Onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht (1991)

De onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht (1992) vonden plaats in 1991.

Voorgeschiedenis

De historische context van het Verdrag van Maastricht

Kabinet Lubbers III na beëdiging door koningin Beatrix.

Op 1 juli 1991 nam Nederland het halfjaarlijkse voorzitterschap van de Raad van de Europese Gemeenschappen op zich en daarmee ook het voorzitterschap van twee reeds lopende Intergouvernementele Conferenties (IGC's). Het kabinet-Lubbers III wilde, na het ondertekenen van de Verdragen van Schengen een jaar eerder, de Europese integratie opnieuw een flinke stap vooruit helpen. De bedoeling was om tijdens het Nederlandse voorzitterschap overeenstemming te bereiken met de andere lidstaten over verdergaande samenwerking – ook op niet-economisch terrein – en te komen tot een verdrag met een blauwdruk voor een Economische en Monetaire Unie (EMU) en een Europese Politieke Unie (EPU). De EMU, met als doel de invoering van één munt en één centrale bank, stond al sinds 1988 op de agenda. Hans-Dietrich Genscher, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, hield in februari 1988 een pleidooi voor de oprichting van een Europese Centrale Bank. Jacques Delors trok als voorzitter van de Europese Commissie deze gedachte naar zich toe en startte in juni 1988 samen met de centrale bankpresidenten van de lidstaten het zogenoemde "Comité voor het bestuderen van de Economische en Monetaire Unie". Dit Comité-Delors bouwde voort op het werk van het Comité-Werner uit 1970. In juli van dit jaar schaarden de Duitse premier Kohl en de Franse president Mitterrand zich achter deze gedachten. De EPU, het gezamenlijk naar buiten treden van de lidstaten op terreinen als defensie en buitenlandse zaken, was in 1990 als doelstelling geformuleerd.

Mensen boven op de Berlijnse muur - 9 november 1989

Het grote historische keerpunt was de val van de Berlijnse Muur in november 1989. Na de Duitse eenwording vond op 27 en 28 oktober 1990 een Europese top plaats in Rome. Deze top kreeg op 14 en 15 december een vervolg in Rome. Tijdens deze top werd in feite het latere Verdrag van Maastricht op de rails gezet. Als gevolg van de Rome-afspraken werden namelijk twee Intergouvernementele Conferenties (IGC's) opgericht: een voor de EMU en een voor de EPU. Het EPU-voorstel, het vormen van een federaal model met institutionele verbeteringen en democratische controle, ging terug op een Frans-Duits voorstel uit april 1990.[1] Ter voorbereiding van het Verdrag van Maastricht kwamen in het kader daarvan de ministers van Financiën (de EMU) en de ministers van Buitenlandse Zaken (EPU) daardoor regelmatig bijeen in het kader van een IGC.

Voorafgaand aan en tijdens de "Europese top" in Maastricht vond intensief diplomatiek overleg plaats. Hierbij speelden onder meer de Nederlandse topdiplomaat Ronald van Beuge en Pieter Nieman, de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger in Brussel, een belangrijke rol. Minister-president Ruud Lubbers reisde in het najaar van 1991 langs de Europese hoofdsteden om iedereen op één lijn te krijgen. Kort voor de topconferentie: 'Lubbers zit al dagenlang te telefoneren, brieven en faxen te versturen', zo vertelde een van zijn medewerkers aan NRC Handelsblad. Met wie belt hij dan en waarover? 'Ja dat moet je niet vragen. Lubbers is in dergelijke situaties als een tornado bezig, dat kunnen zijn medewerkers ook niet meer allemaal bijhouden. Bovendien is ons standpunt: telefoongesprekken en correspondentie met staatshoofden en regeringsleiders zijn vertrouwelijk.'[2][3]

Het Comité-Delors en discussie rond de EMU

Jacques Delors

De grote man achter het streven naar een politieke unie was Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Delors wilde nog vóór 2000 de Europese Gemeenschap omvormen tot een politieke federatie met de Europese Commissie in de rol van de uitvoerende macht.[4][5] Het Comité voor het bestuderen van de Economische en Monetaire Unie, kortweg Comité-Delors genoemd, zette in navolging van de Europese Akte een stappenplan op voor een Economische en Monetaire Unie (EMU) en de invoering van één munt. Dit was in de ogen van Jacques Delors het logische vervolg om de Europese interne markt te voltooien. Het "Rapport-Delors" legde een belangrijke basis voor de afspraken die later over de EMU werden vastgelegd in het Verdrag van Maastricht.[6]

Commissievoorzitter Jacques Delors en Ronald van Beuge in de periode van voorbesprekingen voor de Europese top
Handtekeningen van koningin Beatrix en de regeringsleiders in de mergelgrot/ wijnkelder van Château Neercanne

Delors riep met zijn openlijke ambities om te komen tot een politieke federatie veel tegenkrachten op. In Groot-Brittannië was Margaret Thatcher al jaren een fel tegenstander van Europese centralistische ambities. Haar minister van Financiën, Nigel Lawson, was bang dat een Europese eenheidsmunt de eerste stap zou zijn naar een politieke federatie. Hij was voorstander van een vast systeem van wisselkoersen, maar hij was niet plan om het Britse monetaire beleid over te dragen aan een nieuw op te richten Europese Centrale Bank. Lawson verdacht Delors ervan dat hij via de achterdeur probeerde te komen tot een federale Europese regering: een politieke unie die in feite de "Verenigde Staten van Europa" zou gaan inhouden.[7]

Het Comité-Delors[8] onderzocht in 1988-1989 op welke wijze voor de Europese Gemeenschap een economische en monetaire unie tot stand kon worden gebracht. Op 17 april 1989 bracht het comité een verslag uit. Stapsgewijs zouden de lidstaten van de EG moeten toewerken naar één Europese munt en één autonome bankinstelling. In de eerste fase zouden alle Europese munten worden ondergebracht in het Europees Monetaire Stelsel (EMU). Dit was tegen het zere been van de Britten. Volgens Thatcher leefden de voorstanders van één centrale munt in 'een droomwereld'[9] Nog dezelfde maand nodigde Thatcher de Nederlandse minister-president Ruud Lubbers uit voor een bilateraal overleg op landgoed Chequers. Margaret Thatcher liet zich bijstaan door Nigel Lawson, de Britse minister van Financiën, en Geoffrey Howe, de Britse minister van Buitenlandse Zaken. Ruud Lubbers nam de eervolle invitatie aan. Hij liet zich souffleren door Onno Ruding, de toenmalige Nederlandse minister van Financiën, en Hans van den Broek, de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens de Chequers-bijeenkomst bleken de Britten op het verkeerde paard te hebben gewed: de Nederlanders waren een voorstander van de EMU.[10][11]

