Tuchtroede

Middeleeuwse tekening van een opvoedkundige lijfstraf met de berkenroede.

Een tuchtroede is een roede (vaak daartoe verkort, of verder afgekort tot roe), bestemd als instrument om lijfstraffen toe te dienen.

De tuchtroede is in het Westen in onbruik geraakt (meestal zoals lijfstraffen in het algemeen), al heeft dat op het eiland Man geduurd tot de jaren 1970. Ze leeft in onze huidige maatschappij onder meer voort in uitdrukkingen.

Typen en gebruik

Executie door verbranding en marteling van vijf homoseksuele Franciscaanse monniken in Brugge op 26 juli 1578 op twee schavotten - drie worden verbrand en twee worden gegeseld aan een schand- of geselpaal.

De specifieke betekenis van roede is hier eigenlijk een bundel soepele takken of forse twijgen, zoals in het fasces-symbool te zien dat al bij de Etrusken en Romeinen werd gebruikt. De fasces bestaat uit een bundel roeden met een bijl die door riemen bijeengebonden zijn en symboliseren macht, maar ze werden ook daadwerkelijk aangewend in het strafproces. De roeden, gewoonlijk berk maar soms iep, waren symbolisch voor de “macht om te straffen”. De bijl symboliseerde de “macht over leven en dood” (de doodstraf) en de riemen de “macht om te arresteren”.

Soms specificeert men de plant waarvan takken gebruikt worden, zoals berkenroede. Het synoniem geselroede drukt de analogie uit met de gesel, een eveneens meervoudig strafwerktuig, dat echter soepele 'staarten' (meestal van koord of leder) heeft en dus tot de zwepen behoort. Toch wordt de term roede ook vaak in ruimere zin gebruikt voor enkelvoudige strafwerktuigen, zoals een stok of staf (voor stokslagen).

Wie de roede spaart, bederft het kind, Pierre Langlumé (1790 - 1830), Musée Carnavalet

In overdrachtelijke zin wordt 'de roe' ook gebezigd als generische term voor elk strafinstrument, ongeacht materiaal en constructie, en bij metonymie voor elke lijfstraf of zelfs voor elke strenge straf, vooral in uitdrukkingen zoals "de roede niet sparen' (lijfelijk straffen of niet aarzelen streng te straffen).

Elke slag met de 'echte' roe dient in een fractie van een seconde een serie parallelle striemen toe; hoewel de kracht van de slag zo verdeeld wordt, blijft de impact gelet op de kleine totale oppervlakte intens genoeg om in regel meer schade aan te richten dan een enkele stok. Om efficiënt te zijn − bijzonder pijnlijk, niet zelden tot bloedens toe − wordt de roede op de blote huid toegediend, meestal op het achterwerk; het ontbloten van het zitvlak (zoals voor manuele billenkoek, geassocieerd met jonge kinderen) garandeert tevens intense vernedering, zeker indien deze onterende straf publiekelijk ondergaan wordt aan een schand- of geselpaal.

Geschiedenis

Symbool voor de vruchtbaarheid

De Flagrorum usu in re Veneria, & lumborum renumque officio, Epistola (Leiden, 1639). Deze brief, geschreven door John Henry Meibomius en op zijn verzoek gepubliceerd in Lübeck in 1639, is een voorbeeld van de medische werking van flagellatie.

Oorspronkelijk stonden de berk en dus ook de twijgen van deze boom symbool voor vruchtbaarheid en nieuw leven. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw was in sommige streken binnen agrarische gemeenschappen gebruikelijk om zowel vrouwen en kinderen als het vee te slaan met berkentwijgen, zodat de levenssappen van de boom werden overgedragen. Van oudsher waren het sjamanen die dit deden.[1]

Ook tijdens Lupercalia, een feest ter ere van de Romeinse god voor de vruchtbaarheid, speelt het geselen een rol. Aanraking met de zwepen zou tot vruchtbaarheid leiden en onheil afweren. Het feest werd ook bij de christenen populair en werd nog gevierd in 494 na Chr., toen paus Gelasius I ‘dit laatste openlijk toegestane restant van de heidense godsdienst’ verbood.

