in brand gestoken en men keerde terug naar het strand. Op 3 juni stak men daar de rivier over en trof er de zojuist gearriveerde resident Jean Mayor[5] van de Noorder-districten met 800 man hulptroepen uit Sidenreng en Maros. Allen trokken nu langs de linkeroever op, maar vijandelijke troepen waren nergens te bekennen. Ter hoogte van Boengi stak de hele legermacht weer over naar de rechteroever en kwam om 2 uur ‘s middags aan bij Tjerowali, dat bovenop een steile rotswand aan de linkeroever lag.
Bestorming
Terwijl de hoofdmacht Tjerowali van over de rivier met geschut en geweervuur bestookte stak Van Coehoorn met 100 infanteristen en 6 huzaren de Pantjana over en beklom de zuidwestelijke helling. Dit was de enige helling die beklimbaar was, maar was daarom zwaar versterkt met verschansingen en redoutes van boomstammen. Desondanks werd Tjerowali stormenderhand veroverd, ten koste van 5 doden en 19 gewonden. Aangezien de munitie was opgeraakt was grotendeels gevochten met bajonetten. Van Coehoorn, die het voortouw had genomen in de bestorming, zakte op de top van uitputting in elkaar, maar kon weer worden opgelapt. Lahure vertelde in zijn 20 jaar later geschreven memoires dat Van Coehoorn tijdens de bestorming zijn epauletten in een vijandelijke stelling had geworpen en geroepen had: ‘Jongens, laten we ze gaan halen!’ Een verhaal dat tot de apocriefe militaire overlevering ging behoren maar waarschijnlijk een mythe is.[6]
Resultaat
De Tanetters vluchtten de bergen in, maar velen kwamen de volgende dag al weer terug en mochten na het afgeven van hun geweren en lansen terugkeren naar hun kampongs. Lapatau bleef voortvluchtig. Tanette werd voorlopig door de troepen van de vorst van Sidenreng bezet. Het gouvernement streefde niet naar gebiedsuitbreiding. De expeditietroepen keerden de 6e juni terug naar Makassar.[7] Van Coehoorn bezweek daar op de 27e alsnog.[8]
Lapatau mocht van het gouvernement in december 1827 na het aftreden van zijn zus zijn plek als vorst van Tanette weer innemen, maar ontving het voortaan als leen van het gouvernement. Een feodale constructie ontleend aan de inheemse samenleving die ook in de tijd van de VOC vaak was toegepast. Om hem minder machtig te maken werden delen van Tanette weggeschonken aan andere vorsten. Onvrede over dit verlies van grondgebied zorgde er echter voor dat Lapatau het gouvernement tot aan zijn dood in 1845 last bleef bezorgen.
- ↑ Van der Aa, A.J. (1878). Benjamin Bischoff. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel.
- ↑ Van der Aa, A.J. (1858). Menno Gideon Casimir, Baron van Coehoorn van Houwerda. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 3.
- ↑ Hooyer, G.B. (1895-1897). De krijgsgeschiedenis van Nederlandsch-Indië van 1811 tot 1894, deel 3. Van Cleef, p. 278.
- ↑ Van der Aa, A.J. (1874). Johannes Rambaldo. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 16.
- ↑ Blok, P.J., P.C. Molhuysen (1911). Mayor, Jean Frederic Theodore. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1.
- ↑ Nijpels, G. (1902). Onze Strijd in Zuid-West-Selebes tot 1838 en de daaruit te putten lessen, Deel 2. Javaanse Boekhandel en Drukkerij, p. 143.
- ↑ Nijpels, G (1902). Onze Strijd in Zuid-West-Selebes tot 1838 en de daaruit te putten lessen, Deel 2. Javaanse Boekhandel en Drukkerij, p. 140.
- ↑ Gerlach, A.J.A. (1876). Neerlands heldenfeiten in Oost-Indië, bewerkt naar Les fastes militaires de Indes Orientales, met portretten, plans ent kaarten. Gebr. Belinfante, p. 351.