Chequers

De Chequers-discussie werd een voorbode van de problemen die Ruud Lubbers in het najaar van 1991 op zijn politieke bord kreeg als EG-voorzitter om te komen tot het Verdrag van Maastricht. In postuum gepubliceerde interviews keek Lubbers in de periode 1992-1995 terug op de binnen Chequers gevoerde discussie. Lubbers: ‘Als er afzonderlijke munten zijn, moet je onevenwichtigheden van tijd tot tijd bijstellen. Anders ontploft het hele stelsel. Aanpassing voorkomt crisis. Zolang die ene munt er niet is, moet een land dat niet met de sterksten mee kan zo nu en dan in alle nederigheid zijn munt aanpassen. Margaret Thatcher leeft zélf in een droomwereld, waarin het mogelijk is om zonder aanpassingen valutacrises te voorkomen. Juist in Groot-Brittannië weigert men die realiteit onder ogen te zien. Het gesprek dat ik in 1989 in Chequers met haar had gevoerd ging voornamelijk over de toetreding van het Britse pond tot het Europees Monetair Stelsel. Thatcher vertelt mij bij die gelegenheid dat zij er tegen is, omdat Londen aan bewegingsvrijheid zou verliezen. Mijn antwoord daarop is dat zij mij doet denken aan een chauffeur die geen veiligheidsriem wil dragen, omdat die zijn bewegingsvrijheid verkleint. Die vergelijking doet haar echter niet van standpunt veranderen. Als er één Europese munt is, doet zich dat hele probleem niet meer voor. Dan zijn er wel andere problemen, zoals onevenwichtigheden en kostenverhoudingen binnen een land. Zie de consequenties van de invoering van de ene D-mark voor de vroegere DDR. De redenering is daarom dat je via het langzaam naar elkaar toe groeien van de verschillende economieën tot één Europese munt kunt komen. Dat is de inzet van Jacques Delors. Eisen die in het plan-Delors gesteld worden aan dat naar elkaar toe groeien zijn de zogeheten convergentiecriteria. Deze zijn terecht vrij hard.'[12]

Geschiedenis

Britse verdeeldheid en politieke spanningen in aanloop tot topconferentie in Maastricht

Geoffrey Howe

De harde opstelling van Margaret Thatcher zou nog vóór de onderhandelingen in Maastricht tot haar politieke val leiden. De pro-Europese Geoffrey Howe, Thatchers eerste minister van Financiën en een van de belangrijkste architecten van het gedachtegoed dat als "Thatcherisme" de geschiedenis is ingegaan, nam in november 1990 ontslag. Hij was al door Thatcher van het departement Buitenlandse Zaken gehaald omdat hij te pro-Europees zou zijn en kreeg een functie als plaatsvervangend Prime Minister die grotendeels leeg van inhoud was. Op dramatische wijze legde Geoffrey Howe zijn standpunt uit binnen het Britse parlement.[13][14][15][16][17] Howe benadrukte in zijn rede dat het Verenigd Koninkrijk al veel eerder lid had moeten worden van het Europese systeem van wisselkoersen en ridiculiseerde Thatchers nachtmerriescenario van een Europese superstaat.[18] Vervolgens ontstond een machtsstrijd binnen de Conservatieve partij.[19] John Major, Thatchers minister van Financiën na het vrijwillige ontslag van Nigel Lawson, kwam na een aantal stemrondes als winnaar uit de strijd. Hij verkreeg het leiderschap van een politieke partij die potentieel reeds gespleten was over het Europa-vraagstuk voordat de onderhandelingen over het uitvoeren van het Rapport-Delors konden gaan beginnen onder Luxemburgs en Nederlands EG-voorzitterschap.[20]

Verkiezingsaffiche

Delors had niet alleen in Groot-Brittannië belangrijke personen tegen zich in het harnas gejaagd. Ook binnen de Deense, Luxemburgse, Portugese en met name Franse regering hadden velen genoeg van de centralistische ambities van Jacques Delors.[21] Delors had echter wel een belangrijke medestander, de Duitse bondskanselier Helmut Kohl.[22][23] Het lag gevoelig in zijn eigen land en partij-achterban, maar Kohl was bereid de Duitse Mark op te geven voor een hoger doel: het intensiveren van de Europese samenwerking. Landen die één munt hadden, die voerden geen oorlog met elkaar zo was zijn filosofie.[24][25] Kort na de val van de Berlijnse muur had Helmut Kohl ideeën ontwikkeld over de wijze waarop een verenigd Duitsland geïntegreerd zou worden in een Europa waarin Duitsland zijn medeverantwoordelijkheid zou dragen voor de vrede en veiligheid van Europa als geheel. Kernpunt daarin was ook een politieke samenwerking tussen de Europese lidstaten.[26]

Kohl en Mitterrand in 1989.

In 1991, tijdens de onderhandelingen om te komen tot het Verdrag van Maastricht, stond veel op het spel. De gezamenlijke EG-leiders moesten het definitieve antwoord geven op de economische en geopolitieke kwesties waarmee Europa sinds het midden van de jaren tachtig worstelde: het einde van de Koude Oorlog, de hereniging van Duitsland en de veranderingen die de economische crisis van de late jaren zeventig en tachtig teweeg had gebracht. Na het vallen van het IJzeren Gordijn wilden de staten van Centraal- en Oost-Europese landen graag lid worden van de EG-familie. Tegelijkertijd verdampte binnen verschillende EG-landen de euforie over het einde van de Koude Oorlog. De EG was diep verdeeld geraakt over de wijze waarop Joegoslavië uiteen was gevallen. Duitsland wilde Kroatië en Slovenië, die zelf de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen, zo snel mogelijk als onafhankelijke staten erkennen. Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland waren het daar niet mee eens. Ze vreesden dat een dergelijk gebaar de Joegoslavische crisis zou verergeren. Veel politici en opiniemakers beschouwden de top in Maastricht als de laatste echte kans om de Europese samenwerking een nieuwe basis te geven, vóórdat de uitdaging van uitbreiding en nationale reflexen verdere integratie zouden bemoeilijken of tot stilstand konden brengen. De Duitse bondskanselier Helmut Kohl en de Franse president François Mitterrand wilden die kans grijpen, koste wat kost. Het oprichten van de EMU was in hun de sleutel tot een hoger doel. 'De Europese munt moet onomkeerbaar zijn, iets waar onze opvolgers niet meer aan kunnen tornen', aldus Mitterrand. Kohl en Mitterrand namen Wim Kok, de Nederlandse minister van Financiën, apart op 8 december 1991. 'Wim, het is nu of nooit. Dit mag niet mislukken.'[27] Nederland was voorzitter van de Europese top in Maastricht, maar de marsorders werden gegeven door Kohl en Mitterrand.[28][29]