Het epistel De Flagrorum usu in re Veneria, & lumborum renumque officio (Over het gebruik van zweepslagen in zaken van de liefde, en de functie van de lendenen en nieren) gaat over het gebruik van zweepslagen (flagellatie) als seksuele stimulans en de relatie met de lendenen en nieren, die in de antieke geneeskunde belangrijk waren voor de potentie en lust.

In de kerstperiode

Het brave meisje krijgt lekkers en de ongehoorzame jongen een gard (roe); Het leerzame prenteboekje voor kinderen, ca. 1810
Père Fouettard met gesel en kinderen in zijn mand (zie ook Man met de zak, 1 januari 1930
Peruchty, Tsjechië, 1910

Pas in de 19e eeuw werd de berkenstaf geassocieerd met een instrument van bestraffing. Ermee geslagen worden betekende aanvankelijk geen straf, maar werd beschouwd als een soort zegen.[2] In de 19e eeuw werd de roe of gesel een attribuut van de "slechte" figuren die een rol spelen in de kerstgebruiken, zoals het in Nederland en België gevierde Sinterklaasfeest.

De roede is traditioneel het attribuut van Piet, al komt ze in het moderne Sinterklaasfeest zoals dat in Nederland en België wordt gevierd vrijwel niet meer voor. In vroeger tijden werd aan brave kinderen lekkers gegeven, terwijl ondeugende kinderen − vaak jongens − een gard of roe kregen. De teksten van enkele Sinterklaasliedjes herinneren hier nog aan:

Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.

Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de gard.

Andere personages met een roede die een rol spelen in de adventstijd zijn bijvoorbeeld Père Fouettard (Frans voor de ranselende vader, vader geselaar of de zweepvader), knecht Ruprecht, Befana, Pelzmärtel en Hans Trapp.

Oorspronkelijk speelde de roe de Sinterklaastraditie geen rol als strafwerktuig. Het was een teken om aan te geven dat een kind het Sinterklaasfeest ontgroeid was en dus op weg was naar de volwassenheid. Als een kind dat een bepaalde leeftijd had bereikt, kreeg geen geschenken meer maar de roe. De betekenis van de roe als instrument om te straffen kwam op aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw, toen het opvoedingselement in de Sinterklaastraditie steeds meer centraal kwam te staan. Sinds halverwege de 20e eeuw is de roe helemaal naar de achtergrond verdwenen.[3]

Spitsroede(n)

Een man op een schavot wordt gegeseld en rijen soldaten van het Pruisische leger staan klaar om de straf met de spitsroede uit te delen, 1776

Spitsroede betekent oorspronkelijk een (al dan niet meervoudige) lange, spitse roede, maar wordt haast enkel gebruikt in de uitdrukking spitsroeden lopen, een oude militaire straf waarbij de veroordeelde met ontbloot bovenlijf één of meerdere malen door een dubbele haag van medesoldaten moet (in oorsprong was de idee dat het korps zo gezamenlijk straft wie ertegen zondigt, zoals door diefstal, lafheid of wachtverlet) die allemaal met een (spits)roede zijn onbeschermde rug striemen. Er bestonden ook varianten, zoals bij de cavalerie met sporen; soms (mogelijk als variant op het Antiek Romeins fustuarium) ging de straf zelfs door tot de dood erop volgde.

Varia

In november 2024 werd op een kerstmarkt in het Duitse Stralsund een 4-jarige jongen met een als tuchtroede gebruikte dennentak geslagen door een 62-jarige man die als de Kerstman was verkleed. Dit incident werd internationaal nieuws. De man in kwestie werd een half jaar later veroordeeld tot 4000 euro boete wegens mishandeling.[4]

Zie ook

Zoek tuchtroede op in het WikiWoordenboek.