Zwarte Maandag en machtsstrijd rond een federaal Europa

Piet Dankert

Het Nederlandse voorzitterschap van de IGC Europese Politieke Unie (EPU) begon onder slecht gesternte. Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek en zijn staatssecretaris Europese zaken Piet Dankert leden een zware nederlaag met het door hun ministerie opgestelde eerste verdragsontwerp. Tijdens een bijeenkomst in Brussel van de ministers van Buitenlandse Zaken werd op het maandag 30 september, "Zwarte maandag", door een overgrote meerderheid werd weggestemd. Het voorstel was te federaal in veler ogen. Alleen België stemde vóór.[30] Op de achtergrond van "Zwarte Maandag" woedde een heimelijke machtsstrijd tussen de Europese Commissie en met name Frankrijk. Zij voerden deze machtsstrijd via de kleine lidstaten die in 1991 het roulerend voorzitterschap bekleedden: Luxemburg en Nederland. De Fransen gebruikten de Luxemburgse regering om hun eigen voorstel te lanceren voor meer Europese samenwerking, maar zonder het federale gedachtegoed waar Jacques Delors zijn zinnen op had gezet. De Fransen wilden een uitbreiding van samenwerking waar de feitelijke macht in handen bleef van de lidstaten. Delors en zijn medewerkers vonden in het Nederlandse kabinet-Lubbers een stroman om de eigen variant van een politieke unie te pushen. Zij wilden aanzienlijk meer invloed voor de Europese Commissie en het Europese Parlement.[31] Met name Piet Dankert, de Nederlandse staatssecretaris voor Europese zaken, wilde concrete stappen in de richting van een Europese federatie. Dankert[32], voorzitter van het Europees Parlement van 19 januari 1982 tot 24 juli 1984, was een overtuigd federalist.[33] Het ontwerp-verdrag zoals ontworpen door de Luxemburg in de eerste helft van 1991 werd opzij geschoven. Dankert en zijn ambtenaren schreven een gloednieuw ontwerp met radicaal federale ideeën ten aanzien van een politieke unie met een sterke uitvoerende macht voor Europese Commissie. Dankert kon grotendeels zijn gang gaan omdat zijn minister, Hans van den Broek, zijn politieke handen vol had aan de Europese politieke crisis die samenhing met het uiteenvallen van Joegoslavië.[34][35][36] Ruud Lubbers was bezig zijn kabinet te redden: het politiek ingrijpen in de WAO leidde bijna tot de val van kabinet Lubbers III.[37] Achteraf is uit een dissertatie-onderzoek gebleken dat medewerkers van de Europese Commissie hadden meegeschreven aan het voorstel.[38][39][40]

De Nederlandse regering wilde zich echter niet uit het veld slaan. Lubbers: 'Zwarte Maandag had een moment kunnen zijn om te zeggen: nou, dat lukt dus niet. We hebben wel een top, maar een top zonder ambitie.' De voortgang van de ICG Europese Unie werd grotendeels in handen gelegd van Peter Nieman, de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger in Brussel. Maar ook het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken zette zijn schouders eronder. 'Het was geweldig spannend. Het hele ministerie stond onder ongelofelijke druk en er heerste een sfeer van alle hens aan dek, aldus toenmalig secretaris-generaal Ben Bot. 'We hebben na Zwarte Maandag alle directeuren-generaal bij elkaar geroepen en gezegd: hoe dan ook, we móeten zorgen dat het verdrag erdoor komt. Dus terug naar de tekentafel en kijken of we uitgaande van de pijlerstructuur toch tot een verdrag in elkaar kunnen zetten dat een kwantumstap voorwaarts is vergeleken met het Verdrag van Rome.'[41]

Kasteel de Haar

Een week na "Zwarte maandag", op 5 oktober 1991, kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken bijeen op Kasteel de Haar. De Britten, gesteund door de Nederlanders, waren tegen een gemeenschappelijke Europese defensie. Een gemeenschappelijk defensiebeleid, met een nadrukkelijke aanwezigheid van de NAVO, was wél aanvaardbaar. Lubbers en Van den Broek zetten vervolgens alle zeilen bij om John Major en Douglas Hurd tegemoet te komen. Groot-Brittannië en Italië, geïrriteerd dat de Frans-Duitse as de Europese politiek domineerde, stelden zelf een eigen defensie-voorstel op om in ieder geval aan te tonen dat het debat niet door de Fransen en Duitsers bepaald werd.[42]

Na Zwarte maandag verdwenen in de EPU-iGC de blauwdrukken snel uit beeld. In de woorden van Matthieu Segers: 'Veel zou bij het oude blijven, zoveel was na Zwarte Maandag wel duidelijk. Dat strookte mooi met de afstemming tussen Kohl en Mitterrand. Dat gold ook voor de doorbraken die wel bewerkstelligd werden in de EMU-iGC. Daar werden grote stappen gezet, nadat in de zomer duidelijk was geworden dat de wankelende Sovjet-Unie van Michael Gorbatsjov een Duitse eenwording op Amerikaanse voorwaarden - dus inclusief NAVO-lidmaatschap van het herenigde Duitsland - niet zou tegenhouden. Op 3 oktober 1990 was het wonder van de Duitse eenheid compleet, en kwam de Duitse hereniging officieel tot stand door middel van een opname van de DDR in de BRD. Dat was binnen een jaar na de val van de Muur. Iets wat niemand voor mogelijk had gehouden. Kohl wist welke westerse partners hij daarvoor moest bedanken: Bush in de eerste plaats, en in Europa Mitterrand.'[43]

Compromissen en doorbraken in aanloop naar Maastricht

Ruud Lubbers

Op 8 november had de Nederlandse regering een nieuw voorstel ten aanzien de vorming van de op te richten Europese Unie. Dit greep terug op het voorstel dat de Luxemburgse regering eerder dat jaar had gepresenteerd als roulerend voorzitter.[44] Met dit voorstel maakte Lubbers, die na "Zwarte maandag" zaken had weggetrokken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, een rondgang langs de Europese hoofdsteden. Londen was de zesde hoofdstad die hij bezocht, samen met Hans van den Broek en vicepremier Wim Kok. Dit overleg, op 20 november 1991, zou meer dan vijf uur gaan duren. Lubbers wilde voorkomen dat het in Maastricht tot een enorme botsing met de Britten zou komen.[45] Het was een voorstel met drie pijlers in de vorm van een "tempel" in plaats van een "boom" zoals het Dankert-voorstel beoogd had. De eerste pijler werd gevormd door de Europese Gemeenschappen (conform het Verdrag van Rome), de tweede pijler een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de derde pijler een samenwerking van justitie en binnenlandse zaken. Voor de tweede en derde pijler zouden aparte supranationale organisaties worden opgericht in plaats van het onder te brengen bij de Europese Commissie.[46]

Tijdens een besloten bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken op 12 november 1991 in Noordwijk werd ondertussen een belangrijke doorbraak bereikt ten aanzien van de uitbreiding van het vetorecht van het Europese Parlement. Groot-Brittannië ging akkoord met de "conciliatieprocedure": het Europees Parlement werd op een groot aantal terreinen medebeslisser (co-decisie) in communautaire wetgeving. Het Europees Parlement zou dus samen met de Raad van Ministers een wetgevende macht worden. Ook kwam overeenstemming over een van de grootste vernieuwingen: het Europese burgerschap. De Europese Akte had in 1986 reeds het pad geëffend voor vrij verkeer van goederen en personen. Met het Verdrag van Maastricht kregen Europese burgers formeel vrijheid van verkeer en verblijf alsmede actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen in de staat van verblijf.[47]

Het was echter niet gemakkelijk om te komen tot een geheel nieuwe constructie hoe de met het Verdrag van Maastricht op te richten Europese Unie georganiseerd zou worden. In de meeste lidstaten bestond weinig publieke of parlementaire interesse in de verdragsonderhandelingen. Groot-Brittannië vormde de uitzondering.[48] Er bestond daar een breed en indringend eurosceptisme en uiterlijk halverwege 1992 zouden algemene verkiezingen plaatsvinden. Alle intergouvernementele conferenties waren daarom nieuwswaardig. Met name de nadruk van de Britse regering van een wenselijke opt-out voor de monetaire unie kon op veel aandacht en breed gedragen steun rekenen.[49]

Charles de Gaulle, 1961

Groot-Brittannië, formeel het Verenigd Koninkrijk geheten, was pas in 1973 lid geworden van de Europese Economische Gemeenschap. Als gevolg van de afwezigheid bij de geboorte van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Verdrag van Rome, 1957) had het het Verenigd Koninkrijk geen invloed gehad op de ideologie achter de gemeenschap en de wijze waarop na 1957 de Europese samenwerking werd ingericht. Na 1957 waren er pogingen geweest om lid te worden, maar deze ketsten af. De Franse president Charles de Gaulle gebruikte bij herhaling zijn vetorecht om lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk tegen te werken.[50][51][52] Tijdens het Franse president van Georges Pompidou kwam het Verenigd Koninkrijk vervolgens succesvol in gesprek met de EEG. De Conservatieve Prime Minister Edward Heath leidde in 1973 het Verenigd Koninkrijk de EEG in, maar verloor vervolgens de algemene verkiezingen. Harold Wilson nam namens de Labour partij het stokje over, heronderhandelde de lidmaatschapsvoorwaarden met de EEG en schreef in 1975 een referendum uit om instemming van de Britse bevolking te krijgen.[53] Vervolgens bleek dat het lidmaatschap van de EEG het Verenigd Koninkrijk niet bracht wat beoogd was. In plaats van meeprofiteren met de welvaart van Europa kreeg bijvoorbeeld de verouderde Britse industrie zware klappen omdat zij de concurrentie met de innovatieve Duitse industrie niet aankon. Frankrijk had bovendien toegangseisen gesteld en deze bleken in de weerbarstige praktijk ten koste te gaan van het Britse visserij- en landbouwbeleid. Het Verenigd Koninkrijk kon voorheen goedkoop landbouwproducten inkopen bij leden van de Britse Commonwealth of Nations (met name Canada, Australië en Nieuw-Zeeland), maar werd vanaf 1973 gedwongen in EEG-verband veel hogere prijzen te betalen voor Franse importproducten. Met de stijgende voedselprijzen ontstond binnen Groot-Brittannië kritiek op de EEG en dit zich vertaalde zich in verdeeldheid binnen de Britse politieke partijen, eerst binnen de Labour partij en vervolgens binnen de Conservatieve partij. Het Verenigd Koninkrijk werd bovendien lid van de EEG op het moment dat de 30 jaar van groei en bloei van de kernlanden van de EEG voorbij was. In de jaren zeventig zette zich internationaal een economische recessie in die in de jaren1980 sociaal ontwrichtend zou uitpakken.[54][55]

John Major

In de aanloop tot de onderhandelingen aangaande het Verdrag van Maastricht bestuurde de Britse Prime Minister John Major een Verenigd Koninkrijk dat zich in zware economische problemen bevond terwijl de Britse publieke opinie weinig welwillend was aangaande de voortschrijdende Europese integratie. Major had een zwakke positie in zowel zijn eigen partij als kabinet - de meeste ministers zoals verzameld door Margaret Thatcher waren op hun post gebleven.[56] Major had te maken met een opportunistische parlementaire oppositie en een omvangrijke groep Eurosceptici binnen zijn eigen politieke partij. De Labour partij was ideologisch gezien vóór Europa, maar zou opportunistisch tegenstemmen ongeacht de inhoud van het verdrag.[57]

De Labour partij in oppositie en de eurosceptische parlementariërs van de Conservatieve partij hadden tezamen getalsmatig een meerderheid in het Britse Lagerhuis. Prime Minister John Major en Foreign Secretary Douglas Hurd hadden daarom weinig politieke armslag in de richting van de Maastricht-onderhandelingen. Er bestond in Groot-Brittannië een publieke verwachting dat Major algemene verkiezingen zou houden vóór de onderhandelingen in Maastricht om op deze wijze een sterk politiek mandaat te krijgen, maar Major verschoof de datum naar midden 1992.[58] In Britse ogen lag de term "federalisme" bovendien gevoelig. Lidstaat Luxemburg had de term opgenomen in eigen ontwerp-verdrag zonder te realiseren dat het in Groot-Brittannië de connotatie had van onuitspreekbare disloyaliteit en onbenoembare perversiteit. Bovendien was de eurosceptische Margaret Thatcher actief als backbencher binnen het Britse Lagerhuis en mobiliseerde een groep eurosceptici binnen parlement en pers: "tezamen komen in Europa" mocht ontaarden in "meer centralisatie".[59] Het "F-woord" leidde dankzij haar tot een politieke rel. Thatcher dreigde het verdrag weg te stemmen met steun van haar geestverwanten.[60] De Duitse politici stonden juist positief tegenover de term omdat Duitsland zelf een systeem heeft waarin de Länder (de deelstaten) veel macht hebben. Volgens Douglas Hurd was het daarom vooral een taalprobleem en de term moest daarom uit het verdrag gehouden worden.[61] 'Wat maakt het ook uit wat de term is, zolang wij het echte ding maar krijgen', zo was de reactie van Jacques Delors.[62]

Ook sociale ideeëngoed van Jacques Delors stond haaks op het Britse Conservatieve gedachtegoed. De Thatcherites konden daarom niet instemmen met Delors' ideeën aangaande een sociaal handvest. Delors had in 1988 een boek gepubliceerd over zijn visie hoe Frankrijk geïntegreerd zou moeten worden in een Europa met een sterke sociale agenda. Dit boek, met een onverholen socialistische inslag, werd in 1992 in de aanloop tot de topbijeenkomst in Maastricht in het Engels gepubliceerd. In een nieuw voorwoord legde Delors uit dat de toenemende globalisering vroeg om een sterk Europa waarin niet alleen aandacht was voor economische vraagstukken maar ook voor gemeenschappelijke inspanningen op gebied van onder meer onderwijs en hervormingen op de arbeidsmarkt. De Perestrojka-gedachten en het uiteenvallen van de Sowjet-Unie hadden deze agenda in Delors' ogen actueler gemaakt omdat de Koude Oorlog ten einde was gekomen. Democratie, rechtstatelijke gedachten en wereldvrede leken in belang toe te nemen. De Britse uitgever presenteerde - de niet zelden provocerende - Jacques Delors als de eerste transnationale politieke leider van een nieuw Europa.[63]

De Britse premier John Major was gedwongen zijn bottom line duidelijk uiteen te zetten in het Britse Lagerhuis vóórdat hij in Maastricht ging onderhandelen. Op 20 november 1991 deelde Major aan zijn Britse mede-parlementariërs mee hoe hij de onderhandelingen in Maastricht zou ingaan: geen federalisme, geen concessies aan één Europese munt, geen sociaal handvest, geen gemeenschappelijk defensiebeleid. Samenwerking op terrein van defensie, buitenlandse zaken en binnenlandse zaken: ja. Ondergeschikt aan Europa: nee. Het waren standpunten die reeds bekend waren bij de andere Europese regeringsleiders. John Major was alle Europese hoofdsteden afgereisd om zijn positie duidelijk te maken. Met name met de Duitse bondskanselier Helmut Kohl had Major een goede werkrelatie opgebouwd.[64]

Douglas Hurd

Douglas Hurd, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, had reeds een eigen "tegenverdrag" laten opstellen binnen zijn eigen (Britse) departement. In een vroeg stadium had Hurd vastgesteld dat het Verdrag van Maastricht primair zou draaien om de fundamentele vraag op welke wijze de Europese Gemeenschap zou groeien in de richting van een Europese Unie. Ook had hij tijdens gesprekken met internationale collega's vastgesteld dat de lidstaten verdeeld waren over de vraag of het gedachtegoed van Jean Monnet als een doctrine blindelings moest worden uitgevoerd. Dit veronderstelde een graduele groei, sector voor sector, van de overdracht van macht door de Europese naties naar supranationale Europese instituties: eerst kolen en staal, vervolgens nucleaire energie, vervolgens de gemeenschappelijke economische markt, daarna de gemeenschappelijke munt. De Monnet-doctrine volgend: er zou ongetwijfeld de harmonisatie van belasting, sociale uitkeringen en pensioenen volgen. Op termijn zou er zoveel machtsoverdracht komen dat de "Verenigde Staten van Europa" gecreëerd zou worden. Hurd had geconstateerd dat ruim de helft van de lidstaten dit voorstonden, maar dat er ook lidstaten waren die er niet in geloofden. De Fransen hadden bijvoorbeeld een weerzin tegen de Europese Commissie en hadden niet de intentie om hun nucleaire wapens of een permanente zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over te dragen aan "Europa". Ook voor de Britse regering was dit geen optie. Douglas Hurd liet daarom tijdig een voorstel voorbereiden waarmee hij tot de tanden gewapend kon gaan onderhandelen: niet de "boom" zoals de Monnet-doctrine voorschreef (en zoals Piet Dankert liet uitwerken), maar een "tempel" met drie pilaren. Terwijl de Nederlandse regering na "Zwarte Maandag" werkte aan een voorstel van een "tempel met die pijlers", waren de Britten dus zelfstandig óók aan het ontwerpen. De grondgedachte die Douglas Hurd liet uitwerken was: alleen collectief handelen als Europeanen als dit strikt noodzakelijk was omdat actie op nationaal niveau inadequaat zou zijn. Dit was vloeken in de "Monnet-kerk", maar het Verdrag van Maastricht kon zodanig centralistisch gaan uitpakken dat "ketterij" noodzakelijk werd. Major voelde zich hier niet gemakkelijk bij en vreesde achteraf te kunnen worden beschuldigd van deceptie. Binnen de eigen politieke partij werden daarom gesprekken gevoerd, terwijl Douglas Hurd en John Major een week voor de onderhandelingen in Maastricht ook naar Den Haag kwamen om Ruud Lubbers uit te leggen wat de Britse modus operandi zou zijn. Hurd en Major kregen in Den Haag inzage het voorstel-verdrag zoals bijna gereed was. Tot opluchting van Douglas Hurd was de centralisatie-gedachte was verwijderd. Er bleven alleen nog retorische vraagstukken over die aandacht verdienden. Hurds collega Norman Lamont, de Britse minister van Financiën, was inmiddels al aan het onderhandelen gegaan met zijn Europese collega-ministers. Het leek erop dat Groot-Brittannië een "opt-out" kon krijgen ten aanzien van de eenheidsmunt. Ook op sociaal terrein - een hoofdstuk in het verdrag die een wettelijke basis zou geven voor uiteenlopende wetgeving op het gebied van arbeid en sociale uitkeringen - stond Groot-Brittannië geïsoleerd. Michael Howard, de Britse minister voor Werkgelegenheid, wilde niet instemmen met de tekst die in Maastricht formeel gepresenteerd zou worden. Hurd was het met hem eens. Samen met John Major legde hij dit begin december Ruud Lubbers voor. In zijn private dagboek noteerde Hurd: 'Lubbers tastte vriendelijk en Jezuïtisch [dat was zijn opleiding] onze eindpositie uit. Wij spraken verder over de sociale paragraaf. Onze isolatie zal sterker worden, maar dat kan niet verholpen worden.'[65]

Tegelijkertijd liet ook Jacques Delors nadrukkelijk van zich horen. In een toespraak aan het Europese parlement noemde hij het tempel-model 'georganiseerde schizofrenie' en dreigde het voorstel af te keuren zodra het definitief werd ingediend.[66][67]

De IGC-EMU verliep minder tumultueus dan de IGC-EPU. Het Nederlands voorzitterschap had een tussenproduct van een Verdragstekst overgenomen van het Luxemburgs voorzitterschap uit de eerste helft van 1991. Hierin was nog geen enkele serieuze knoop doorgehakt. Ondanks verzet van de Zuid-Europese lidstaten zette het Nederlandse voorzitterschap er op in dat alleen lidstaten die aan convergentiecriteria voldeden zouden mogen toetreden tot de EMU. Een belangrijk strijdpunt was ook de vertegenwoordiging van de EMU in het internationale overleg over monetaire en wisselkoersaangelegenheden. De IGC-EMU werd het erover eens dat de EMU in drie fasen zou worden gerealiseerd, met de overgang naar de gezamenlijke munt en de oprichting van de ECB in de derde fase. In de tweede fase zou het Europees Monetair Instituut worden opgericht, ter voorbereiding van de ECB. Welke landen bij start van de derde fase zouden toetreden zou door de convergentiecriteria worden bepaald. Hoe en door wie het besluit over de start van de derde fase zou moeten worden genomen was tot aan de beraadslagingen van Maastricht nog onduidelijk. Datzelfde gold voor de eventuele uitzonderingspositie van het Verenigd Koninkrijk. Wim Kok heeft in de laatste vergadering van de IGC vooraf aan Maastricht nog krachtig gevochten voor een sterkere rol van het Europese Parlement bij de besluitvorming binnen de EMU.[68]      

Onderhandelingen tijdens de topconferentie in Maastricht

De vergaderlocatie: het Statengebouw van het Limburgs Gouvernement aan de Maas

Op 9 en 10 december kwam de Europese Raad van regeringsleiders bijeen voor een topconferentie ("Europese top" of "Eurotop") in het Gouvernement aan de Maas in Maastricht. Ook de vakministers van de lidstaten waren aanwezig. Voor de conferentie was de ronde feestzaal in het Statengebouw van het provinciehuis ("Limburgs Gouvernement") omgebouwd tot vergaderzaal. Het MECC-congresgebouw fungeerde als perscentrum.[69] Koningin Beatrix ontving de Franse president François Mitterrand, de elf minister-presidenten van de andere lidstaten (waaronder Helmut Kohl en John Major), alsmede commissievoorzitter Delors voor een lunch in het kasteel-restaurant Neercanne. Zij maakte grote indruk door mede te delen dat zij bereid was af te zien van haar beeltenis op de toekomstige munt. 'Ik zal geen bezwaar maken wanneer ik mijn hoofd op onze munt moet offeren voor een ecu,' zo sprak de vorstin.[70] De Britse krant The Times kopte dat koningin Beatrix bereid was haar kroon te riskeren.[71] Ondanks alle diplomatieke inspanningen voorafgaande aan de conferentie bleef het tot het laatste moment spannend of de bijeenkomst met een positief resultaat kon worden afgesloten. Het door topkok Cas Spijkers bereide slotdiner werd als lopend buffet opgediend aan journalisten, politie-mensen en andere medewerkers, omdat de politici moesten door vergaderen.[72]

Bijna alle lidstaten vonden dat er één Europese munt moest komen, maar verder verdedigden alle landen hun eigen belangen. Behalve bij Groot-Brittannië was er daardoor wel een wil om door te zetten en onderling concessies te doen.[73] Aanvankelijk was door de verschillende posities van de lidstaten en hun deelbelangen geen sprake van een blok "continent" dat tegenover het Verenigd Koninkrijk stond, maar dat werd het wel tijdens de onderhandelingen in Maastricht naarmate bleek dat Groot-Brittannië slechts één motief had om mee te werken aan de Europese integratie: het vrijhandelsaspect (economische samenwerking en open grenzen). Het Verenigd Koninkrijk was faliekant tegen de Europese munt en Europese sociale wetgeving. De Britten wilden geen Europese defensie en geen federaal Europa.[74]

De Britten konden alles met een veto blokkeren. Dit zorgde voor grote spanningen tijdens de conferentie. De conferentie was in de woorden van Wim Kok, de toenmalige minister van Financiën en vicepremier, daardoor een continu gevecht. Uiteindelijk werd de oplossing gevonden in een Brits opt-out. Daardoor kon in ieder geval overeenstemming worden bereikt ten aanzien van de EMU omdat inmiddels na een initiatief van Andreotti en Mitterrand ook een akkoord was bereikt over de besluitvormingsprocedure over de de start van de derde EMU-fase.[75] Dit was een monetair eenwordingsproces waarvan de eerste stappen reeds waren gezet in de jaren zestig, een ingewikkelde geschiedenis kende als gevolg op de opstelling van Frankrijk en gevoeligheden in Duitsland, omdat de Duitse Mark moest worden "opgeofferd", kon eindelijk afgerond worden.[76]

Normant Lamont en het veiligstellen van een akkoord over de EMU tijdens de topconferentie in Maastricht

Norman Lamont

Norman Lamont, de Britse minister van Financiën, was een politicus in de politieke traditie van Margaret Thatcher. Kort na aantreden als minister had hij ontdekt wat de Britse ambtenaren hadden bedacht om tóch bij Europa te kunnen blijven behoren, maar zonder deelname aan de EMU: een opt-out bedingen. Via een opt-out hoopte John Major (zijn voorganger als minister van Financiën onder Margaret Thatcher en inmiddels de Prime minister die Lamont tot minister van Financiën had verheven) in het hart van de Europese besluitvorming te kunnen blijven zonder een definitieve commitment aan te gaan en daarmee de Conservatieve partij verenigd te kunnen houden. Lamont besefte dat een opt-out slechts het rekken van tijd was, maar hij speelde het spel wel mee tijdens de voorbereidende Europese vergaderingen en conferenties ten aanzien van de EMU die eind 1990 begonnen. Hij wist het beginsel veilig te stellen in de aanloop tot de conferentie in Maastricht. Lamont was echter ook een uitgesproken persoonlijkheid. Hij ergerde zich over de wijze waarop de Europese leiders bijeenkwamen. Belangrijke zaken werden niet in formele vergaderingen besproken, maar in extravagante lunches met veel alcohol en sigaren. Op deze wijze werd een sfeer gecreëerd waardoor Europese leiders gemakkelijker gebroederlijk tot overeenstemming kwamen zoals Jacques Delors en de ambtenaren van de Europese Commissie voorbereid hadden. Lamont zag in dat de lunches ook werden misbruikt als politiek instrument door de Europese Commissie door de afwezigheid van nationale ambtenaren bij deze feestelijke maaltijden. Britse ambtenaren konden op kritieke momenten daardoor hun minister niet waarschuwen. Tijdens de onderhandelingen voor het Verdrag van Maastricht hoorde Lamont tijdens een lunch voor het eerst Europese politici openlijk en enthousiast zeggen dat zij werkten aan een Europese staat. Dit was een kwestie die buiten de vergadertafels en uitgebreide lunches niet publiekelijk door dezelfde personen benoemd werd. Bovenal was het een kwestie die zeer gevoelig lag in zowel de Britse publieke opinie als parlement. Zelfs Lamonts Franse collega, in Lamonts ogen een realistisch man, was ervan overtuigd dat zijn kinderen onder een Europese regering zouden gaan leven. Lamont was het er niet mee eens en trok voor zichzelf de streep: hij onderhandelde simpelweg iets uit voor het Britse parlement waar met een "ja" of "nee" op een geschikt moment geantwoord kon worden.[77]

Wim Kok, 1994

Het was Norman Lamont die voor drama zorgde tijdens de conferentie in Maastricht. In Wim Kok, zijn Nederlandse collega en voorzitter van de IGC-EMU, trof Lamont gevoelsmatig een tegenstander aan. Tijdens een lunch met een 1979 Château Yon Figeac St-Emilion had Lamont in een van de voorbereidende vergaderingen al ontdekt dat de meeste van zijn Europese collega's slechts eenmaal een verdragstekst (het Verdrag van Maastricht) wilden gaan voorleggen aan de nationale parlementen, om het vervolgens aan de nationale regeringen en de Europese Commissie over te laten om besluiten te nemen over de eenheidsmunt en de kwalificaties daarvoor voor lidstaten. Wim Kok verbaasde Lamont door te zeggen: 'Als wij parlementen betrekken in deze zaak dan zullen zij tegen de eenheidsmunt stemmen en zal Europa nooit zijn lotsbestemming bereiken.'[78] Tot Lamonts grote ergernis wilde Kok, in Lamonts ogen een snel geprikkelde man die zijn ware gezicht verborg in de richting van zijn Europese collega's, tijdens de vergadering van de ministers van Financiën in Maastricht een door Lamont opgesteld protocol regel voor regel doornemen in de vergadering in plaats van als niet-onderhandelbaar document overnemen. Ondanks protesten van Lamont zette Kok door en zei dat de vergadering wellicht het document wilde amenderen. Lamont antwoordde daarop dat de opt-out uitsluitend op Groot-Brittannië betrekking had en dat dit niet onderhandelbaar was. Desondanks begon Kok het protocol regel voor regel door te nemen. Een woeste Lamont stond op en verliet het vertrek zonder om schorsing van de vergadering te vragen. Hij had met slaande deuren willen vertrekken, maar helaas was de deur zo zwaar dat hij alleen maar erg langzaam bewoog en in het slot viel zonder veel geluid te maken. Na overleg met John Major en Ruud Lubbers in een ander vertrek kwam Lamont terug. In zijn afwezigheid was de opt-out geaccepteerd zonder enige amendement. Lamont was ervan overtuigd dat hij via zijn weglopen een door Kok uitgezette val was ontlopen.[79]

De Nederlandse versie van de gebeurtenissen is uitgebreider. Wim Kok wilde een protocol puntsgewijs doornemen die wel met de Britten was afgestemd, maar nog niet door de andere IGC-leden was ingezien. Kok begon daarom de tekst regel voor regel door te nemen. Na het vertrek van Lamont, die na enkele minuten zijn ambtenaren terugriep uit de vergaderzaal, besloot Kok dat de opt-out tekst eerst door de IGC op topambtelijk niveau zou worden besproken. Op ministerieel niveau werd de vergadering stilgelegd. Kok kreeg daardoor de gelegenheid om contact met Ruud Lubbers te zoeken. Tegelijkertijd vergaderden de ambtenaren verder en konden een tekst bespreken die pas eerder die dag beschikbaar was gekomen. Het bleek dat er geen obstakels bestonden in de ogen van de andere lidstaten. Daardoor kon de IGC op ministerieel niveau worden hervat. Ook Lamont keerde terug in de vergaderzaal. In het Nederlandse kamp werd de woede van Lamont met verbazing aanschouwt. Lamonts demonstratieve actie was volstrekt onnodig geweest.[80]

Over de wijze waarop John Major en Ruud Lubbers tot overeenstemming zijn gekomen lopen de versies uiteen. Nog niet alle archieven zijn openbaar en de verschillende versies in gepubliceerde memoires zijn strijdig met elkaar of zwijgen over details.[81] Norman Lamont geeft in zijn memoires geen details, behalve dat hij moest wachten tijdens de lopende vergadering van ministers van Financiën totdat John Major en Ruud Lubbers, die een bilaterale bijeenkomst hadden, beschikbaar voor hem was.[82] John Major schreef in zijn memoires dat hij gewaarschuwd werd dat Lamont de vergadering had verlaten. Zijn ambtenaren knepen de vingers samen: hun opt-out werd bediscussieerd en hun minister was er niet bij. Tijdens een pauze van de besprekingen van regeringsleiders had Ruud Lubbers gevraagd of hij Major apart kon spreken over de sociale paragraaf omdat dit onderhandelingsdeel in een patstelling dreigde te eindigen. Major vroeg op zijn beurt of Norman Lamont daarbij kon zijn en liet naar Lamont zoeken. Ook Wim Kok kwam te voorschijn en wilde over Norman Lamont praten, aan de expressie van zijn gezicht te zien was dat in negatieve zin. Kok vertelde Major: 'Er zijn problemen. Ruud zal het je vertellen.' Lubbers startte met de eerste opt-out, de EMU. Hij benoemde een paar kleine problemen die waren voortgekomen uit de vragen van de ministers van Financiën. Die problemen werden snel opgelost nadat ook Norman Lamont aan het gesprek had deelgenomen. Major vertelde aan Lubbers en Kok dat hij geen politieke bewegingsruimte had voor de EMU opt-out. Maar, als hij de belofte kreeg dat hij de opt-out zou krijgen, dan zou hij de Nederlandse ambities niet blokkeren. Lubbers en Kok reageerden teleurgesteld en probeerden tegenwerking te geven, maar binnen enkele minuten gaven zij dit op. Major veronderstelde in zijn memoires dat Lubbers en Kok dit deden omdat er een groter gevaar uitging van de impasse rond de sociale paragraaf: dát kon het gehele verdrag in gevaar brengen. Major was tegen deze paragraaf omdat Europese rechters zich konden gaan mengen in Brits nationaal beleid. Ruud Lubbers, die zich volgens Major onberispelijk gedroeg, kwam uiteindelijk in het gesprek (waar ook de Duitse bondskanselier Helmut Kohl aanwezig was) tot een oplossing: de sociale paragraaf werd gedegradeerd tot protocol dat als appendix aan het Verdrag werd toegevoegd en met nadrukkelijke mededeling dat het niet voor het Verenigd Koninkrijk van toepassing was. Kohl stemde in. Major accepteerde de creatieve oplossing: unie-breed zou de sociale paragraaf dood zijn. Het zou alleen betrekking hebben op de andere elf lidstaten en via het protocol bij het verdrag zou dat nadrukkelijk worden vastgesteld.[83][84][85]

Jeremy Heywood

De Britse ambtenaar Jeremy Heywood heeft aan het thuisfront meer verteld. Dat is postuum gepubliceerd in 2021. Volgens Heywood heeft Wim Kok in december 1991 de vergadering geschorst nadat Norman Lamont was weggelopen. Lamont verdween uit de vergaderruimte, op de hielen gezeten door een Britse ambtenaar. Deze Britse ambtenaar kon later aan zijn collega's vertellen wat er gebeurd was. John Major had gesproken met zowel Lubbers als Helmut Kohl. Lubbers en Kohl hadden vervolgens Wim Kok medegedeeld dat hij het Britse voorstel voor de opt-out moest accepteren. De rest van de bijeenkomst van de ministers van Financiën was vervolgens, vanuit het Britse perspectief, eenvoudig geweest omdat het Britse doel bereikt was.[86]

Helmut Kohl & Ruud Lubbers

Ook de herinneringen van Ruud Lubbers zijn postuum gepubliceerd. Lubbers vertelde in de periode 1992-1995 aan historicus Theo Brinkel: 'Iedere speler heeft zijn eigen rol. Helmut Kohl zet zich in voor het bewerkstelligen van strakke teksten over de EMU. De groei naar één Europese munt moet zorgvuldig gebeuren. De Bondsrepubliek moet haar D-mark er vol vertrouwen in kunnen laten overgaan. Later zullen daar juist in Duitsland de meeste zorgen over ontstaan. Kohl vindt ook dat het gehele werk in Maastricht af moet komen, omdat hij vreest dat wij de laatste generatie zijn die dit tot stand kan brengen. Hij voelt dat het tij zal verlopen. Op het einde is hij ook mede bereid om de concessies te dragen, die gedaan moeten worden aan John Major. Het lukt niet om het sociale luik bij het Verdrag onder te brengen. Ik vind dat jammer. Ik heb teksten klaarliggen met nog wat meer subsidiariteit erin, waarmee het volgens mij voor Groot-Brittannië aanvaardbaar had moeten zijn om het sociale luik te ondertekenen. Door het verloop van de vergadering en vooral door de ruzies over de EMU, is de rek eruit bij hen die juist een stevig communautair sociaal hoofdstuk willen, om ook nog op het sociale deel verdere concessies te doen. Vooral Norman Lamont, de Britse minister van Financiën, ligt ontzettend dwars. Op een gegeven moment zet Major hem opzij en gaat hij het zelf doen. Alleen zo komt de tekst voor het monetaire deel rond. De klok tikt door en dan komt Delors met de grap van de Britse opting-out voor de sociale paragraaf. Dat is een teleurstelling voor mij. Maar, om met wijlen Jan de Koning te spreken: “Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.” Dit had echter beter gekund.'[87]

Na moeizaam onderhandelen overeenstemming over het Verdrag van Maastricht

Michael Howard

De Britse delegatie kreeg uiteindelijk waar het om gevraagd had. De term "federaal" werd vervangen door "Ever closer union", een steeds hechter wordend verbond. John Major ging akkoord met het verdrag op voorwaarde dat Groot-Brittannië in later stadium kon afhaken van de eenheidsmunt. Denemarken vroeg en kreeg ook een opt-out hieromtrent. De sociale paragraaf verwerd tot een protocol waarbij nadrukkelijk vermeld dat het niet voor het Verenigd Koninkrijk van toepassing was. Voor de Britten was de sociale paragraaf onverteerbaar omdat dit politieke hervormingen op de Britse arbeidsmarkt teniet zou doen en de werkloosheid zou opstuwen. Alle politieke hervormingen zoals tot stand gebracht door onder meer Margaret Thatcher, Geoffrey Howe en Nigel Lawson dreigden teniet te worden gedaan. Voor de Britse Conservatieve partij was het daarom een principiële kwestie: het had de partij jaren gekost om protectionistische maatregelen van de eerdere Britse Labour-regering teniet te doen en de aanbodzijde van de markt te stimuleren. De Britten stonden lijnrecht tegenover de socialisten Mitterrand en Delors. Bovendien had Major te maken met muiterij in eigen gelederen. Michael Howard, de Brits verantwoordelijk minister, was niet in Maastricht aanwezig maar werd wel voortdurend op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen en had in feite van Major een vetorecht gekregen. De eurosceptische Howard, reeds door Margaret Thatcher benoemd tot minister van arbeidsaangelegenheden en door Major gehandhaafd op die positie, dreigde telefonisch om ontslag te nemen als minister indien Groot-Brittannië aan de onderhandelingstafel van Maastricht zou instemmen met de sociale paragraaf.[88]

Hans-Dietrich Genscher, Helmut Kohl, François Mitterrand & Roland Dumas - 1989

De sociale paragraaf werd daarom omgezet in een apart protocol dat aan het verdrag werd toegevoegd. Groot-Brittannië kon niet de sociale paragraaf accepteren zoals hij was opgesteld door de Nederlandse regering, maar wilde evenmin een tweede opt-out of het gehele Verdrag van Maastricht saboteren. De andere lidstaten wilden niet de alternatieve tekst accepteren die door de Britten werd gepresenteerd. Mitterrand weigerde een verdrag te ondertekenen zonder de sociale paragraaf en vond steun bij de overige tien lidstaten. Ruud Lubbers kwam met de inventieve oplossing tijdens een onderonsje tussen Major, Lubbers en Kohl: Lubbers stelde een omgekeerde opt-out voor, een sociale paragraaf die niet voor de Britten gold als annex op het verdrag.[89] Kohl en Mitterrand konden daar mee instemmen.[90] Volgens Douglas Hurd toonde de slimme en altijd hoffelijke Lubbers daarmee zijn politiek vernuft.[91] Overigens heeft Lubbers zelf een andere lezing van deze doorbraak. Jacques Delors had het idee naar voren geschoven toen het nog over de EMU ging. Mogelijk was het als grap bedoeld en heeft Lubbers er inventief een draai aan gegeven door met juridische constructies te gaan spelen.[92]

Over de gemeenschappelijke defensie waren de gemoederen ook hoog op gelopen. De "Europeanen" hadden tegenover de "Atlantici" gestaan. Frankrijk was kampioen van de "Europeanen". Frankrijk was tussen 1966 en geen 1996 geen lid geweest van de NAVO, had eigen nucleaire wapens ontwikkeld en wilde een sterk Europees leger. De wens was een leger dat kon worden ingezet na unanieme opdracht van de Europese Raad van Ministers zonder medezeggenschap van het Europese parlement. Groot-Brittannië, Denemarken en Nederland waren uitgesproken "Atlantici": zij hechtten sterk aan goede betrekkingen met de Verenigde Staten. Uiteindelijk werd de strijdbijl begraven door er een taalkwestie van te maken: geen 'common defence' maar een 'common defence policy' (een gemeenschappelijk defensiebeleid dat op termijn kon leiden tot een gemeenschappelijke defensie). Douglas Hurd kon zich in deze terminologie vinden omdat het voorwaardelijk was. Het was "kunnen" in plaats van "zou moeten" en de individuele relaties van de lidstaten met de NAVO bleef ongemoeid.[93] Na twee dagen moeizaam onderhandelen kon de Maastrichtse Eurotop op 11 december 1991 om half 2 's nachts worden afgesloten met een akkoord.[94][95][96][97][98] In de ogen van Helmut Kohl had Ruud Lubbers met zijn voorzitterschap een historische prestatie geleverd.[99] Lubbers had er moeite mee dat Major de uitkomst van de Europese Raad in eigen land presenteerde als een persoonlijke overwinning. "Game, set and match" werd triomfantelijk aan de pers gemeld. Met name de Franse president Mitterrand was er razend over. Hij was niet gelukkig met het onderhandelingsresultaat omdat de sociale paragraaf ontbrak en vond dat voorzitter Nederland te veel ruimte had gegeven aan de Britten.[100] Jacques Delors vertelde journalisten dat hij de voorkeur gaf aan de regels van voetbal terwijl Major klaarblijkelijk die van rugby prefereerde. Het was daarom moeilijk voor hem om de prestatie van de Britse Prime Minister te duiden.[101] John Major had echter niets met de frase te maken. Het kwam uit de koker van zijn persvoorlichter. Douglas Hurd vond de vergelijking zeer pijnlijk. Diplomatie is geen tenniswedstrijd. Diplomatiek onderhandelen gaat volgens Hurd om het bereiken van een compromis, niet om het behalen van een triomfantelijke overwinning op een tegenstander.[102]

Achteraf heeft Ruud Lubbers op bijna academische wijze beschouwend terug gekeken op zijn voorzitterschap in gesprek met een Britse auteur. De fout die hij gemaakt had tijdens de Maastricht-onderhandelingen: het niet-waarderen van Majors onbuigzame houding ten aanzien van de sociale paragraaf. Als auteur van deze paragraaf dacht Lubbers voldoende materie te hebben ingebouwd om Groot-Brittannië te laten tekenen. Reflecterend op zijn eigen rol in het geheel: 'Als ik had geweten dat John Major in alle omstandigheden een opt-out nodig had, dan had ik het anders gespeeld.'[103]

Bronnen